Nynaeves ogen schoten met een ruk weg van het zegel. Ze wist nauw keurig op welk moment het fout was gegaan. De zwaardhanden die hen in het woud hadden omsingeld, waren beleefd, zij het koeltjes geweest, nadat ze Uno en de Shienaranen hun zwaarden had laten wegsteken. En Mins warme begroeting was een en al omhelzing en gezoen geweest. Maar de Aes Sedai en de andere mensen in de straten, druk doende met hun eigen werkzaamheden, hadden zich verder gehaast en amper een blik overgehad voor de groep die naar binnen werd geleid. Salidar was behoorlijk vol en op bijna elke open plek waren gewapende mannen aan het oefenen. Afgezien van de zwaardhanden en Min was de Bruine zuster eigenlijk de eerste geweest die aandacht aan hen had besteed, toen ze naar een vertrek waren gebracht dat vroeger de gelagkamer van de herberg moest zijn geweest. Elayne en zij hadden hun afgesproken verhaal aan Phaedrien Sedai verteld, of dat althans geprobeerd. Ze hadden nauwelijks een begin kunnen maken of ze moesten daar blijven staan, onder de striktste orders geen pink te verroeren en geen woord te spreken, zelfs niet met elkaar. Ze moesten een lange tijd wachten, waarin ze elkaar verward hadden aangekeken. Ondertussen haastten Aanvaarden, in het wit geklede Novices, zwaardhanden, dienaren en krijgslieden zich tussen de tafels door, waar Aes Sedai stukken en pa pieren bekeken en kortaf bevelen gaven. Daarna waren ze zo snel naar Sheriam en de anderen gevoerd dat volgens Nynaeve hun voeten tweemaal de grond hadden aangeraakt. Toen was het ondervragen begonnen, dat meer paste bij opgepakte gevangenen dan bij te ruggekeerde helden. Nynaeve depte het zweet van haar gezicht, maar ze had het doekje nog niet in de mouw teruggestopt of haar handen knepen al weer krampachtig in haar rok.
Elayne en zij waren niet de enigen die op het kleurrijke zijden tapijt stonden. Siuan, in eenvoudige kledij van mooie blauwe wol, koel kijkend en volkomen beheerst, zou mogelijk vrijwillig daar hebben gestaan, als Nynaeve niet beter had geweten. Ze leek verloren in zorgeloze gedachten. Leane keek tenminste nog naar de Aes Sedai, hoewel ze evenveel zelfvertrouwen uitstraalde. Eigenlijk meer zelf vertrouwen dan Nynaeve zich van haar herinnerde. De vrouw met de koperkleurige huid leek sierlijker, op de een of andere manier soepeler. Mogelijk kwam dat door haar schandalige gewaad. De licht groene zijde was bij de hals even hoog gesloten als die van Siuan, maar volgde strak iedere lijn en welving van haar lichaam en de stof was op een haartje na doorzichtig. Het waren echter vooral hun gezichten die Nynaeve verstomd deden staan. Ze had nooit gedacht een van beiden nog in leven te zien en zeker niet dat ze er dan zo jong zouden uitzien, niet meer dan een paar jaar ouder dan zijzelf, zo niet minder. Ze hadden elkaar niet eenmaal aangekeken. Eerlijk gezegd, ze had een duidelijke kilte tussen de twee bespeurd. Er was nog een verschil met vroeger, een verschil dat Nynaeve nu pas herkende. Iedereen, onder wie Min, had het voorzichtig genoemd, maar niemand had echt geheimgehouden dat ze waren gesust. Nynaeve kon het gebrek in hen voelen. Het kon zijn doordat ze in een ruimte waren waar alle andere vrouwen konden geleiden of door haar kennis dat ze gesust waren, maar voor het eerst was ze zich echt bewust van de vaardigheid in Elayne en de anderen. En het ontbreken ervan in Siuan en Leane. Er was hen iets afgenomen, iets bij hen weggesneden. Het was net een wond, misschien de ergste die een geleidster kon overkomen.
