Выбрать главу

... en lag aan de stenen ring te voelen, starend naar de dikke balken boven haar hoofd en luisterend naar het alom aanwezige gekraak van het schip dat in de duisternis de rivier afvoer.

‘Was ze er?’ wilde Elayne weten. ‘Je bent er niet zo lang geweest, maar...’

‘Ik ben het zo zat om bang te zijn,’ zei Nynaeve, die haar ogen op het plafond gericht hield. ‘Ik b-ben het zo z-zat een l-lafaard te zijn.’ De laatste woorden gingen over in hete snikken die ze niet tegen kon houden of verbergen, hoe hard ze ook over haar ogen boende. Meteen stond Elayne naast haar, hield haar vast, streek over haar haren en even later drukte Birgitte een in koud water gedrenkte doek in haar nek. Ze bleef huilen hoewel de twee anderen volhielden dat ze geen lafaard was.

‘Als ik dacht dat Moghedien jacht op me maakte,’ zei Birgitte eindelijk, ‘zou ik meteen wegvluchten. En als ik me alleen in een dassenhol kon verbergen, zou ik me erin wurmen, me als een bal op rollen en zwetend afwachten tot ze was vertrokken. Ik zou ook niet blijven staan als een van Cerandins s’redits op me afstormde. En in geen van beide gevallen zou ik me laf voelen. Je moet je eigen tijd kiezen en je eigen slagveld, en haar aanvallen wanneer ze het het minste verwacht. Ik zal ooit wraak op haar nemen, maar alleen als ik dat kan. Dat is de enige manier waarop ik het zal doen. Al het andere is dwaasheid.’

Dat alles wilde Nynaeve amper horen, maar haar tranen en hun troost maakten een groot gat in de doornhaag die tussen hen was gegroeid, ik zal je bewijzen dat je niet laf bent.’ Elayne pakte het donkerhouten kistje van de plank waar ze het had neergezet en haalde er de schijf met de spiralen uit. ‘We gaan samen terug.’ Dat wilde Nynaeve nog minder horen. Maar ze kon het op geen enkele manier voorkomen, niet nu ze haar hadden gezegd dat ze geen lafaard was. En dus gingen ze terug.

Naar de Steen van Tyr, waar ze naar Callandor keken, wat beter was dan om je heen te kijken of Moghedien ergens opdoemde, daarna naar het koninklijk paleis in Caemlin, waar Elayne haar leidde, en vervolgens naar Emondsveld onder Nynaeves leiding. Nynaeve kende wel het paleis in Tanchico met zijn grote zalen, enorme beschil derde plafonds en marmeren vloeren, het vele verguldsel, de mooie tapijten en fraai bewerkte muurkleden, maar dit was de plek waar Elayne was opgegroeid. Dit te zien en dit besef zorgden ervoor dat ze Elayne wat beter begreep. Natuurlijk verwachtte de vrouw dat de wereld zich aan haar aanpaste; zo was ze opgegroeid en het was haar bijgebracht dat dit zou gebeuren, op de plek waar het gebeurde. Elayne, een bleke gestalte van zichzelf, vanwege haar ter’angreaal, was vreemd stil terwijl ze daar waren. Daarentegen was Nynaeve weer heel stil in Emondsveld. Het dorp was bijvoorbeeld groter dan ze zich herinnerde. Er waren meer huizen met rietdaken en verschil lende huizen waren in aanbouw. Iemand liet vlak buiten het dorp een heel groot onderkomen bouwen, met wel twee verdiepingen, heel ruim opgezet, en op de brink was een steen vol namen opgericht. Ze herkende veel van die namen, voornamelijk uit Tweewater. Aan weerszijden van de steen stonden twee vlaggenstokken. Aan de een wapperde een banier met een rode wolvenkop, de andere toonde een rode adelaar. Alles zag er welvarend en gelukkig uit – voor zover ze dat zonder mensen kon zien – maar ze snapte er weinig van. Wat in Lichtsnaam waren die banieren? En wie zou er zo’n huis bouwen? Ze flitsten naar de Witte Toren, naar het werkvertrek van Elaida. Daar was niets veranderd, maar er stonden nog maar zes krukken in een halve cirkel voor Elaida’s tafel. Het drieluik van Bonwhin was verdwenen. Het schilderij van Rhand hing er nog met een armzalig herstelde scheur in het stuk met Rhands gezicht, alsof iemand er iets doorheen had gegooid.

