Выбрать главу

Passend bij Elaynes vochtig gloeiend voorkomen en grote ogen hadden er melk en honing uit haar mond moeten komen. ‘Je wordt steeds meer een bang konijn. Beheers je! Samara ligt al spannen achter ons. Niemand kan op die afstand nog iets zinvols opvangen. Ze zou hier op ons schip moeten zijn om het te merken. Ik ben heel vlug geweest.’ Nynaeve dacht dat haar gezicht zou barsten als ze nog langer bleef glimlachen, maar vanuit haar ooghoeken zag ze Neres naar zijn mannen kijken en het hoofd schudden. Doordat ze op dat moment zo kwaad was, kon ze ook het restje voelen van het weefsel van de vrouw. Werken met het weer was net alsof je een steen de heuvel af duwde: hij bleef dezelfde kant op rollen als hij eenmaal was begonnen. Wanneer het bij een botsing van richting veranderde, wat vroeg of laat altijd gebeurde, hoefde je het enkel terug te buigen. Moghedien had mogelijk een weefsel van deze omvang in Samara kunnen zien, maar zeker niet voldoende om te kunnen zeggen uit welke richting het kwam. In pure kracht was ze zowat de gelijke van Moghedien en als zij ergens niet sterk genoeg voor was, kon je waarschijn lijk veilig aannemen dat de Verzaker het ook niet kon. Bovendien wilde ze op dit ogenblik een heel snelle reis. Een dag meer dan nodig in dat krappe onderkomen met de andere twee was voor haar even aantrekkelijk als de hut met Neres te delen. Bovendien, nog meer dagen op het water was ook geen pretje om naar uit te kijken. Hoe kon het schip zo rollen en deinen als het water zo vlak leek? Haar lippen begonnen pijn te doen van het glimlachen. ‘Je had het moeten vragen, Elayne. Je gaat zomaar ergens heen en je doet altijd dingen zonder te vragen en zonder na te denken. Het wordt tijd dat het tot je doordringt dat als je blindelings in een kuil valt, je oude kindermeisje er niet is om je op te tillen en je gezicht te wassen.’ Bij de laatste woorden waren Elaynes ogen zo groot als schoteltjes en leken haar ontblote tanden bereid Nynaeve te verscheuren. Birgitte legde haar handen op de schouders van de twee vrouwen, boog zich stralend naar hen toe, alsof ze een en al blijdschap was. ‘Als jullie twee niet ophouden, gooi ik jullie allebei de rivier in om af te koelen. Jullie gedragen je als een stel Shagokroegmeiden met winterjeuk.’

Met bezwete gezichten, verkrampt van beminnelijkheid, beenden de vrouwen ieder een andere kant op, zo ver van elkaar vandaan als de boot toestond. Tegen zonsondergang hoorde Nynaeve Ragan zeggen dat de vrouwen echt blij waren uit Samara weg te zijn, als je zag hoe ze met elkaar stonden te lachen, en de andere mannen leken hetzelf de te denken. De gezichten van de vrouwen aan boord keken echter veel te effen. Zij herkenden moeilijkheden als die er waren. Toch sleet beetje bij beetje de ellende weg. Nynaeve wist niet zeker hoe. Misschien bepaalde het vriendelijke uiterlijk van Elayne en Birgitte ongewild hun stemming. Misschien merkten die twee hoe vol komen belachelijk hun vriendelijke glimlachjes waren, terwijl ze iets venijnigs in hun opmerkingen probeerden te leggen. Hoe het ook zij, ze mocht over de afloop niet klagen. Langzaam, elke dag meer, begonnen de woorden en toon bij hun gezicht te passen en nu en dan leken ze zelfs verlegen, uiteraard door de herinnering aan hun gedrag. Niemand liet echt iets van verontschuldigingen horen, wat Nynaeve best begreep. Als zij zo dwaas en gemeen was geweest, zou zij ook zeker de aandacht van een ander er niet op vestigen. De kinderen hadden ook een aandeel in het herstel van het evenwicht tussen Elayne en Birgitte, hoewel het eigenlijk begon doordat Nynaeve op de eerste ochtend op de rivier de gewonde mannen ging ver zorgen. Ze haalde haar tas met kruiden aan dek, maakte zalfjes en smeerseltjes en verbond sneden. Die wonden maakten haar kwaad genoeg om te helen – ziektes en wonden maakten haar altijd kwaad – en ze deed het bij de ergste gevallen, al moest ze oppassen. Als wonden zomaar zouden verdwijnen, gingen de mensen praten en het Licht mocht weten wat Neres zou doen als hij vermoedde een Aes Sedai aan boord te hebben. Heel waarschijnlijk zou hij Amadicia ’s nachts binnensluipen en proberen hen gevangen te laten nemen. Wat dat betreft: sommige vluchtelingen zouden bij dat nieuws ook overboord springen.

