Выбрать главу

Fel snuivend bitste ze: ‘Ik wil iedereen aan boord zien voor er ook maar één touw wordt aangeraakt,’ waarna ze Galad ging opzoeken. Ze nam aan dat hij wel enige dank verdiende. Hij had gedacht dat wat hij deed het juiste was. Dat was ook bij de beste mannen de el lende. Zij dachten altijd dat ze het juiste deden. Nou ja, wat dat drie tal ook had gedaan, ze hadden haar een ruzie bespaard. Ze trof hem aan bij Elayne, zijn knappe gezicht een en al machteloze ergernis. Toen hij haar zag, klaarde zijn gezicht op. ‘Nynaeve, ik heb jullie reis tot aan Boannda betaald. Dat is halverwege Altara, waar de Boern in de Eldar stroomt. Meer kon ik me niet veroorloven. Schipper Neres heeft mijn beurs leeggeschud en ik moest bovendien nog lenen. De vent vraagt het tien dubbele. Ik ben bang dat het van daar naar Caemlin op jullie zal neerkomen. Het spijt me echt.’

‘Je hebt al meer dan genoeg gedaan,’ merkte Elayne op en haar ogen richtten zich even op de rookwolken boven Samara. ‘Ik heb mijn belofte gegeven,’ merkte hij vreemd berustend op. Ze hadden het duidelijk daarnet al besproken.

Het lukte Nynaeve haar dank uit te drukken, woorden die hij keurig wegwuifde, maar met een blik alsof zij het allemaal niet begreep. En ze was meer dan bereid dat in ieder geval toe te geven. Hij was een oorlog begonnen om een belofte na te komen – daar had Elayne gelijk in; er zou oorlog uitbreken, als dat al niet was gebeurd maar terwijl zijn mannen Neres’ schip in handen hadden, had hij geen lagere prijs bedongen. Het was Neres’ schip en Neres mocht vragen wat hij wilde. Zolang hij Elayne en Nynaeve maar meenam. Het was waar. Galad keek nooit naar de prijs van het goede. Voor zichzelf niet en voor anderen niet.

Bij de loopplank bleef hij staan en staarde naar de stad alsof hij naar de toekomst keek. ‘Blijf uit de buurt van Rhand Altor,’ zei hij zwaar moedig. ‘Hij brengt de ondergang. Hij zal de wereld weer breken voor hij klaar is. Blijf uit zijn buurt.’ En toen liep hij op een drafje de haven door en riep al om zijn wapenrusting en mantel. Nynaeve merkte dat ze Elayne verbaasd aanstaarde, hoewel ze zich vervolgens verlegen afwendde. Het was moeilijk zoiets te delen met iemand die je daarna met haar scherpe tong de huid vol zou schel den. Maar ze voelde zich wel enigszins verward. Waardoor Elayne er opgewonden uitzag, kon ze niet zeggen, tenzij de vrouw eindelijk verstandig was geworden. Galad zou zeker niet vermoeden dat ze niet naar Caemlin reisden. Zeker niet. Mannen hadden nooit zoveel verbeeldingskracht. Nynaeve en Elayne keken elkaar lange tijd niet aan.

49

Naar Boannda

Het kostte weinig moeite de groep mannen, vrouwen en kinderen aan boord te krijgen. Slechts eenmaal hoefde Nynaeve schipper Neres duidelijk te maken dat hij écht voor iedereen plaats moest maken. En al wist hij welke prijs hij ervoor zou vragen, zij wist precies wat ze voor hun bootreis naar Boannda ging betalen. Natuurlijk hielp het enigszins dat ze Uno kalm had gezegd zijn mannen opdracht te geven iets met hun zwaard te gaan doen. Vijftien man, met harde gezichten, in grove kleding, allen met geschoren hoofden en een haar knot, en niet te vergeten met bloed bevlekt, die hun zwaarden in vetten en scherpten, terwijl zé bulderend lachten als er een verhaalde hoe een ander bijna als een lam aan het spit was geregen. Het had een zeer bevredigend gevolg. Ze telde het geld in de hand van de schipper uit en toen het haar zwaar viel, hoefde ze maar aan de ha ven van Tanchico te denken om rustig verder te betalen. In één ding had Neres gelijk: dit volk zag er niet naar uit of het veel geld had; ze zouden elk koperstukje van henzelf nodig hebben. Elayne had niet hoeven te vragen of ze soms kiespijn had.