Haar nieuwsgierigheid werd groter. Wat voor soort wond zou het zijn? Wat was er weggesneden? Ze kon net zo goed gebruik maken van het feit dat ze moesten wachten en van de ergernis die zich met haar zenuwen vervlocht. Ze reikte naar saidar... ‘Gaf iemand je toestemming om hier te geleiden, Aanvaarde?’ vroeg Sheriam, en Nynaeve schrok en liet haastig de Ware Bron los. De groenogige Aes Sedai leidde de anderen terug naar het allegaartje van zes stoelen, die in een halve cirkel rond de vier staande vrouwen waren opgesteld. Sommigen namen dingen van de tafel mee. Ze gingen zitten en staarden naar Nynaeve. Alle eerdere gevoelens waren met Aes Sedai-kalmte bedekt. Geen van die leeftijdloze gezichten liet met een druppeltje blijken last van de hitte te hebben. Eindelijk zei Anaiya zacht en berispend: ‘Je bent erg lang van ons weg geweest, kind. Wat je in de tussenliggende tijd ook geleerd mag hebben, je bent blijkbaar veel vergeten.’
Blozend maakte Nynaeve een knix. ‘Vergeef me, Aes Sedai, ik had niet de bedoeling verkeerd te doen.’ Ze hoopte dat ze zouden aan nemen dat haar wangen zo rood waren van schaamte. Ze was langetijd weg geweest. Nog maar een dag geleden had zij de bevelen gegeven en waren mensen opgesprongen als zij iets zei. Nu werd van haar verwacht op te springen. Het smaakte bitter. ‘Je hebt een belangwekkend... verhaal verteld.’ Carlinya geloofde er blijkbaar weinig van. De Witte zuster draaide Birgittes pijl om en om in haar slanke, lange handen. ‘En je hebt enige vreemde zaken in je bezit gekregen.’
‘De panarch Amathera heeft ons veel geschenken gegeven, Aes Sedai,’ zei Elayne. ‘Ze scheen te denken dat wij haar troon hebben gered.’ Hoewel ze de woorden prachtig gelijkmoedig uitte, gleden de zinnen over heel dun ijs. Nynaeve was niet de enige die stikte van ergernis over hun weggenomen vrijheid. Het gladde gezicht van Carlinya verstrakte.
‘Jullie zijn met verontrustend nieuws gekomen,’ zei Sheriam. ‘En enkele verontrustende... zaken.’ Haar ietwat scheef staande ogen gleden naar de tafel, naar de zilverachtige a’dam, en richtten zich toen weer strak op Nynaeve en Elayne. Nadat ze hadden gehoord wat het was en waar het voor diende, bezagen de meeste Aes Sedai de a’dam of het een levende roodadder was. De meesten. ‘Als dat ding doet wat deze kinderen beweren,’ merkte Morvrin af wezig op, ‘dienen we het te bestuderen. En als Elayne werkelijk gelooft dat ze een ter’angreaal kan maken...’ De Bruine zuster schud de het hoofd. Haar echte aandacht richtte ze op de veelkantige stenen ring, een en al vlekken en strepen in rood, blauw en bruin, die ze in haar ene hand hield. De andere twee ter’angrealen lagen in haar brede schoot. ‘Jullie zeiden dat deze van Verin Sedai kwam? Hoe komt het dat dit ons nooit eerder bekend is gemaakt?’ Die vraag was niet tot Nynaeve en Elayne gericht, maar tot Siuan. Siuan fronste, maar ditmaal niet op die geduchte manier die Nynaeve zich uit de Toren herinnerde. Er zat iets van schroom in, alsof ze wist dat ze tegen haar meerderen sprak, wat ook in haar stem was te horen. Dit was ook nieuw en anders; Nynaeve kon het niet geloven. ‘Verin heeft het me nooit verteld. Ik zou haar graag wat vragen willen stellen.’
‘En ik heb hiérover enige vragen.’ Mijrelles lichtbruine gezicht betrok toen ze een bekende brief openvouwde – waarom hadden ze die ook bewaard? – en hardop voorlas: ‘Wat drager dezes doet, is gedaan in mijn opdracht en onder mijn gezag. Gehoorzaam en zwijg, aldus mijn bevel.’ Ze verfrommelde het papier en het zegel in haar vuist. ‘Amper iets dat een Aanvaarde wordt verstrekt.’
‘In die tijd wist ik niet wie ik kon vertrouwen,’ antwoordde Siuan gladjes. De zes Aes Sedai staarden haar aan. ‘Ik was daartoe toentertijd bevoegd.’ De zes Aes Sedai verblikten of verbloosden niet. In haar stem klonk iets sterker een vermoeid gepleit door. ‘Jullie kunnen me niet ter verantwoording roepen voor iets wat ik moest doen toen ik er alle recht toe had. Als de boot zinkt, stop je het gat met alles wat je kunt pakken.’