Van Egwenes vaardigheid in hun droom te verschijnen, zoals ze in Samara had gedaan, konden ze niets te weten komen. Haar op te roepen bracht niets teweeg, alleen dat het gevoel van gluurders sterker werd en ze verscheen niet opnieuw op dezelfde manier. Hun po ging iemand anders in Tel’aran’rhiod vast te houden, leverde nog meer moedeloze ergernis op, zelfs nadat Elayne het kunstje klaar speelde waarin je de ander enkel zag als een onderdeel van je droom. Elayne mocht het dan eindelijk gelukt zijn – en Nynaeve wenste haar geluk met alle hartelijkheid die ze op kon brengen – maar dagenlang kon de voormalige Wijsheid het niet. Elayne had net zo goed de na bije mist kunnen zijn die met een glimlach verdween wanneer ze dat wilde. Toen het Nynaeve eindelijk lukte Elayne daar vast te houden, voelde het alsof ze een rotsblok oppakte.
Het scheppen van wonderlijke bloemen of dingen door eraan tedenken was veel leuker. De benodigde inspanning leek te worden bepaald door de grootte van het te scheppen ding en door het feit of het ook in de werkelijkheid bestond. Bomen die vol vreemde rode, gouden en paarse bloemen zaten, waren moeilijker te maken dan een staande spiegel om te bekijken hoe de zelfgemaakte kleding was uit gevallen. Een glinsterend kristallen paleis dat van de bodem oprees, was zelfs nog moeilijker. Ook al voelde het nog zo stevig aan als je het aanraakte, het veranderde wanneer het beeld in je hoofd trilde en verdween zodra je er niet meer aan dacht. Stilzwijgend besloten ze zich niet meer aan dieren te wagen, nadat iets merkwaardigs – wat heel veel leek op een paard met een hoorn op zijn neus – hen beiden een heuvel opjoeg voor ze het konden laten verdwijnen. Dat ver oorzaakte bijna een nieuwe ruzie, omdat beiden beweerden dat de ander het had gemaakt, maar tegen die tijd was Elayne weer zozeer haar oude zelf dat ze begon te giechelen bij de gedachte hoe gek ze er wel niet moesten hebben uitgezien, met opgetrokken rok de heuvel ophollend en tegen het ding schreeuwend weg te gaan. Zelfs Elaynes koppige weigering toe te geven dat het haar fout was geweest, kon niet voorkomen dat ook bij Nynaeve het gegiechel opborrelde. Elayne wisselde de schijf met de spiraal af met het plaatje van amber waarop de slapende vrouw stond afgebeeld, maar eigenlijk gebruikte ze die twee ter’angrealen liever niet. Hoe hard ze er ook aan werkte, ze voelde zich nooit zo volledig in Tel’aran’rhiod als met de ring. En bij elke ter’angreaal moest je zelf iets doen. Het was onmogelijk de stroom Geest te verknopen of je viel meteen de Wereld der Dromen uit. Het tegelijk geleiden van iets anders leek helemaal on mogelijk, maar Elayne begreep niet waarom. Ze leek meer belang stelling te hebben voor de manier waarop de ter’angrealen waren gemaakt, en ze was zeker niet blij dat ze hun geheimen niet zo gemakkelijk prijsgaven als de a’dam. Als ze een ‘waarom’ niet kon beantwoorden, leek het of ze een distel in haar kous had. Toevallig gebruikte Nynaeve een van die twee in de nacht dat ze Egwene zouden ontmoeten, de nacht na hun vertrek uit Boannda. Ze zou er niet kwaad genoeg voor zijn geweest, ware het niet dat ze weer een en al ergernis was over degenen die haar zo vaak tegen de haren instreken. Mannen.
Neres was ermee begonnen, rondstampend over het dek zodra de zon naar de einder zakte, in zichzelf mompelend dat zijn lading hem was ontstolen. Natuurlijk negeerde ze hem, maar toen had Thom, die zijn slaapplekje bij de mast aan het klaarmaken was, gezegd: ‘Hij heeft gelijk.’
Blijkbaar zag hij haar niet staan in het zwakkere schelle licht. Juilin, die naast hem neerhurkte, evenmin. ‘Het is een smokkelaar, maar die goederen had hij wel betaald. Nynaeve had niet het recht die weg te gooien.’
‘De bloedrechten van een vrouw zijn zoals zij vervloekt zegt dat ze zijn!’ lachte Uno. ‘Dat zeggen ze in Shienar tenminste.’ Op dat moment zagen ze haar en zwegen, waarmee ze als gewoonlijk te laat hun verstand gebruikten. Uno wreef over zijn wang zon der litteken. Hij had die dag het verband eraf gehaald en wist nu wat ze had gedaan. Ze meende dat hij zich verlegen voelde. Het viel moeilijk te zien in die bewegende schaduwen, maar de andere twee keken nietszeggend.
