Выбрать главу

De grijze dageraad van de derde dag zette de bemanning weer aan de bomen om het schip de haven van Boannda in te duwen. Het was een aanzienlijke stad, groter dan Samara, op de landtong waar de snelstromende Boern, die van Jehanna kwam, uitstroomde in de tragere Eldar. Er rezen zelfs drie torens boven de hoge grijze muren op, en een gebouw dat wit glansde onder een rood pannendak had best voor een – klein – paleis door kunnen gaan. Toen hun boot aan de punt van een kade rap aan de zware balken werd vastgelegd – de helft rees nu op uit droge grijze modder – vroeg Nynaeve zich hard op af waarom Neres helemaal naar Samara was gevaren, terwijl hij zijn goederen hier had kunnen verkopen.

Elayne knikte naar een stevige man op de kade die een ketting droeg met een of ander zegel op zijn borst. Er stonden er nog een heel stel naast, allen met een ketting en blauwe jas, die hun ogen strak op twee andere brede boten hadden gericht die werden uitgeladen, ik veronderstel dat zij de invoerrechten heffen voor koningin Alliandre.’ Terwijl zijn vingers op de omheining roffelden, keek Neres even strak naar de blauwjassen als zij naar de schepen. ‘Mogelijk had hij in Samara iets met ze geregeld. Ik denk dat hij niet met deze mannen wil praten.’

De mannen en vrouwen uit Samara liepen aarzelend de loopplank over en werden door de mannen genegeerd. Er werd geen geld geheven op mensen. Voor de vluchtelingen begon hier de onzekerheid. Hun leven lag voor hen en ze moesten een nieuw begin maken met wat ze bij zich hadden en wat ze van Nynaeve en Elayne hadden gekregen. Voor ze halverwege de pier waren, nog steeds bangig bij el kaar blijvend, zagen enkele vrouwen er al even ontmoedigd uit als de mannen. Een paar barstten zelfs in tranen uit en Elaynes gezicht vertrok van ergernis. Ze wilde altijd voor iedereen zorgen. Nynaeve hoopte maar dat ze niet zou merken dat ze nog wat zilverstukken in de handen van de vrouwen had gedrukt.

Niet iedereen verliet het schip. Areina bleef staan, evenals Nicola en Marigan, die haar twee zonen stevig tegen zich aandrukte. De jongens staarden bezorgd en zwijgend de andere kinderen na, die naar de stad liepen. Sinds Samara hadden de twee knapen volgens Nynaeve nog geen woord gezegd.

‘Ik wil met jou mee,’ vertelde Nicola aan Nynaeve, onwillekeurig in haar handen wringend. ‘Bij jou voel ik me veilig.’ Marigan knikte uitbundig. Areina zei niets maar ging dichter bij de twee andere vrouwen staan, waarmee ze liet blijken dat ze erbij hoorde, ook al bleef ze Nynaeve vlak aankijken in een stille uitdaging om haar niet weg te sturen.

Thom schudde licht zijn hoofd en Juilin toonde een grimas, maar Nynaeve keek Elayne en Birgitte aan. De erfdochter aarzelde geen tel en knikte, de ander vrouw volgde vrijwel meteen haar voorbeeld. Nynaeve hield haar rok bij elkaar en stapte op Neres af, die aan de achtersteven stond.

‘Ik neem aan dat ik mijn schip weer terug heb,’ vertelde hij de lucht ergens tussen het schip en de kade. ‘Het werd tijd. Dit is de ergste reis geweest die ik ooit heb gemaakt.’

