Выбрать главу

Binnen de poorten maakte de stad een einde aan zijn lach. Hier waren de straten geplaveid en sommige waren zo breed dar er wel tien of meer koetsen naast elkaar konden rijden. Ze waren alle maal kaarsrecht en kruisten elkaar in loodrechte hoeken. De glooi ende heuvels buiten de stadswallen waren hier afgegraven en vormden vlakke terrassen, afgezet in steen. Ze leken evenzeer door mensen te zijn gebouwd als de stenen huizen met hun strenge lijnen en scherpe hoeken, of de hoge torens met hun niet voltooide toppen, omgeven door bouwsteigers. De straten en stegen waren vol met mensen met doffe ogen en ingevallen wangen; ze waren bijeen gekropen on der zelfgemaakte afdakjes of rafelige dekens die als tenten dienden of gewoon samengedrongen in de open lucht. Rhand zag de donkere kledij die de Cairhiense stadsbewoners verkozen, de felle kleuren van voormalige Voorpoorters alsmede de grove kledij van boeren en buitenlui. Zelfs de steigers waren overvol, op alle lagen, tot de top aan toe, waar de mensen nog maar kleine poppetjes leken te zijn. Al leen het midden van de straat bleef vrij toen Rhand en de Speervrouwen zich een weg baanden, maar de open ruimte stroomde achter hen meteen weer vol met opdringende mensen. De mensen bevredigden zijn goede stemming. Hoe afgesloofd en uit geteerd ze er ook uitzagen, als schapen in een te kleine kooi bijeen geperst, ze juichten. Hij had geen idee hoe ze wisten wie hij was, ten zij ze mogelijk het geroep van de officier aan de poort hadden op gevangen, maar ver voor hem uit steeg reeds een luid gejuich op toen ze door de straten trokken en de Speervrouwen zich een weg baanden door de mensenmassa. Het was zo overdonderend dat weinig woorden verstaanbaar waren, afgezien van ‘Drakenheer’ zo nu en dan, als genoeg mensen dit tegelijk riepen. Hun mening viel echter duidelijk af te lezen aan de mannen en vrouwen die hun kinderen omhooghielden om hem langs te zien komen, aan de sjaals en lappen die uit ieder venster wapperden, aan de mensen die zich met uit gestrekte armen door het kordon Speervrouwen trachtten te worstelen.

Ze leken zeker niet bang te zijn voor de Aiel, niet nu ze de kans kregen met een vinger Rhands laarzen aan te raken. De druk van honderden die hen verder stuwden, was zo groot dat het sommigen luk te zich er doorheen te wurmen. Feitelijk raakten velen niet hem, maar Asmodean aan – die zag er zeker als een hoge heer uit met die over vloed aan kant en mogelijk dachten ze dat de Drakenheer ouder zou zijn dan die jongeman in de rode jas – maar het maakte geen verschil. Het gezicht van iedere man of vrouw die erin slaagde een laars of een stijgbeugel aan te raken, zelfs die van Pevin, toonde vreugde en hun monden vormden het woord ‘Drakenheer’, dat in de herrie niet te horen viel. Een vreugde die bleef, zelfs als de Speervrouwen hen met de schilden weer wegduwden.

Na de toejuichingen en de ruiters die bij de poort weg waren gestuurd, was het geen wonder dat Meilan verscheen met een tiental lagere Tyreense heren als gevolg en vijftig Verdedigers van de Steen om ruim baan voor hem te maken, wat ze met de schachten van hun lansen klaarspeelden. Grijs, gehard en mager in zijn prachtige zijden jas met strepen en polskragen van groen satijn zat de hoogheer in het zadel met de rechte rug en het gemak van iemand die al op een paard gezet was en geleerd had te bevelen zodra hij had leren lopen. Hij negeerde de zweetdruppels op zijn gezicht en evenzeer de moge lijkheid dat zijn groep ruiters iemand onder de voet zou rijden. Dat waren kleine ongerieflijkheden en het zweet was daarvan waar schijnlijk de grootste.

Edorion, de jonge heer met roze wangen die naar Eianrod was gekomen, reed tussen de anderen, niet meer zo gezet als toen, zodat zijn roodgestreepte jas hem vrij ruim zat. Verder herkende Rhand alleen een breedgeschouderde man met kleren in verschillende tinten groen. Reimon had graag met Mart in de Steen kaart gespeeld, her innerde Rhand zich. De anderen waren voor het merendeel oudere mannen. Ze toonden even weinig mededogen voor de menigte als Meilan, terwijl ze zich erdoorheen ploegden. Er was geen enkele Cairhienin bij.

