Gemompel golfde door de rangen bij het opdoemen van de Speervrouwen, maar het ging al gauw ten onder in zingend geroep als: ‘Alle eer aan de Herrezen Draak! Alle eer aan de Heer Draak en Tyr! Alle eer aan de Heer Draak en hoogheer Meilan!’ Als men Meilans gezicht bekeek, zou men denken dat dit allemaal heel spontaan gebeurde.
In donkere kledij gestoken bedienden – de eerste Cairhienin die Rhand in het paleis zag – snelden naar buiten met fraai bewerkte gouden kommen en witte linnen doeken, zodra hij zijn been over de hoge zadelboog zwaaide en uit het zadel gleed. Andere dienaren namen de teugels over. Hij gebruikte het verfrissen van zijn gezicht en handen als uitvlucht om Aviendha niet van het paard te helpen. Als hij haar wel zou helpen, zouden ze misschien beiden op de plavui zen terechtkomen.
Ongevraagd koos Sulin behalve zichzelf nog twintig andere Speervrouwen om hem naar binnen te begeleiden. Aan de ene kant was hij blij dat ze niet alle vijfhonderd speren om hem heen wilde hou den, aan de andere kant had hij Enaila, Lamelle en Somara liever niet bij die twintig gezien. Ze namen hem zo schattend op – vooral Lamelle, een magere vrouw met een sterke kaak en donkerrood haar, die bijna twintig jaar ouder was dan hij – dat hij zijn kiezen op el kaar klemde en tegelijk zelfverzekerd probeerde te glimlachen. Op de een of andere manier was het Aviendha gelukt stiekem met hen en met Sulin te praten. Misschien kan ik helemaal niets aan de Speervrouwen doen, dacht hij grimmig terwijl hij de handdoek naar de wachtende dienaar teruggooide, maar bloedvuur-nog-aan-toe, elke Aielse zal wél de car’a’carn leren kennen’.
De andere hoogheren begroetten hem onder aan de grijze helling die naar de voorhof omhoogleidde, allen in kleurige zijden jassen met banen van satijn en met zilver afgewerkte laarzen. Het bleek al snel dat ze pas achteraf hadden vernomen dat Meilan hem was gaan verwelkomen. Torean met zijn aardappelgezicht, vreemd lenig voor zo’n grofgebouwde man, snoof bezorgd aan zijn geurdoekje. Gueyam, wiens kale hoofd door zijn ingevette baard nog kaler leek, balde zijn vuisten ter hoogte van dijen als kleine hammen en bleef zelfs tijdens zijn buiging voor Rhand woest naar Meilan gluren. Simaans scherpe neus leek te trillen van woede; Maracon, met zijn voor Tyr vreemd blauwe ogen, perste zijn lippen zo stevig op elkaar dat ze bijna onzichtbaar werden. Waar Hearnes smalle gezicht een en al glimlach was, trok hij toch onbewust aan een oorlelletje, wat hij altijd deed als hij ontstemd was. Alleen de staalslanke Aracome toonde geen enkele emotie, hij beheerste zijn gevoelens uitstekend tor hij bereid was in vuur en vlam uit te barsten.
Deze kans was te mooi om te missen. Stilzwijgend Moiraine voor haar lessen bedankend – een dwaas kon je gemakkelijker laten struikelen dan neerslaan, zei ze – omvatte Rhand Toreans pafferige hand hartelijk, sloeg hij Gueyam vriendschappelijk op de dikke schouder, beantwoordde hij Hearnes glimlach met zoveel genegenheid dat ze dikke maatjes leken en knikte hij Aracome stil met een schijnbaar betekenisvolle blik toe. Simaan en Maracon negeerde hij bijna geheel, afgezien van een vlakke blik die zo kil was als een diep winters ven.
Meer dan toezien hoe hun ogen heen en weer schoten en hun gezichten nadenkend verstarden, was nu niet nodig. Ze hadden hun hele leven Daes Dae’mar, het Spel der Huizen, gespeeld, en nu ze bij de Cairhienin waren, die een onbeschrijfbare hoeveelheid informatie putten uit een opgetrokken wenkbrauw of een kuchje, had dat hun gevoeligheid ervoor nog versterkt. Iedere man wist dat Rhand geen reden had vriendelijk tegen hen te zijn, maar ieder mocht zich nu af vragen of de begroeting van hem misschien iets echts van een ander verborg. Simaan en Maracon leken het meest bezorgd, maar de anderen keken juist deze twee met de grootst mogelijke achterdocht aan. Misschien was Rhands koelheid wel een dekmantel geweest. Of misschien rekende Rhand erop dat ze dat dachten. Voor zichzelf bedacht Rhand dat Moiraine en Thom Merrilin trots op hem zouden zijn geweest. Zelfs als niemand van dit zevental daad werkelijk plannen tegen hem beraamde – iets waar volgens hem zelfs Mart niet op durfde te wedden – konden mannen van hun rang on gemerkt veel verzieken, en alleen uit gewoonte zouden ze dat willen doen. Of hadden ze dat al gedaan. Nu had hij ze uit hun evenwicht gebracht. Als hij deze toestand kon handhaven, zouden ze het te druk hebben met elkaar in de gaten te houden en te bang zijn zelf in het oog te worden gehouden om hem moeilijkheden te kunnen bezorgen. Misschien gehoorzaamden ze hem zelfs eens een keer zonder honderd redenen te geven waarom iets volgens hun eigen overtui ging afgehandeld moest worden. Nou ja, dat was misschien wel te veel gevraagd.