Op Neres’ geschreeuwde bevel repten de mannen zich de meertouwen los te gooien, terwijl de laatsten nog aan boord klauterden met hun armzalige bezittingen onder hun armen, maar de meesten bezaten niet meer dan de gerafelde pakken op hun rug. Eigenlijk liep het vaartuig zo vol dat Nynaeve zich afvroeg of Neres wellicht gelijk had gehad toen hij zei dat er niet genoeg ruimte was. Maar er leefde zo veel hoop in hun gezichten op toen ze eenmaal voet aan dek zetten, dat ze zich eigenlijk voor haar gedachte schaamde. En nadat ze hoorden dat zij hun reiskosten had betaald, kwamen ze allemaal om haar heen staan, verdrongen ze elkaar om haar handen te kussen, de zoom van haar rok, dank en groeten roepend, terwijl bij sommigen de tranen over het gezicht stroomden, zowel bij de mannen als de vrouwen. Ze had ter plekke onder de planken van het dek willen zakken. Het dek kraakte van bedrijvigheid toen de bomen uitgingen en de zeilen omhoog rezen. Achter hen werd Samara al kleiner voor ze echt een eind kon maken aan de vertoning. Als Elayne of Birgitte het gewaagd had er een woord over te zeggen, zou ze hen het hele schip rond hebben gemept.

Vijf dagen zaten ze op de Rivierserpent, vijf dagen voeren ze stroom afwaarts over de traag kronkelende rivier, met laaiende hitte over dag en niet veel koelere nachten. Sommige dingen verbeterden geleidelijk in die tijd, maar de reis begon niet goed. Het eerste echte probleem was de hut van Neres onder het achter dek, behalve het dek de enige slaapgelegenheid op de boot. Niet dat Neres veel bezwaren maakte om eruit te trekken. Hij had zoveel haast – broeken, jassen en hemden over de schouder gegooid en in een grote hoop over zijn armen hangend, de scheerkom in de ene hand en het scheermes in de andere – dat Nynaeve een harde blik wierp op Thom, Juilin en Uno. Het was één ding dat zij hen gebruikte wan neer ze wilde, maar het werd iets heel anders als zij achter haar rug om voor haar zorgden. Hun gezichten hadden niet opener kunnen staan, hun ogen niet onschuldiger. Elayne kwam met een van Lini’s spreekwoorden: ‘Een open zak verbergt niets, een open deur verbergt weinig, maar een open man verbergt zeker iets.’ Maar welk probleem de mannen misschien nog konden gaan vormen, op dit ogenblik was de hut zelf het probleem. Het rook er bedompt en naar schimmel, zelfs als de kleine raampjes wijd openstonden; die gaven trouwens weinig licht in de beperkte ruimte. ‘Beperkt’ was het woord. De hut was klein, kleiner dan de wagen en het grootste deel werd in beslag genomen door een zware tafel en een stoel met een hoge rug die aan de vloer waren vastgemaakt en de ladder naar het dek. Een in de wand ingebouwd wastafeltje met een groezelige lampetkan in een kom en een smalle stoffige spiegel maakten de ruimte nog benepener. Dat was alles wat erin stond, afgezien van enkele lege planken en haken om kleren aan op te hangen. De plafondbalken zaten vlak boven hun hoofd, zelfs bij hen. Er stond maar één bed, breder dan dat waarin ze hadden geslapen, maar nauwelijks ruim genoeg voor twee. Hoe groot het ook was, Neres had net zo goed in een kist kunnen wonen. De man had geen duim ruimte meer voor zichzelf willen hebben om zo veel mogelijk lading te kunnen verstouwen. ‘Hij heeft ’s nachts in Samara aangelegd,’ mompelde Elayne, die haar pakken op de grond liet zakken en met de handen in haar zij moe deloos stond rond te kijken, ‘en hij wilde ’s nachts weer vertrekken. Ik hoorde hem tegen een van zijn mannen zeggen dat hij van plan was ’s nachts ook door te varen en die... wijven hadden niets te willen. Blijkbaar vindt hij het niet aangenaam overdag te zeilen.’

Denkend aan de ellebogen en koude voeten van de ander vroeg Nynaeve zich af of ze niet beter op het dek bij de vluchtelingen kon gaan slapen. ‘Waar heb je het over?’

‘De man is een smokkelaar, Nynaeve.’

‘Met dit schip?’ Nynaeve liet haar pakken kleren zakken, zette de tas op de tafel en ging op de rand van het bed zitten. Nee, ze ging niet op het dek slapen. De hut mocht vies ruiken, maar hij kon worden gelucht en al was het bed te klein, het had wel een dikke ganzenveren matras. Het schip deinde wél verontrustend; ze kon elk gemak gebruiken dat er was. Elayne zou haar niet wegkijken. ‘Het is net een ton. We boffen als we binnen twee weken in Boannda zijn. Het Licht mag weten hoe ver het dan nog naar Salidar is.’ Geen van beiden wist feitelijk hoe ver het was en de tijd was nog niet gekomen daarover met schipper Neres te praten.