De Speervrouwen lieten Meilan doorrijden na Rhands knikje, maar sloten zich achter hem meteen weer aaneen om de anderen buiten te sluiten, iets wat de hoogheer aanvankelijk niet leek op te merken. Toen dat wel het geval was, smeulden zijn ogen vervaarlijk. Al van af Rhands komst in de Steen van Tyr was Meilan vaak kwaad geweest.

Het lawaai begon met de aankomst van de Tyreners af te nemen en verzwakte zelfs tot een dof gemompel tegen de tijd dat Meilan van uit zijn zadel een vormelijke buiging voor Rhand maakte. Zijn ogen schoten even naar Aviendha voor hij besloot haar te negeren, net zo als hij probeerde de Speervrouwen niet te zien. ‘Het Licht verlichte u, mijn Heer Draak. Laat mij u welkom heten in Cairhien. Ik moet me verontschuldigen voor al die boeren, maar ik was me niet bewust dat u nu de stad wilde betreden. Indien ik het had geweten, had ik de straten laten ontruimen. Ik had u een grootse intocht willen bereiden, passend voor de Herrezen Draak.’

‘Die heb ik gekregen,’ zei Rhand en de ander knipperde met zijn ogen. ‘Zoals u zegt, mijn Heer Draak.’ Hij zweeg even en toen hij verder sprak, was aan zijn stem duidelijk te horen dat hij zoiets niet begreep. ‘Mag ik u volgen naar het koninklijk paleis, waar ik een kleine begroeting heb georganiseerd? Echt klein, vrees ik, zo zonder aankon diging van uw komst, maar zelfs hiermee wil ik u laten blijken dat...’

‘Het volstaat, wat u ook alsnog geregeld hebt,’ onderbrak Rhand hem en ontving wederom een buiging en een smalle vettige glimlach als antwoord. De kerel was nu een en al onderdanigheid, maar over een uur zou hij praten alsof hij het tegen een of andere zwakzinnige had die overbekende feiten niet begreep. En onder dit alles scholen een minachting en een haat waarvan hij aannam dat Rhand die niet opmerkte, al straalde het recht uit zijn ogen. Minachting omdat Rhand geen heer was – geen echte, bij geboorte, volgens Meilan en haat omdat Meilan voor Rhands komst de macht over leven en dood had gehad, waarbij weinigen zijn gelijken waren en niemand zijn hogere was. Het geloof dat op zekere dag de Voorspellingen van de Draak bewaarheid zouden worden, was nog iets anders dan ze in het echt mee te maken, en dat zijn eigen macht daardoor vermin derde, was weer een geheel andere zaak.

Er ontstond even wat verwarring voordat Rhand aan Sulin toestond de andere Tyreense heren door te laten om zich achter Asmodean en Pevins banier te scharen. Meilan had de Verdedigers willen opdragen een vrije doorgang te banen, maar Rhand beval kortaf dat ze achter de Speervrouwen mochten aansluiten. De soldaten gehoor zaamden met onbewogen gezichten onder de rand van hun helm, maar hun witgepluimde aanvoerder schudde het hoofd en de hoog heer mat zich een neerbuigende glimlach aan. Die glimlach verdween toen duidelijk werd dat de menigte best voor de Speervrouwen wil de wijken. Dat ze zich niet met geweld een pad hoefden te banen, weet hij aan de reputatie van woeste Aiel en hij fronste toen Rhand daar niet op reageerde. Wat Rhand in ieder geval wel merkte: nu de Tyreners bij hem waren, werd er niet meer gejuicht. Precies in het midden van de stad besloeg het koninklijk paleis van Cairhien de hoogste heuvel, vierkant en donker en indrukwekkend. Doordat het paleis in vele verdiepingen oprees en vanwege de stenen muren rond de geplaveide terrassen viel eigenlijk niet te zeggen of er wel een heuvel lag. Torenhoge omgangen achter colonnades en ho gesmalle vensters, hoog boven de grond, konden evenmin als het grijs het strakke doorbreken; de getrapte torens stonden precies af gepast op steeds hogere pleinen, die kleiner leken naarmate ze hoger gelegen waren. De straat ging over in een lange, brede helling die naar grote bronzen deuren leidde en een enorme vierkante voorhof erachter, met aan de rand Tyreense soldaten als standbeelden, hun speren alle precies even schuin. Nog meer soldaten stonden op de hogere balkons aan het plein.