Выбрать главу

‘Goed. Jullie mogen nu de juwelen pakken die de panarch jullie heeft gegeven, plus de pijl, en vertrekken. Als we meer tijd hebben, mogen jullie me vertellen waarom ze jullie dit heeft geschonken. Een Aanvaarde zal jullie een plek wijzen waar je kunt slapen. Het zal moeilijk worden juiste kleding te vinden, maar ook dat zal lukken. Ik reken erop dat jullie je... avonturen... achter je zullen laten en weer vlot jullie juiste plaats zullen innemen.’ Er lag een duidelijke maar onuitgesproken belofte in dat ze, als ze dat niet deden, op de juiste plaats gezét zouden worden tot ze zich aanpasten. Sheriam knikte te vreden toen ze zag dat de vrouwen haar begrepen. Beonin had geen woord gezegd sinds het saidarschild was verdwenen, maar toen de Aanvaarden aanstalten maakten zich terug te trekken, stond de Grijze zuster op en schreed naar de tafel waar hun spullen lagen uitgestald. ‘En wat doen we hiermee?’ wilde ze in haar zware Taraboonse tongval weten, terwijl ze de witte doek wegtrok die over het zegel van de kerker van de Duistere lag. Voor de ver andering stonden haar grote blauwgrijze ogen eerder kwaad dan geschokt. ‘Hebben we hier niet meer vragen over? Gaan jullie dit negeren?’ Naast de wasleren beurs lag de zwart-witte schijf in tientallen brokstukken, die zo goed mogelijk tegen elkaar waren geschoven. ‘Hij was heel toen we hem in de beurs stopten.’ Nynaeve zweeg om haar mond weer vochtig te maken. Hoezeer haar ogen de witte doek over het zegel ook hadden ontweken, ze kon ze er nu niet meer van afwenden. Leane had honend geglimlacht toen het rode gewaad rond de beurs werd verwijderd en had gezegd... Nee, ze wilde er niet voor vluchten, zelfs in gedachten niet. ‘Waarom hadden we daar bijzon der op moeten passen? Het is cuendillar!’

‘We hebben er niet naar gekeken,’ vulde Elayne ademloos aan, ‘en hem zo weinig mogelijk aangeraakt. Hij voelde smerig aan, boos aardig.’ Dat was niet meer het geval. Carlinya had hun een stuk er van in de handen gedrukt en had willen weten over welke smerige gevoelens ze het hadden.

Ze hadden hetzelfde al eerder gezegd, meerdere keren, en niemand luisterde nu naar hen.

Sheriam stond op en ging naast de lichtbruine Grijze zuster staan. ‘We zien niets over het hoofd, Beonin. Het heeft geen zin deze meisjes nu meer vragen te stellen. Ze hebben ons alles verteld wat ze we ten.’

‘Het is altijd goed meer vragen te stellen,’ zei Morvrin, die niet langer met de ter’angrealen speelde en even streng als de anderen naar het zegel keek. Het kon cuendillar zijn – zij en Beonin hadden het zegel bekeken en het beaamd – maar ze had met haar handen een scherf in tweeën gebroken.

‘Hoeveel zegels houden nog stand?’ vroeg Mijrelle zachtjes alsof ze in zichzelf sprak. ‘Hoelang zal het duren voor de Duistere losbreekt en de Laatste Slag komt?’ Elke Aes Sedai deed iets wat paste bij haar vaardigheden en voorkeuren, niettemin had iedere Ajah een eigen bestaansreden. De Groene zusters, die zich de Strijdende Ajah noem den, hielden zich gereed de Gruwheren in de Laatste Slag te bestrijden. Er klonk bijna iets gretigs in Mijrelles stem door. ‘Drie,’ zei Anaiya onvast. ‘Drie houden het nog, voor zover wij we ten. Het Licht geve dat het zo is. Het Licht geve dat drie genoeg zijn.’

‘Het Licht geve dat die drie sterker zijn dan deze,’ mompelde Morvrin. ‘Cuendillar kan niet zo gemakkelijk breken en toch cuendillar zijn. Dat kan niet.’

‘Wij zullen dit op een beter moment bespreken,’ zei Sheriam. ‘Eerst enkele kwesties van vandaag, waar we iets aan kunnen doen.’ Ze nam de doek van Beonin over en dekte het zegel weer toe. ‘Siuan, Leane, we hebben een beslissing genomen...’ Ze brak haar woorden af toen ze zich omdraaide en Nynaeve en Elayne zag staan, is jullie niet gezegd te vertrekken?’ Hoe kalm ze uiterlijk ook was, haar on rust was merkbaar doordat ze was vergeten dat ze er nog stonden. Nynaeve was maar al te zeer bereid nogmaals haar knie te buigen, stootte haastig een ‘Met uw toestemming, Aes Sedai’ uit en schoot op de deur af. De Aes Sedai bewoog geen spiertje maar keek haar met Siuan en Leane na tot ze verdween. Nynaeve voelde hun ogen in haar rug. Elayne wachtte geen tel langer, al keek ze nog eenmaal naar de a’dam.