Bij Uno bijvoorbeeld wreef ze stekende mareknololie op zijn zwaar gekneusde schouder, deed ze een likje allesheelzalf op de nieuwe jaap in zijn gezicht en draaide ze een verband om zijn hoofd tot hij zijn kaak amper kon bewegen voor ze hem heelde. Toen hij naar adem snakte en opzij zakte, zei ze bruusk: ‘Doe niet zo kinderachtig! Ik had niet gedacht dat zo’n grote sterke man zo’n beetje pijn veel kon schelen. Goed, kom er verder niet aan. Als je er de komende dagen met een vinger aan durft te komen, geef ik je iets te slikken dat je niet snel zult vergeten.’

Hij knikte langzaam en staarde haar zo onzeker aan dat hij duidelijk niet begreep wat ze had gedaan. En als het bij het weghalen van het verband tot hem doordrong, zou een ander met enig geluk niet meer weten hoe erg de wond was geweest. Dan behoorde hij genoeg hersens te hebben om zijn mond erover te houden. Hierna was het heel gewoon met de vluchtelingen door te gaan. Ze hadden bijna allemaal blauwe plekken en schrammen, en enkele kin deren vertoonden tekenen van koorts of wormen. Hen kon ze zon der zorgen heien; kinderen maakten altijd stampij wanneer ze iets moesten slikken dat niet naar honing smaakte. Als ze hun moeder zouden vertellen dat het gek voelde, nou ja, kinderen verbeeldden zich van alles.

Ze had zich nooit op haar gemak gevoeld bij kinderen. Al wilde ze wel kinderen van Lan. Een deel van haar wilde dat. Kinderen konden zo’n toestand maken van niets. Ze leken de gewoonte te hebben om zodra je je had omgedraaid, juist het tegenovergestelde te doen van wat je zei, enkel om te zien hoe je zou reageren. Maar op een gegeven moment merkte ze dat ze de donkere haren van een jongen naar achter streek die net tot haar middel reikte en als een uil met lichtblauwe ogen naar haar stond op te kijken. Ze leken zoveel op Lans ogen.

Elayne en Birgitte kwamen erbij, aanvankelijk om wat orde te scheppen, maar op de een of andere manier hielden ook zij zich steeds vaker met de kinderen bezig. Vreemd genoeg zag Birgitte er helemaal niet dwaas uit als ze op allebei haar heupen een jongetje van een jaar of drie, vier had, een kring van kinderen om haar heen en dan een onzinliedje zong over dansende dieren. En Elayne deelde zoete, rode snoepjes uit. Het Licht wist waar ze die had opgedoken, of waarom. Ze keek helemaal niet schuldbewust toen Nynaeve haar erop betrapte toen ze er zelf een nam. Ze grijnsde slechts, trok de duim uit een meisjesmond en verving die door een snoepje. De kinderen lachten alsof ze weer wisten hoe dat ging en knuffelden zich net zo gemakkelijk in Nynaeves rok, die van Elayne of van Birgitte als in die van hun moeder. Het was moeilijk in die omstandigheden nog boos te blijven. Zelf kon ze niet meer dan een licht gesnuif, amper hoorbaar, opbrengen, toen Elayne op de tweede avond in de afzondering van de hut de a’dam weer ging bestuderen. De vrouw leek er meer dan ooit van overtuigd te zijn dat armband, halsband en lijn een vreemde vorm van binding schiep. Nynaeve kwam er zelfs een paar keer bij zitten. Ze hoefde dat smerige ding alleen maar te zien of ze kon saidar al omhelzen.

Natuurlijk kwamen de verhalen van de vluchtelingen los. Gezinnen gebroken, familieleden verdwenen of gedood. Boerderijen, winkels en werkplaatsen lagen in puin terwijl de rimpels van de ellende zich over de wereld verbreidden en de handel verstoorden. Mensen konden niet kopen wanneer ze niet verkochten. De Profeet was slechts de laatste steen geweest op de kar bij het breken van de as. Nynaeve zei niets toen ze zag dat Elayne een goudmark gaf aan een man met grijs haar die zijn knokkels tegen zijn voorhoofd drukte en pro beerde haar hand te kussen. Ze zou wel leren hoe snel goud ver dween. Bovendien had Nynaeve eveneens enkele munten uitgedeeld. Nou ja, iets meer dan enkele.