Zijn voldoening ontglipte hem toen hij Asmodeans honende grijns opving. Aviendha’s verwonderde blik was nog erger. Ze was zelf in de Steen van Tyr geweest; ze kende die mannen en de redenen waar om hij ze naar Cairhien gestuurd had. Ik doe wat ik moet doen, dacht hij zuur en had liever gehad dat het niet als een uitvlucht had geklonken.
‘Naar binnen,’ zei hij, scherper dan hij bedoelde en de zeven hoog heren veerden op alsof ze opeens weer wisten wie en wat hij was. Eigenlijk wilden ze om hem heen lopen toen hij de treden beklom, maar afgezien van Meilan, die vooropging, vormden de Speervrouwen gewoon een dichte kring om hem heen en bleven de hoogheren met Asmodean en de heren van lagere rang in de achterhoede. Aviendha liep natuurlijk naast hem en Sulin liep aan de andere kant. Soma ra, Lamelle en Enaila volgden hem op de voet en hadden hem zon der hun armen te strekken zo kunnen aanraken. Hij keek Aviendha beschuldigend aan en zij trok haar wenkbrauwen zo hoog en vragend op dat hij bijna geloofde dat ze er niets mee te maken had. Bijna. De gangen in het paleis waren verlaten, afgezien van dienaren in donkere livreien die, terwijl hij passeerde, ofwel een zo diepe buiging maakten dat hun borst bijna hun knieën raakte, ofwel heel diep kniel den. Maar pas bij het betreden van de Grote Zaal van de Zon ontdekte hij dat de Cairhiense adel niet geheel buiten het paleis was gelaten.
‘De Herrezen Draak komt!’ zong een witharige man vlak achter de enorme vergulde deuren met de Opgaande Zon. Zijn rode jas, geborduurd met zespuntige blauwe sterren, die hem na de afgelopen weken in Cairhien wat te ruim zat, duidde aan dat hij een hogere dienaar was van Meilans Huis. ‘Allen prijzen de Heer Draak Rhand Altor. Alle eer voor de Heer Draak!’
Snel steeg een donderend gejuich op dat de ruimte vulde tot aan het vijftig pas hoge, koepelvormige plafond. ‘Lof aan de Heer Draak Rhand Altor. Alle eer voor de Heer Draak! Het Licht verlichte de Heer Draak!’ De daaropvolgende stilte leek nu dubbel zo stil. Tussen de forse vierkante marmeren zuilen, doorschoten met blauw dat zo donker was dat het wel zwart leek, stonden meer Tyreners dan Rhand had verwacht, hele rijen en op hun mooist gekleed. Land heren in fluwelen punthoeden en jassen met ruime gestreepte mouwen, landvrouwen in kleurige gewaden met kanten roesjes, het hoofd bedekt met strak zittende, kunstig geborduurde kapjes, vlechtwerk van parels of kleine sieraden.
Achter hen stonden de Cairhienin, gehuld in donkere kledij, die alleen wat kleur vertoonde bij splitten in de borst van hun gewaad of knielange jas. Hoe meer splitten met de kleur van het Huis, hoe hoger de rang van de drager, maar de mannen en vrouwen met kleuren van hun nek tot aan hun middel of nog lager stonden achter Tyreners die zichtbaar van lagere Huizen stamden, aan hun wollen kleding en het borduurwerk te zien, dat geel en niet goudkleurig was. Slechts enkele oudere Cairhienin hadden hoge geschoren en gepoederde voorhoofden, in tegenstelling tot de jongere heren, die er alle maal zo uitzagen.
De Tyreners keken afwachtend, zij het niet op hun gemak; de Cairhiense gezichten hadden uit ijs kunnen zijn gehouwen. Rhand had onmogelijk kunnen zeggen wie er gejuicht had en wie niet, maar volgens hem waren het alleen de voorste rijen geweest. ‘Velen, ja velen wensen u hier te dienen,’ mompelde Meilan toen ze over de blauwbetegelde vloer liepen met het grote gouden mozaïek van de Opgaande Zon. Een rimpeling van stille kniebuigingen volg de hen.