Выбрать главу

Thom, Juilin en Uno kwamen achter Birgitte en Min aanlopen en hun gezichten toonden de uitdrukking die mannen hebben wanneer ze iets willen zeggen waarvan ze denken dat vrouwen het liever niet willen horen. Voor ze echter hun monden open konden doen, duw de een vrouw met krulletjes in de kleding van een Aanvaarde zich tussen Juilin en Uno door, keek hen woedend aan en stelde zich voor Nynaeve op.

Faolains kleed met aan de zoom de zeven kleurbanden van de zeven Ajahs was niet zo schoon als het zou moeten zijn en haar donkere gezicht stond nors. ‘Het verbaast me jou hier te zien, wilder. Ik dacht dat je naar je dorpje was gevlucht en onze mooie erfdochter naar haar moeder was gerend.’

‘Vind je het nog steeds leuk de melk zuur te maken, Faolain?’ vroeg Elayne.

Nynaeve bleef opgewekt kijken. Met moeite. Tweemaal was Faolain in de Toren opgedragen haar iets te leren. Om haar op haar plaats te zetten volgens haar. Wanneer lerares en leerlinge beiden Aanvaarden waren, had de lerares voor de duur van de les de rang van Aes Sedai, en Faolain had daar gretig gebruik van gemaakt. De vrouw was acht jaar Novice geweest en daarna vijf jaar Aanvaarde. Ze had het niet fijn gevonden dat Nynaeve nooit Novice was geweest en dat Elayne het wit nog geen jaar had gedragen. Twee lessen van Faolain hadden Nynaeve tweemaal in Sheriams kamer doen belanden, met een armlange klachtenlijst die onder meer koppigheid en boze buien vermeldde. Opzettelijk luchtig zei ze: ik heb gehoord dat Siuan en Leane door iemand slecht zijn behandeld. Ik dacht dat Sheriam van plan was een voorbeeld te stellen om er voorgoed een eind aan te maken.’ Ze bleef de ander recht aankijken en Faolains ogen werden groot van schrik.

‘Ik heb niets gedaan nadat Sheriam...’ Faolains mond klapte dicht en ze werd bloedrood. Min hield haar hand voor haar mond. Faolain keek wild rond en nam de andere vrouwen op, vanaf Birgitte tot Ma rigan. Ze gebaarde bruusk naar Nicola en Areina. ‘Voor nu, jullie twee, denk ik. Kom mee. Nu. Geen getreuzel.’ Ze stonden langzaam op. Areina keek behoedzaam, Nicola frommelde aan haar kleding. Elayne ging tussen hen en Faolain staan, haar kin hoog en haar ogen gebiedend en ijzig blauw. ‘Wat ben je met ze van plan?’

‘Ik voer een opdracht van Sheriam Sedai uit,’ antwoordde Faolain.

‘Ik vind dat ze te oud zijn om te worden beproefd, maar ik gehoorzaam. Een zuster vergezelt de inlijvingsgroepen van heer Garet Brin om vrouwen te beproeven die even oud zijn als Nynaeve.’ Haar on verwachte glimlach zou een adder niet misstaan. ‘Zal ik Sheriam Sedai inlichten dat jij het afkeurt, Elayne? Zal ik haar vertellen dat je het niet goed vindt dat je dienaressen worden beproefd?’ Bij die woorden zakte Elaynes kin, maar ze kon natuurlijk niet ineens inbinden. Faolain moest afgeleid worden.

Nynaeve tikte de Aanvaarde op de schouder. ‘Hebben ze er veel gevonden?’

Onwillekeurig keek de vrouw om en zodoende kon Elayne Nicola en Areina geruststellen en uitleggen dat hun niets zou gebeuren en dat ze nergens toe gedwongen zouden worden. Nynaeve zou het anders hebben gesteld. Wanneer de Aes Sedai iemand vonden bij wie de vonk tot geleiden was aangeboren, zoals bij Egwene en Elayne, iemand die uiteindelijk zou geleiden of ze het nu wilde of niet, ver telden ze heel openlijk dat ze haar naar de opleiding stuurden voor alles wat ze maar zou willen. Ze leken inschikkelijker voor hen die geoefend konden worden, maar zonder de lessen nooit zouden kunnen geleiden, en voor de zogenaamde wilders. De vrouwen die het overleefd hadden – een op de vier – en het geleiden zelf ontwikkel den, wisten niet wat ze deden en hadden vaak in bepaalde opzichten een geestelijk blok, zoals Nynaeve. Men zei dat ze mochten kiezen om in de Toren te blijven of weg te gaan. Nynaeve had voor de Toren gekozen, maar vermoedde dat ze bij een afwijzing eventueel aan handen en voeten gebonden toch naar de Toren zou zijn gebracht. De Aes Sedai gaven ook vrouwen met de minste kansen evenveel keus als een lammetje op een feestdag.

‘Drie,’ zei Faolain even later. ‘Zoveel moeite en slechts drie. Waar van één wilder.’ Ze had een diepe afkeer van wilders. ‘Ik weet niet waarom ze zo graag nieuwe Novices willen vinden. De Novices die we hebben, kunnen niet tot Aanvaarden verheven worden tot we de Toren terugwinnen. Het is allemaal de schuld van Siuan Sanche, van haar en Leane.’ Een spiertje trok in haar wang, alsof ze besefte dat dit als een nare opmerking over de vroegere Amyrlin en haar Hoed ster kon worden opgevat, en ze pakte Nicola en Areina bij een arm beet. ‘Kom mee. Ik gehoorzaam en als jullie beproefd moeten worden, dan worden jullie beproefd, of het nou tijd verknoeien is of niet.’