Nadat Nynaeve de deur had gesloten, leunde ze met haar rug tegen het ongeverfde hout, het vergulde kistje tegen haar borst klemmend. Ze kon voor het eerst vrijuit ademhalen, zo leek het haar althans, sinds ze de oude herberg waren binnengekomen. Ze wilde niet over het gebroken zegel nadenken. Weer een gebroken zegel. Ze wilde het niet. Die vrouwen konden met hun ogen schapen scheren. Ze keek bijna verlangend uit naar hun eerste ontmoeting met de Wijzen, als ze tenminste niet in het midden van hun strijdperk zou staan. De eerste keer dat ze in de Toren was aangekomen, was het al uiterst moei lijk geweest om te leren dat ze moest doen wat anderen zeiden en haar hoofd moest buigen. Na de lange maanden waarin zij de bevelen had gegeven – nou ja, nadat ze die, meestal, met Elayne had besproken – wist ze niet hoe ze weer opnieuw zou moeten leren om wol te spinnen en grindpaden aan te harken.

De gelagkamer, met het slecht herstelde gepleisterde plafond en de koude haarden die bijna in elkaar stortten, was dezelfde bijenkorf als bij hun aankomst. Niemand keek haar langer dan een tel aan, en zij hen nog korter. Een klein groepje wachtte haar en Elayne op. Thom en Juilin zaten op een ruwhouten bank tegen een afbladde rende, gekalkte muur bij Uno, die voor hen neerhurkte; het lange gevest van zijn zwaard stak boven zijn schouder uit. Areina en Nico la, die beiden vol verwondering rondkeken en probeerden het niet te laten merken, bezetten een ander bank met Marigan, die Birgittes poging bezag om Jaril en Seve aan het lachen te maken door on handig met drie gekleurde houten ballen van Thom te jongleren. Min zat op haar knieën achter de jongens, kietelde hen en fluisterde wat in hun oren, maar het tweetal hield elkaar stevig vast en staarde slechts met hun veel te grote kinderogen.

In het hele vertrek waren maar twee andere mensen die niet druk bezig waren. Twee van de drie zwaardhanden van Mijrelle stonden tegen de muur geleund met elkaar te praten. De achterdeur naar de keukengang was een paar pas verder. Croi Makin, een blonde, steen harde jongeman uit Andor, had een mooi profiel en Avar Hachami toonde zijn haviksneus en vierkante kin met een dikke, grijze snor als omlaag gebogen horens. Niemand zou Hachami knap noemen voordat zijn duistere blik de persoon deed slikken. Ze keken natuurlijk niet naar Thom of Juilin of iemand van de anderen. Het was toeval dat ze zomaar niets hadden te doen en dat ze zomaar net die plek daarvoor hadden uitgekozen. Toeval.

Birgitte liet een van de ballen vallen toen ze Nynaeve en Elayne zag. ‘Wat heb je hun verteld?’ vroeg ze stil, amper naar de zilveren pijl in Elaynes hand kijkend. De pijlkoker hing aan haar riem, de boog stond tegen de muur.

Nynaeve ging dichter bij haar staan en vermeed zorgvuldig te kijken naar Makin en Hachami. Even behoedzaam praatte ze zachter en niet te nadrukkelijk. ‘We hebben hun alles verteld wat ze vroegen.’ Elayne tikte Birgittes arm aan. ‘Ze weten dat je een goede vriendin bent die ons heeft geholpen. Je bent welkom om hier te blijven, net als Areina, Nicola en Marigan.’

Toen pas zakte iets van Birgittes spanning weg en besefte Nynaeve wat ze doorstond. De blauwogige vrouw pakte de gevallen gele bal op en gooide ze alle drie handig terug naar Thom, die ze met één hand uit de lucht plukte en ze in één beweging liet verdwijnen. Haar gezicht toonde een ontzettend klein, opgelucht lachje, ik kan je niet zeggen hoe blij ik ben om jullie beiden te zien,’ zei Min al minstens voor de vierde of vijfde keer. Haar haar was langer dan vroeger, al vormde het nog steeds een donker kapje. Ze leek op de een of andere manier anders, maar Nynaeve kon het niet precies benoemen. Het was verrassend dat ze bloemen op haar jas had laten borduren, terwijl ze vroeger heel eenvoudige kleren had gedragen. ‘Een vriendelijk gezicht is hier zeldzaam.’ Haar ogen flitsten kort naar de zwaardhanden. ‘We moeten ergens rustig gaan zitten en eens bijpraten. Ik kan haast niet wachten om te horen wat er is gebeurd nadat jullie uit Tar Valon zijn vertrokken.’ Maar ook om te vertellen wat haar was overkomen, of Nynaeve had het heel erg mis. ‘Ik zou ook graag met jou willen praten,’ zei Elayne ernstig. Min keek haar aan, zuchtte en knikte, maar leek wat minder gretig dan zojuist.