Nynaeve glimlachte breed. Voor het eerst keek hij haar rechtstreeks aan voor die glimlach verdween. Nou ja, bijna rechtstreeks. Maar Neres had weinig keus. Hij kon nauwelijks een beroep doen op het gezag in Boannda. En als hij het aangeboden reisgeld niet geweldig vond, nou en, hij moest toch de rivier af. Dus zeilde zijn Rivierserpent weer uit, op weg naar Ebo Dar, met een tussenstop die hij pas vernam toen Boannda achter de achtersteven verdween. ‘Salidar!’ gromde hij, over Nynaeves hoofd starend. ‘Salidar is sinds de Witmantel-oorlog verlaten. Alleen een dwaze vrouw zou in Salidar ontschepen.’

Zelfs met haar glimlach was Nynaeve boos genoeg om de Bron te omhelzen. Neres gaf een brul en tegelijk een klap in zijn nek en tegen zijn heup. ‘Wat zijn die horzels dit jaar vervelend, hè?’ vroeg ze meelevend. Birgitte brulde van het lachen voor ze tot halverwege het dek waren gelopen.

Staande op de boeg haalde Nynaeve diep adem, terwijl Elayne geleidde om de wind op te laten steken en de boot de sterke stroming van de Boern in schoof. Nynaeve at bij elke maaltijd rode venkel, maar zelfs als het voor Salidar op zou zijn, kon het haar niet schelen. Hun reis was bijna voorbij. Alles wat ze had doorstaan, was het waard geweest, wat dat betrof. Ze had dat laatste uiteraard niet al tijd gedacht en die ruwe taal van Elayne en Birgitte was niet de enigeoorzaak geweest.

In de eerste nacht had Nynaeve de stenen ring gebruikt, terwijl ze in haar ondergoed op bed lag, Elayne gapend op de stoel zat en Birgit te tegen de deur stond geleund, waarbij haar hoofd de plafondbalken raakte. Een roestige lamp in een beugel gaf wat licht en tot ieders verrassing verspreidde zich een geurige lucht uit de brandende olie. Neres hield waarschijnlijk ook niet van de muffe stank en de schimmellucht. Als ze zo nadrukkelijk liet zien dat de ring tussen haar borsten hing – om er zeker van te zijn dat de anderen wisten dat hij haar huid raakte – kwam dat omdat ze daar reden voor had. Die middag en avond van oppervlakkig redelijk gedrag bij de twee vrouwen zouden haar niet minder oplettend maken. Het Hart van de Steen was precies hetzelfde als alle andere keren. Overal en nergens kwam een bleek licht vandaan, het glinsterende zwaard Callandor stak in de plavuizen onder de hoge koepel, rijen enorme glanzende roodstenen zuilen die in de hoge schaduwen ver dwenen. En het gevoel dat je in de gaten werd gehouden, wat in Tel’aran’rhiod zo gewoon was. Met de grootste moeite weerhield Nynaeve zich ervan om op de vlucht te slaan, of verbeten en geschrokken tussen alle zuilen te gaan kijken. Ze dwong zichzelf op dezelfde plek te blijven staan, naast Callandor, langzaam tot duizend te tellen, na elke honderd te wachten en Egwenes naam te roepen. Het was het enige dat ze kon doen. Haar zelfbeheersing waar ze zo trots op was, stortte in. Haar kleren flikkerden heen en weer door haar bezorgdheid over haarzelf en Moghedien, Egwene, Rhand en Lan. Van de ene tel op de andere veranderde de stevige wol van Emondsveld in een verhullende mantel met een diepe kap, die weer overging in een maliënkolder van de Witmantels, in een roodzijden, doorzichtig gewaad, in een nog dikkere mantel en vervolgens... Ze meende dat haar gezicht eveneens veranderde. Eén keer zag ze dat de huid van haar hand nog donkerder was dan die van Juilin. Maar als Moghedien haar misschien niet herkende... ‘Egwene...’ De laatste hese schreeuw kaatste tussen de zuilen heen en weer en Nynaeve dwong zich huiverend nog honderd tellen te blijven staan. Afgezien van haarzelf bleef de enorme ruimte leeg. Ze had ontzettend graag meer spijt willen voelen dan haast, maar stapte uit de droom...