Выбрать главу

Hij was in eenvoudig bruin gekleed en had een platte fluwelen muts op, in plaats van zijn witte mantel en glanzende maliënkolder, maar het zwaard hing nog altijd aan zijn zij. Hij was nog niet eerder bij het beestenspul geweest, maar zijn gezicht toonde dat hij onder de indruk was. Muelin deed onbewust een stap naar hem toe en de twee slanke tuimelaarsters bogen zich met open mond naar voren. De Chavana’s waren duidelijk vergeten, tot hun intense ergernis. Zelfs Clarine streek haar rok glad, terwijl ze naar hem keek, tot Petra de pijp uit zijn mond haalde en iets tegen haar zei. Toen pas liep ze lachend naar hem toe en drukte zijn gezicht tegen haar ruime boezem, al bleven haar ogen over Petra’s hoofd heen Galad volgen. Nynaeve was niet in de stemming zich door zijn knappe gezicht te laten beïnvloeden en ademde amper sneller. ‘Jij hebt dat gedaan, nietwaar?’ vroeg ze streng terwijl hij nog aan kwam stappen. ‘Jij hebt de Rivierslang in handen, nietwaar? Waarom?’ ‘Rivierserpent,’ verbeterde hij haar terwijl hij haar ongelovig opnam. ‘Je hebt me toch gevraagd ervoor te zorgen dat jullie mee konden varen?’

‘Maar niet met onlusten!’

‘Onlusten?’ bracht Elayne naar voren, ‘een oorlog, een veldslag. Met als aanleiding dat vaartuig.’

Galad gaf kalm antwoord, ik heb Nynaeve mijn woord gegeven, zuster. Het is mijn grootste plicht ervoor te zorgen dat je veilig naar Caemlin kunt afreizen. Met Nynaeve, natuurlijk. De Kinderen hadden vroeg of laat toch de strijd met de Profeet moeten aanbinden.’

‘Had je ons niet gewoon kunnen vertellen dat er een boot was?’ vroeg Nynaeve vermoeid. Mannen en hun woord geven. Het viel soms in hen te bewonderen, maar ze had naar Elaynes opmerking moeten luisteren dat hij deed wat hij juist vond, ongeacht de pijnlijke gevolgen die dat voor iemand kon hebben.

‘Ik weet niet waar de Profeet de boot voor wilde hebben, maar ik betwijfel of het voor jullie vertrek was.’ Nynaeve kromp in elkaar.

‘Bovendien heb ik de schipper het vaargeld betaald terwijl hij zijn vracht uitlaadde. Een uur later kwam een van de twee mannen die ik bij de boot had achtergelaten, zodat die niet zonder jullie zou ver trekken, me vertellen dat de ander dood was en de boot in de handen van de Profeet. Ik begrijp niet waarom je zo van streek bent. Jij wilde een boot, je had een boot nodig en ik heb ervoor gezorgd.’ Fronsend richtte Galad zich tot Thom en Juilin. ‘Wat scheelt die vrouwen? Waarom staan ze elkaar steeds aan te gapen?’

‘Vrouwen,’ zei Juilin enkel en kreeg van Birgitte een klap tegen zijn achterhoofd. Hij keek haar boos aan.

‘Een steek van een horzel is erger,’ grinnikte ze en zijn boze blik werd onzeker terwijl hij zijn hoge hoed goed schoof. ‘We kunnen de hele dag blijven praten over juist en verkeerd,’ merkte Thom droog op, ‘of we kunnen dat vaartuig nemen. Er is voor betaald en die kosten zijn niet terug te vorderen.’ Opnieuw kromp Nynaeve ineen. Wat hij ook bedoelde, ze wist hoe zij het opvatte.

‘Er kunnen zich bij de rivier moeilijkheden voordoen,’ bracht Galad naar voren, ik heb deze kleding aangetrokken, omdat Samara de Kinderen vandaag niet gunstig gezind is, maar de bendes kunnen ie dereen aanvallen.’ Hij nam Thom met zijn witte haren en snor met enige twijfel op en bekeek ook Juilin twijfelachtig – zelfs afkeurend, want de Tyrener keek zo hard dat hij paaltjes in de grond kon slaan – maar wendde zich toen tot Uno. ‘Waar is die vriend van jou? Het kan nuttig zijn er nog een krijgsman bij te hebben tot we mijn mannen hebben bereikt.’