Ze keken de papieren door in het gelakte kistje met de gouden haviken en die in de tafel van de Hoedster in het voorvertrek. Stukken en brieven veranderden en ze staken weinig nieuws op. Elaida wist dat Rhand in Cairhien de Rug van de Wereld was overgestoken, maar wat ze van plan was met die kennis te doen, bleef een raadsel. Een boze opdracht dat alle Aes Sedai onmiddellijk naar Tar Valon dienden terug te keren, tenzij ze een bijzondere opdracht van Elaida zelf hadden. Elaida leek over een heleboel zaken kwaad te zijn: dat zo weinig zusters na haar aanbod van kwijtschelding waren teruggekeerd, dat de meeste ogen-en-oren in Tarabon nog steeds geen bericht hadden doorgegeven, dat Pedron Nial alle Witmantels had op gedragen naar Amadicia terug te keren en dat ze niet wist waarom. Dat Davram Bashere nog steeds nergens was gevonden, terwijl hij een heel leger bij zich had. Woede vulde elk stuk dat haat zegel droeg. Geen enkel leek zinvol of belangrijk, behalve misschien dat over de Kinderen van het Licht. Maar ze zouden er, zolang ze op Neres’ Rivierserpent waren, weinig last van ondervinden. Toen ze naar hun lichamen op de boot terugkeerden, stond Elayne zwijgend van haar stoel op en legde de schijf in het kistje terug. Als vanzelf stond Nynaeve op om haar met de knoopjes op haar rug te helpen. Birgitte klom de ladder op, terwijl zij samen in hun onder goed in bed stapten; ze was van plan boven bij de ladder te gaan slapen, verklaarde ze.

Elayne geleidde de lamp uit. Een tijdlang lagen ze in het duister en toen zei ze: ‘Het paleis leek zo... leeg, Nynaeve. Het leek zo verlaten.’

Nynaeve wist niet hoe een plaats in Tel’aran’rhiod anders dan ver laten kon zijn. ‘Dat kwam door de ter’angreaal die je gebruikte. Je leek voor mij heel mistig.’

‘Nou, volgens mij zag ik er goed uit.’ Er zat maar heel weinig onvriendelijks in Elaynes stem en ze maakten het zich gemakkelijk om te gaan slapen.

Nynaeve wist nog heel goed hoe hard en puntig de ellebogen van de ander waren, maar het kon haar goede stemming niet bederven, net zo min als Elaynes klagend gemompel dat ze zulke koude voeten had. Ze had het gedaan. Misschien was vergeten dat je bang bent niet het zelfde als bang zijn, maar ze was in ieder geval naar de Wereld der Dromen teruggegaan. Misschien kon ze op een dag ook de moed op brengen niet meer bang te zijn.

Nu dat was gebeurd, was het gemakkelijker om door te gaan. Elke nacht erna gingen ze samen naar Tel’aran’rhiod, altijd met een bezoek aan de Toren om te zien wat ze er op konden steken. Er was nooit veel, behalve een bevel een gezantschap naar Salidar te sturen om de Aes Sedai daar uit te nodigen naar de Witte Toren terug te keren. Voordat het veranderde in een verslag om mogelijke Novices te beoordelen op hun juiste houding, wat dat ook mocht zijn, gaf het Nynaeve echter de indruk dat het veel meer een eis van Elaida was zich onmiddellijk aan haar te onderwerpen en dankbaar te zijn dat ze dat mochten doen. Niettemin was het een bevestiging dat ze met Salidar geen wilde haas achtervolgden. De moeilijkheden met andere stukken of gedeeltelijke brieven waren dat ze niet genoeg wisten om ze met elkaar te verbinden. Wie was die Davram Bashere en waar om wilde Elaida hem zo wanhopig graag vinden? Waarom had Elaida het verbod uitgevaardigd dat niemand de naam van Mazrim Taim, de valse Draak, mocht noemen en met zware straffen gedreigd? Waar om hadden koningin Tenobia van Saldea en koning Easar van Shienar beiden brieven geschreven die heel beleefd waren, maar hun sterke afkeer uitdrukten van elke bemoeienis van de Witte Toren met hun zaken? Het bracht Elayne ertoe een van Lini’s spreekwoorden aan te halen: ‘Om twee te snappen moet je een weten.’ Nynaeve kon er alleen maar mee instemmen.

Behalve hun uitstapjes naar Elaida’s werkkamer leerden ze zichzelf en hun omgeving in Tel’aran’rhiod beter te beheersen. Nynaeve was niet van plan zich nogmaals door Egwene en de Wijzen te laten aan pakken. Aan Moghedien probeerde ze niet te denken. Ze kon zich beter op de Wijzen richten.