Ze behield de bloemen en beende voor de anderen uit, zodat ze hun gezichten niet hoefde te zien, en schoof boos haar pakken weer goed als ze weggleden, tot ze uit het zicht van de wagens was en achter de omheining van zeil verdween. Daar smeet ze de fijngeknepen bloemen zo nijdig weg dat Ragan en de andere Shienaranen op het gras veld elkaar aankeken. Ieder had een dekenrol op de rug – klein natuurlijk – plus een zwaard, maar was letterlijk behangen met waterflessen, genoeg voor vele dagen; een handvol mannen had ook nog een pot of een ketel bij zich. Goed. Als er gekookt moest worden, mochten zij het. Ze wachtte niet op hun beslissing of het veilig was en beende alleen de zandweg op.
Het kwam door Valan Luca dat ze zo woest was – haar zo te ver nederen! Ze had hem een klap op zijn kop moeten geven en de Duistere mocht weten wat de anderen ervan dachten – maar haar ver wijten richtten zich op Lan Mandragoran. Lan had haar nooit bloemen gegeven. Niet dat het er wat toe deed. Hij had zijn gevoelens in woorden vertolkt die dieper troffen en meer uit het hart kwamen dan Valan Luca ooit zou kunnen opbrengen. Tegen Luca had ze ieder woord gemeend, maar als Lan zei dat hij je mee zou dragen, zou geen enkel dreigement hem tegenhouden. Zelfs geleiden zou hem er niet van weerhouden, tenzij je dat klaarspeelde voor je verstand op hol sloeg en je knieën slap werden door zijn kussen. Maar bloemen zouden leuk zijn geweest. Zeker leuker dan een nieuwe uitleg waarom hun liefde nooit kon bestaan. Mannen en hun woord! Mannen en hun éér! Getrouwd met de dood, hè? Hij en zijn eigen oorlog tegen de Schaduw. Hij zou leven, hij zou haar trouwen en als hij over beide zaken anders dacht, zou zij hem wel fijntjes terechtwij zen. Er bestond enkel die onbelangrijke band tussen Moiraine en haar zwaardhand. Ze wilde haar onmacht uitgillen. Ze was al ruim honderd pas de weg af toen de anderen haar in haalden en van opzij opnamen. Elayne snoof slechts, terwijl ze moeizaam de twee grote pakken op haar rug goed schoof – zij wilde zélf toch zo nodig alles meenemen? – maar Birgitte stapte verder en mop perde tegen niemand in het bijzonder, maar wel hoorbaar over vrouwen die ervandoor gingen zoals Carpaanse meisjes van de rots sprongen. Nynaeve negeerde hen beiden.
De mannen verspreidden zich, Galad voorop, met naast zich Thom en Juilin, de Shienaranen in twee rijen aan weerszijden van de vrouwen. Oplettende ogen keken naar elk bosje en elke kuil. In het midden lopend voelde Nynaeve zich voor gek staan – je zou denken dat ze elk ogenblik een leger verwachtten dat uit de grond zou opduiken en dat zij en de andere twee vrouwen hulpeloos waren. Het werd nog erger nadat de Shienaranen Uno’s voorbeeld volgden en hun zwaard trokken. Ze snapte het niet, er was niemand te zien en zelfs de krottenstad leek verlaten. Galads wapen bleef in de schede, maar Juilin gebruikte zijn stok niet meer bij het lopen en hield hem gereed en in Thoms handen verschenen messen die weer verdwenen, alsof hij het onbewust deed. Zelfs Birgitte legde een pijl aan. Nynaeve schudde het hoofd. Wie zich aan hun groep wilde tonen, moest wel heel dapper zijn.
Toen ze Samara inliepen, begon ze te denken dat ze het aanbod van Petra en van de Chavana’s had moeten aannemen, en van ieder ander die ze had kunnen vinden.
De onbewaakte poort stond open en boven de grijze stadswallen stegen zes zwarte rookpluimen op. De straten erachter waren verlaten. Onder hun voeten knerpten de scherven van gebroken ruiten, wat het enige geluid vormde, afgezien van een ver gezoem, alsof in de hele stad monsterachtige wespenzwermen rondvlogen. Overal stonden meubels en er lag van alles op de kasseien. Kledingstukken, potten en pannen, uit huizen en winkels weggesleepte voorwerpen, maar of dat van plunderaars kwam of vluchtelingen, was niet te zien. Er waren niet alleen eigendommen vernield. Hier hing een lijk in een mooie groenzijden jas slap en roerloos half uit het raam, daar bun gelde een kerel in lompen aan een strop die rond een dakbalk van een tinwinkel was geslagen. Een enkele keer, in een zijsteeg of andere straat, ving ze een glimp op van iets wat op een bundel oude kleren leek maar dat waarschijnlijk niet was.
