Выбрать главу

‘Het klopt allemaal. Zelfs de naam Rivierserpent. Welke eerlijke vrachtvaarder zou zijn schip zo noemen?’

‘Nou ja, wat dan nog? Het zal niet de eerste keer zijn dat we gebruik maken van de diensten van een smokkelaar.’

Elayne stak in wanhoop haar handen op. Zij vond het altijd belangrijk dat je je aan de wet hield, hoe stom die wet ook was. Ze had meer gemeen met Galad dan ze bereid was toe te geven. Dus Neres had hen wijven genoemd, hè?

Het tweede probleem was een slaapplek voor de anderen. De boot was niet zo groot, wel breed, maar als je iedereen meetelde, waren er ruim honderd mensen aan boord. Er was enige ruimte voor de bootslieden die aan de bomen werkten en de touwen en zeilen bij hielden, waardoor er weinig ruimte voor de anderen overbleef. Dat zij zo ver mogelijk van de Shienaranen weg bleven, hielp niet veel; ze hadden blijkbaar hun buik vol van gewapende mannen. Er was amper genoeg plaats om te zitten en dus helemaal niet om te liggen. Nynaeve sprak Neres er meteen over aan. ‘Deze mensen hebben meer ruimte nodig. Vooral de vrouwen en kinderen. Aangezien u geen hutten meer hebt, zal uw ruim nodig zijn.’

Neres’ gezicht liep rood aan. Strak voor zich uit kijkend, ongeveer een pas links van haar, grauwde hij: ‘Mijn ruim ligt vol kostbare lading. Heel kostbare lading.’

‘Ik vraag me af of hier aan de Eldar mannen van de invoerrechten werken,’ zei Elayne terloops, terwijl ze de met bomen bezette oevers bekeek. De rivier was hier maar zo’n paar honderd pas breed tussen de droge zwarte modder en onbegroeide gele klei. ‘Geldan aan de ene kant en Amadicia aan de andere kant. Het lijkt wat vreemd: uw ruim vol met goederen uit het zuiden en desondanks op weg naar het zuiden. Natuurlijk zult u over alle grenspapieren beschikken die vermelden waar u uw heffingen hebt betaald. En u zult best kunnen uitleggen waarom u in Samara niet hebt gelost. Ik heb gehoord dat de mannen van de invoerrechten altijd veel begrip tonen.’ Zijn mondhoeken gingen omlaag, maar nog steeds vermeed hij het hen aan te kijken, waardoor hij uitstekend kon zien dat Thom ie dereen zijn lege handen toonde, een sierlijk gebaar maakte en opeens een stel messen rond liet draaien tussen zijn vingers voor hij er een overhield.

‘Gewoon wat oefenen,’ zei Thom, terwijl hij met het ene overgebleven mes een snorpunt krabde. ‘Bepaalde... vaardigheden wil ik bij houden.’ De diepe snee in zijn hoofd, het bloed dat nog steeds op zijn gezicht zat en de bebloede scheur in de ene schouder van zijn mantel, naast al die andere scheuren, zouden hem in elk gezelschap, behalve dat van Uno, op een schurk doen lijken. Er lag geen spoortje vrolijkheid in diens brede grijns, die heel onprettige dingen deed met zijn lange litteken en de verse open wond in zijn gezicht, die er nog rood en rauw uitzag. Het loerende rode oog op zijn ooglap was daarmee vergeleken vreedzaam. Neres deed beide ogen dicht en zuchtte diep.

De luiken gingen open en kratten en kisten werden met luid geplons overboord gegooid, sommige zwaar, degene die naar kruiden roken erg licht. Iedere keer dat de rivier zich erboven sloot, kromp Neres ineen. Hij leek wat opgelucht – als je zoiets van hem kon zeggen toen Nynaeve beval de rollen zijde, tapijten en balen fijne wol in het ruim te laten. Tot het tot hem doordrong dat de mensen er van haar op mochten slapen. Daarvoor had zijn gezicht al zuur gekeken, maar nu kon de melk op de verre boerderijen ervan stremmen. Al die tijd sprak hij geen enkel woord. Toen de vrouwen emmers water aan touwen ophaalden om de kinderen op het dek te wassen, stapte hij naar de achtersteven, de handen gebald op de rug, en staarde naar de paar kisten die uit het zicht dreven.