‘Een nare vrouw,’ mompelde Min, uit haar ooghoeken naar Faolain kijkend toen ze de twee vrouwen uit de gelagkamer joeg. ‘Je zou toch denken dat ze een onplezierige toekomst zou moeten hebben, als er enige gerechtigheid bestond.’

Nynaeve wilde Min vragen wat ze had gezien in haar visioen van Faolain – ze wilde haar honderden vragen stellen – maar Thom en de andere twee mannen plantten zich stevig voor haar en Elayne neer. Juilin en Uno zodanig aan weerszijden van Thom dat het drietal alles in de gaten kon houden. Birgitte leidde de twee jongetjes naar hun moeder en zorgde ervoor dat ze hier niet bij betrokken werd. Aan haar meelevende blik te zien, wist Min ook wat de mannen wil den. Ze leek iets te willen zeggen, maar haalde uiteindelijk haar schouders op en voegde zich bij Birgitte.

Aan Thoms gezicht te zien wilde hij iets gaan vertellen over het weer of vragen wat ze gingen eten. Niets belangrijks. ‘Het stikt hier van de gevaarlijke gekken en dwazen. Ze denken dat ze Elaida kunnen afzetten. Daarom is Garet Brin ook hier. Om een leger op te richten.’ Juilins grijns spleet zijn gezicht bijna in tweeën. ‘Geen dwazen! Waan zinnigen, zowel vrouwen als mannen. Het kan me niet schelen of Elaida er was op de dag dat Logain werd geboren. Ze zijn gek als ze denken dat ze vanaf hier een Amyrlin van de zetel in de Witte Toren kunnen stoten. We kunnen best binnen een maand in Cairhien zijn.’

‘Ragan en enkele anderen hebben de paarden die we moeten lenen al uitgezocht.’ Ook Uno stond te grijnzen. Het leek in het geheel niet te passen bij dat woeste rode oog op zijn ooglapje. ‘De wachten staan zo opgesteld dat ze de mensen die aankomen kunnen zien, maar niet de mensen die vertrekken. We kunnen ze in het woud kwijtraken. Het is gauw donker en dan vinden ze ons nooit.’ Toen de vrouwen bij de rivier hun Grote Serpent-ringen weer hadden omgedaan, had dat een merkwaardig gevolg op zijn taal gehad. Hoewel hij dat weer goed scheen te maken als ze het volgens hem niet konden horen. Nynaeve keek Elayne aan, die licht haar hoofd schudde. Elayne zou alles slikken om Aes Sedai te worden. En zijzelf? Er was weinig kans dat ze deze Aes Sedai kon overhalen om Rhand te steunen, als ze al hadden besloten dat ze hem wilden overheersen. Er was géén kans; ze kon beter met twee voeten op de grond blijven staan. En toch... Hier deden ze aan Heling. In Cairhien zou ze daarover niets leren, maar hier... Nog geen tien stappen verder zat Therva Maresis, een slanke Gele met een lange neus, met haarpen ordelijk een lijst op een perkament af te vinken. Een kale zwaardhand met een zwarte baard overlegde bij de deur met Nisao Dachen en stak met kop en schouders boven haar uit, hoewel ze niet zo klein was. Voor een van de haarden sprak Dagdara Finsche, even breed als elke man hier en langer dan de meesten, een groep Novices toe en stuurde ze een voor een met een boodschap weg. Nisao en Dagdara waren ook van de Gele Ajah; men zei dat Dagdara met haar grijze haar – wat erop duidde dat ze behoorlijk oud was, zelfs voor een Aes Sedai – meer van Heling wist dan twee anderen bij elkaar. Niet dat het enig nut zou hebben als ze naar Rhand ging. Ja, ze kon toekijken hoe hij krankzinnig werd. Als ze meer over Heling leerde, kon ze misschien een manier vinden om de gekte tegen te gaan. De Aes Sedai lieten veel te veel zaken als hopeloos liggen dan haar lief was. Dit alles flitste door haar hoofd in de tijd die het kostte na Elayne de mannen weer aan te kijken. ‘Wij blijven hier, Uno. Als jij en de anderen naar Rhand willen, dan staat je dat vrij, wat mij betreft. Ik vrees dat ik geen geld meer heb om je te helpen.’ Het goud dat de Aes Sedai hadden ingenomen, was inderdaad nodig, maar onwille keurig kromp ze in elkaar als ze aan de paar penners in haar beurs dacht. Deze mannen hadden haar, en Elayne natuurlijk, gevolgd om allerlei verkeerde redenen, maar dat ontsloeg haar niet van haar ver antwoordelijkheid. Zij waren Rhand trouw en hadden geen reden zich in het gevecht om de Witte Toren te mengen. Met een blik op het vergulde kistje voegde ze er aarzelend aan toe: ‘Maar ik heb wel enkele dingen die jullie onderweg ergens kunnen verkopen.’