In een deuropening waar de versplinterde deur nog scheef aan een scharnier hing, likten kleine vlammetjes rond een trap en begon de eerste rook op te kringelen. De straat was misschien verlaten, maar de daders konden niet ver weg zijn. Nynaeves hoofd schoot heen en weer; ze probeerde alle kanten tegelijk in het oog te houden en hield haar achter de riem gestoken mes stevig vast. Soms werd het kwade gezoem harder, een woordeloos kelig gerochel van razernij dat uit een straat verder leek te komen; soms zwakte het af tot een dof gemurmel. Toen de moeilijkheden echter ontstonden, kwamen ze onverwachts en stil. Een mensenmassa kwam twee straten verder de hoek om, als een roedel wolven op jacht. Ze vulden geluidloos de straat van muur tot muur, afgezien van het laarzenge stamp. Toen ze Nynaeve en de anderen zagen, leek het of er een fakkel in een hooischuur werd gegooid. Zonder enige aarzeling sprongen ze als één man naar voren, tierende dollemannen, zwaaiend met rieken, zwaarden, knuppels en alles wat als wapen gebruikt kon worden.
Er bestond nog genoeg kwaadheid in Nynaeve om saidar te omhelzen en ze deed het vanzelf, zelfs nog voor ze de gloed rond Elayne zag verschijnen. Er bestond een tiental manieren waarop zijzelf de massa kon tegenhouden en nog een tiental andere mogelijkheden om ze neer te slaan als ze dat verkoos. Als de mogelijkheid van Moghedien tenminste niet had bestaan. Ze wist niet of Elayne door dezelfde gedachte werd tegengehouden. Ze wist alleen dat ze haar boosheid even naarstig vasthield als de Ware Bron en het kwam meer door Moghedien dan het aanhollende gepeupel dat ze daarin slaagde. Ze bleef saidar vasthouden en wist dat ze niets durfde te doen. Niet als er andere mogelijkheden waren. Ze wilde bijna dat ze de stromen die Elayne weefde, kon afkappen. Er moest nog eert andere mogelijkheid bestaan.
Een man, een grote kerel in een gerafelde rode jas die iemand anders had toebehoord, te oordelen naar het groen en gouden borduurwerk, rende op zijn lange benen voor de anderen uit, zwaaiend met een kapbijl boven het hoofd. Birgittes pijl trof hem midden in het oog.
Hij viel languit achterover en werd onder de voet gelopen door de anderen, die met verwrongen gezichten en woordeloze kreten volg den. Niets zou hen tot staan brengen. Met een gierend geluid, half van woede, half van angst, trok Nynaeve haar mes en hield zich tevens klaar om te geleiden.
Als een golf die tegen rotsen davert, versplinterde de aanval op het Shienaraanse staal. De mannen met de haarknot, even grof gekleed als de mannen die ze bestreden, hanteerden doelmatig hun twee handige zwaarden, ambachtslieden aan het werk, en de slachting vond vóór hun rij plaats. Krijsend om de Profeet vielen de mannen neer, maar nog meer klommen over hen heen. Die dwaas van een Juilin stond in die rij, zijn hoge hoed scheef op het hoofd, de dunne stok als een waas dat staven wegduwde, armen brak en schedels in sloeg. Thom was achter de rij Shienaranen bezig; hevig hinkend sprong hij heen en weer om de enkeling die er zich doorheen had weten te worstelen op te vangen. Hij had slechts een dolk in beide handen, maar zelfs zwaardvechters stierven door zijn wapens. Het verweerde gezicht van de speelman stond grimmig, maar toen een gezette vent met een smidsvoorschoot en een riek bijna Elayne bereikte, vertrok Thoms gezicht net zo gruwelijk als dat van hun te genstanders en hij hakte de man net niet de kop af bij het opensnijden van diens hals. Tijdens dit alles bewoog Birgitte kalm heen en weer en vond iedere pijl een oog.