Uno’s glimlach was schurkachtig. Ze koesterden ook na hun eerste ontmoeting nog weinig vriendschap voor elkaar. ‘Hij is in de buurt. En misschien nog een paar meer. Ik breng ze naar de boot, als jouw Witmantels die bezet houden. Maar ook als ze dat niet kunnen.’ Elayne wilde al wat zeggen, maar Nynaeve snoerde haar de mond voor ze weer zoete broodjes begon te bakken. ‘Dat is genoeg, voor allebei!’ Misschien was honing beter geweest maar ze wilde slaan. Iets. Alles. ‘We moeten snel gaan!’ Ze had moeten bedenken wat er kon gebeuren als ze twee zotten op hetzelfde doel afstuurde en beiden tegelijk het doel bereikten. ‘Uno, haal zo snel mogelijk je andere mannen op.’ Hij probeerde haar nog te zeggen dat die aan de andere kant van het beestenspul stonden te wachten, maar ze ploegde verder. Het waren gekken, beide mannen. Alle mannen. ‘Galad, jij...’ inpakken en wegwezen!’ Luca’s schreeuw bracht haar tot zwijgen. De man kwam hinkend tussen de wagens aanhollen en een rauwe, blauwe plek verkleurde de zijkant van zijn gezicht. Zijn scharlaken rode schoudermantel was smerig en gescheurd. Blijkbaar waren Thom en Juilin niet de enigen die de stad waren ingegaan. ‘Brugh, zeg tegen de paardenknechten de wagens gereed te maken. We laten het zeil van de omheining achter,’ riep hij met een grimas, ‘maar ik wil binnen een uur onderweg zijn. Andaya, Kuan, haal jullie zusters op. Wek iedereen die nog slaapt en als ze zich aan het wassen zijn, komen ze maar smerig of bloot mee! Opschieten, tenzij je de Profeet wil bejubelen en naar Amadicia op wil trekken. Chin Akima is zijn hoofd al kwijt, samen met de helft van zijn mensen, en Sillia Cerano is met een tiental van haar kunstenmakers al gegeseld omdat ze te langzaam waren! Vooruit!’ Bijna iedereen, afgezien van het groepje mensen bij Nynaeves wagen, was al weggehold. Luca kwam wat langzamer hinkend aanlopen en nam Galad behoedzaam op. Uno eveneens, ofschoon hij de eenogige man al twee maal eerder had gezien. ‘Nana, ik wil met je praten. Alleen.’

‘We gaan niet met je mee, baas Luca,’ vertelde ze hem. ‘Alleen,’ herhaalde hij, haar bij de arm grijpend en meetrekkend. Ze keek om naar de anderen om te zeggen niet tussenbeide te komen en zag dat het niet nodig was. Elayne en Birgitte haastten zich naar de omheining die om het beestenspul liep en afgezien van zo nu en dan een blik op het tweetal waren de vier mannen druk in gesprek. Ze snoof luid. Een mooi stel! Stonden gewoon toe te kijken als een vrouw werd mishandeld!

Met een ruk trok ze haar arm los en beende naast Luca mee, terwijl het geruis van haar zijden rok haar ongenoegen uitzoefde. ‘Ik ver onderstel dat je je geld wilt zien nu we weggaan. Goed, je zult het krijgen. Honderd goudmarken. Al ben ik van mening dat we de waar de van de wagen en de paarden, die we niet meenemen, in minde ring kunnen brengen. Plus wat wij hebben opgeleverd. Wij hebben zeker voor meer bezoekers gezorgd. Morelin en Juilin door hun koorddansen, ik met het boogschieten, Thom door zijn...’

‘Denk je dat ik goud wil, vrouw?’ donderde hij terwijl hij voor haar ging staan. ‘Als dat zo was, had ik er op de dag dat we de rivier over staken, om gevraagd. Heb ik erom gevraagd? En weet je waarom niet?’

Onwillekeurig deinsde ze achteruit en sloeg haar armen fors over el kaar. En wenste meteen dat ze dat niet had gedaan, want daardoor werd nog sterker benadrukt wat ze blootstelde. Haar koppigheid zorgde ervoor dat ze de armen zo liet – ze was niet van plan hem de gedachte te geven dat ze zich verlegen voelde, zeker niet omdat het wel zo was – maar tot haar verbazing bleef hij haar recht aankijken. Misschien was hij ziek. Hij had nog nooit zijn ogen van haar boezem af kunnen houden en als Valan Luca én voor borsten én voor goud geen belangstelling meer had.... ‘Als het niet om het geld gaat, waar gaat het dan wel om?’

‘Nadat ik uit de stad was vertrokken, heb ik de hele weg lopendenken,’ ging hij door terwijl hij weer voor haar kwam staan, ‘dat je nu ten slotte zou vertrekken.’ Ze verdomde het verder achteruit te stappen, zelfs nu hij over haar heen stond gebogen en haar gespannen aanstaarde. Gelukkig bleef hij haar wel recht aankijken, ik weet niet voor wie je op de vlucht bent, Nana. Soms geloof ik je verhaal bijna. Morelin heeft op z’n minst iets van een hoge vrouwe in haar ma nier van doen en laten. Maar jij bent nooit een dienster geweest. De laatste paar dagen verwachtte ik half en half jullie nog eens vechtend en haren plukkend over de grond te zien rollen, met mogelijk Maerion erbovenop.’ Hij moest iets in haar gelaatsuitdrukking hebben opgevangen, omdat hij zijn keel schraapte en snel verder sprak. ‘Het punt is: voor Maerion kan ik iemand anders vinden om voor de schietschijf te staan. Je gilt heel mooi, iedereen denkt echt dat je doodsbang bent, maar...’ Weer schraapte hij de keel, zelfs nog gehaaster en ging wat achteruit. ‘Wat ik probeer te zeggen: ik wil dat je blijft. Daarginds ligt een heel grote wereld, duizenden steden wachten op een voorstelling van mij, en wie er ook jacht op je maakt, hij zal je nooit bij mij vinden. Een stel van Akima’s mensen en enkele kunstenmakers van Sillia die nog niet de rivier over zijn gestuurd... ze sluiten zich bij mij aan en dan zal Valan Luca’s beestenspul het grootste ter wereld zijn.’