In zekere zin was het Neres’ merkwaardige houding tegenover vrouwen die de rauwe randjes van Elaynes en Birgittes scherpe tong deed slijten. Zo zag Nynaeve het tenminste; zij had natuurlijk haar gebruikelijke gelijkmoedigheid weten te handhaven. Neres had een hekel aan vrouwen. De schepelingen handelden een gesprek met een vrouw heel snel af, terwijl ze voortdurend schichtig naar de schipper keken voor ze zich weer vlug aan hun taak wijdden. Een man die enkele ogenblikken niets te doen leek te hebben, had meer kans op een brul van de schipper om iets te klaren dan twee of drie woorden te wisselen met iemand in een rok. Hun vlugge opmerkingen en gemompelde waarschuwingen maakten Neres’ mening volkomen duidelijk. Vrouwen kostten een man geld, vochten als zwerfkatten en brachten ellende. Elk probeem, alle problemen van een man konden ergens, hoe dan ook, teruggevoerd worden op een vrouw. Neres verwacht te dat voor zonsondergang de helft van de vrouwen krabbend en bijtend over het dek zou rollen. Ze zouden de hoofden van alle scheeps maten op hol brengen en minstens tweedracht veroorzaken, als het al geen gevecht werd. Als hij voor eeuwig alle vrouwen van zijn schip had kunnen verbannen, zou hij een gelukkig man zijn. Als ze geheel uit zijn leven zouden verdwijnen, zou hij buiten zichzelf van vreug de zijn.

Nooit eerder had Nynaeve zo iemand ontmoet. O, ze had mannen horen mopperen over vrouwen en geld, alsof mannen zelf geen geld als water rondstrooiden – ze hadden gewoon geen hoofd voor geld; nog minder dan Elayne – en ze had zelfs gehoord dat mannen verschillende moeilijkheden aan vrouwen verweten, meestal wanneer ze die moeilijkheden zelf hadden veroorzaakt. Ze kon zich echter niet herinneren ooit een . man te hebben ontmoet die echt een hekel aan vrouwen had. Ze was enorm verbaasd te horen dat Neres een vrouw en een horde kinderen had in Ebo Dar, maar weer niet dat hij slechts zolang thuis bleef tot het schip een nieuwe lading had. Hij wilde niet eens praten met een vrouw. Het was gewoon verbijsterend. Een enkele keer merkte Nynaeve dat ze de man van opzij aankeek, zoals ze naar een of ander bijzonder dier keek. Nog veel vreemder dan een s’redit of elk ander dier in Luca’s beestenspul. Uiteraard kregen Elayne en Birgitte geen enkele kans om hun gal te spuwen wanneer hij het kon horen. De rollende ogen en betekenisvolle blikken tussen Thom en de anderen waren al erg genoeg; zij deden tenminste enige moeite het te verbergen. Neres’ openlijke voldoening dat zijn belachelijke verwachtingen bewaarheid werden – hij zou het zeker op die manier opvatten – zou onverdraaglijk zijn. Hij gaf hun geen enkele andere keus dan hun wrevel weg te slikken en te glimlachen. Wat haarzelf betrof, Nynaeve zou graag wat tijd hebben gekregen voor Thom, Juilin en Uno zonder dat Neres erbij was. Ze vergaten zichzelf weer, vergaten dat ze geacht werden te doen wat hun werd gezegd. Dat ze resultaten boekten, deed er niet toe, ze hoorden te wachten. Om de een of andere reden waren ze Neres gaan pesten met duister glimlachende opmerkingen over hoofden afslaan en hal zen snijden. De hut was echter de enige plaats waar ze aan Neres kon ontkomen. Het waren geen bijzonder grote mannen, hoewel Thom lang was en Uno behoorlijk breed. Als ze samen in de hut zouden staan, zouden ze de kleine ruimte zo hebben gevuld dat ze over haar heen hingen, dus was de hut nauwelijks geschikt voor haar stevige uitbranders. Geef een man de kans op je neer te kijken en hij had de strijd al half gewonnen. Dus mat ze zich een lief uiterlijk aan, negeerde het bevreemd fronsen van Thom en Juilin en de ongelovi geblikken van Uno en Ragan, en genoot van de uiterlijk goede stemming die de vrouwen gedwongen waren te tonen. Het lukte haar te blijven glimlachen toen ze hoorde waarom de zeilen zo bol stonden en de kronkelende oevers in de middag zo snel als een renpaard voorbij schoven. Neres had de bomen laten inhalen en langs de omheining laten leggen. Hij leek bijna gelukkig. Bij na. Langs de Amadiciaanse oever liep een lage kleistrook, aan de Geldaanse kant lag een breed lint van riet tussen de rivier en de bomen, voor het grootste deel bruin, waar het water zich had teruggetrokken. Samara lag een paar uur achter hen.

‘Je hebt geleid,’ zei ze tegen Elayne, tussen haar tanden door sissend. Terwijl ze het zweet met de rug van haar hand van haar voorhoofd wiste, bedwong ze de neiging het op het traag deinende dek af te slaan. Hoewel de andere reizigers een duidelijke ruimte van een paar pas openlieten voor het tweetal en Birgitte, bleef ze op gedempte toon praten, zo beminnelijk als ze kon opbrengen. Haar hartslag leek een tel achter te liggen op het rollen van het schip en dat maakte haar stemming er niet beter op. ‘Die wind komt van jou!’ Ze hoopte dat er genoeg rode venkel in haar tas zat.