Ze deed er toen natuurlijk niets mee, maar beende weg met een ferme greep rond haar vlecht en stampte boos de ladder af. Elayne had de schijf reeds in haar hand; het donkere houten kistje stond open op tafel. Nynaeve pakte het bruingele plaatje met de slapende vrouw op. Het voelde glad en zacht, niet als iets wat een kras in metaal kon maken. Nu dat spoortje boosheid in haar smeulde, was saidar een warme gloed die ze net niet kon zien. ‘Misschien kan ik iets bedenken dat verklaart waarom je met dit ding alleen maar druppels kunt geleiden.’
Even later stond ze in het Hart van de Steen een stroom Geest in het plaatje te geleiden dat in Tel’aran’rhiod in haar beurs zat. Zoals zo vaak in de Wereld der Dromen droeg Elayne een gewaad dat aan het hof van haar moeder paste. Groene zijde met goudborduurwerk rond de hals, een halsketting en armbanden van gouden schakels en maan stenen. Tot haar eigen verbazing was Nynaeve in iets soortgelijks gekleed, al had zij een vlecht – in de juiste kleur – en het haar niet los op de schouders. Haar gewaad was lichtblauw en zilver en wellicht niet zo laag gesneden als de kleren van baas Luca, maar wel iets lager dan ze zelf gekozen zou hebben. De vuurtraan aan de zilveren ketting die zo mooi glanzend tussen haar borsten hing, vond ze prach tig. Egwene zou het niet gemakkelijk krijgen om een vrouw in deze kleren naar haar pijpen te laten dansen. Maar dat was zeker niet de reden, ook niet onbewust, waarom ze zich op deze wijze had uitgedost.
Meteen merkte ze wat Elayne had bedoeld met er gewoon uitzien. Ze zag er volgens haarzelf net zo uit als Elayne, die de stenen ring op de een of andere manier in haar ketting had gevlochten. Elayne zei echter dat zij er mistig uitzag. En saidar voelde ook mistig aan, behalve de stroom Geest die ze al was gaan weven toen ze nog wakker was. De rest was dun en zelfs de onzichtbare warmte van de Ware Bron leek afgekoeld. Haar boosheid bleek net sterk genoeg om te geleiden. Al werd haar ergernis over de mannen door dit raadsel min der, het raadsel bleef op zich al ergerlijk. Zich sterk te maken voor de ontmoeting met Egwene maakte daar geen deel van uit. Ze maak te zich absoluut niet sterk en er was geen enkele reden waarom ze ergens op haar tong gekookte kattenvaren en maarnebladpoeder proefde. Maar het opwekken van een klein, in de lucht dansend vlammetje, wat een van de eerste dingen was die een Novice leerde, leek even moeilijk als Lan over de schouder te nemen. De vlam maak te zelfs op haar een uitgedoofde indruk en zodra ze de stroom wil de verknopen, vervaagde hij. Binnen enkele tellen was hij weg. ‘Jullie allebei?’ vroeg Amvs. Zij en Egwene stonden er opeens, aan de andere kant van Callandor, beiden in Aielrok, hemd en sjaal. Gelukkig had Egwene niet zoveel halskettingen en armbanden omgedaan. ‘Waarom zie je er zo vreemd uit, Nynaeve? Heb je geleerd hier te komen wanneer je nog wakker bent?’
Nynaeve schrok. Ze had er een hekel aan als mensen zo aan kwamen sluipen. ‘Egwene, hoe heb jij...’ begon ze, haar gewaad goed strijkend, terwijl Elayne tegelijk vroeg: ‘Egwene, we begrijpen niet hoe je...’
Egwene onderbrak hen. ‘Rhand en de Aiel hebben een grote overwinning behaald bij Cairhien.’ Het kwam er in één stroom uit, alles wat ze hun in hun dromen al had verteld, vanaf Sammael tot aan de Seanchaanse lanspunt. Elk woord struikelde over de vorige heen en alles werd met een strakke blik op hen afgevuurd. Nynaeve wisselde verwarde blikken met Elayne. Dat had ze toch reeds verteld? Het was geen verbeelding geweest, niet nu ieder woord werd bevestigd. Zelfs Amys, haar lange witte haar benadrukte slechts de leeftijdloosheid van haar gezicht, die iets afweek van die op het uiterlijk van een Aes Sedai, leek verbaasd over de woordenstroom. ‘Heeft Mart Couladin gedood?’ roep Nynaeve uit. Dat was zeker niet in haar droom gezegd. Dat klonk helemaal niet als Mart. Aanvoerder van krijgslieden? Mart?
Toen Egwene eindelijk aan het eind van haar verhaal was gekomen, haar sjaal verschikte en ietwat hijgde – al die tijd had ze amper adem gehaald – zei Elayne zwakjes: ‘Is het goed met hem?’ Het klonk of ze haar eigen herinneringen niet meer vertrouwde. ‘Zo goed als je mag verwachten,’ antwoordde Amys. ‘Hij is hard voor zichzelf en luistert naar niemand, behalve naar Moiraine.’ Amys was niet blij.