‘Ik weet een weinig gebruikte waterpoel,’ zei ze zachtjes, ‘waar we aan deze hitte kunnen ontsnappen. Een beschutte poel waar niets ons kan storen.’ Onder de vierkante doorgangen achter hen zweefde Asmodeans harpmuziek naar buiten. Iets wat licht en koel klonk. Rhand trok wat heviger aan zijn pijp. De hitte. Vergeleken met de Woestenij had het weinig te betekenen, maar... Het najaar had al door moeten zetten, maar de middag voelde alsof het hoog zomer was. Een zomer zonder regen. Mannen in hemdsmouwen gaven uit emmers de planten water; laat, om verdamping zoveel mogelijk tegen te gaan, maar toch waren er te veel planten bruin of stervend. Dit weer was niet natuurlijk. De brandende zon dreef de spot met hem. Moiraine en Asmodean waren het met hem eens, maar geen van beiden wisten wat eraan gedaan kon worden, net zomin als hij. Sammael. Aan Sammael kon hij iets doen.
‘Koel water,’ mompelde Selande, ‘en jij en ik daar alleen.’ Ze kroop nog dichter tegen hem aan, al was het hem een raadsel hoe ze dat klaarspeelde.
Hij vroeg zich af wanneer de volgende uitdaging zou komen. Hij zou er niet onbeheerst op afgaan, wat Sammael ook mocht doen. Als hij eenmaal de orde in Cairhien had hersteld, zou hij als de bliksem toe slaan. Een verpletterende slag om een eind aan Sammael te maken en tegelijk Illian aan zijn last toe te voegen. Met Illian, Tyr en Cairhien achter hem, plus een krijgsmacht van Aielkrijgers die groot genoeg was om elke natie in enkele weken te overweldigen, kon hij... ‘Heb je geen zin om lekker te gaan zwemmen? Zelf kan ik het niet zo goed, maar jij wilt het me toch wel leren?’ Rhand zuchtte. Heel even wilde hij dat Aviendha hier was. Nee, een Selande onder de krabben en blauwe plekken en met kapotge scheurde kleren was het laatste dat hij wilde.
Hij kneep zijn ogen half dicht, keek op haar neer en zei, met de pijp in zijn mond, weloverwogen: ik kan geleiden.’ Ze knipperde met haar ogen en probeerde zich zonder een spier te bewegen terug te trekken. Ze begrepen nooit waarom hij het erover had; voor hen was het iets waar je niet op lette, wat je zo goed mogelijk negeerde. ‘Ze zeggen dat ik krankzinnig ga worden. Maar ik ben nog niet krank zinnig. Nog niet.’ Hij grinnikte diep in zijn keel, brak het abrupt af en keek nietszeggend. ‘Jou leren zwemmen? Ik kan je met de Kracht laten drijven. Weet je dat saidin besmet is? Aangeraakt door de Duistere? Maar jij zult dat niet voelen. Het zal overal om je heen aan wezig zijn, maar jij zult er niets van voelen.’ Weer enig gegrinnik, nu ietwat piepend. Haar donkere ogen konden niet groter en niet ronder worden en haar glimlach was ziekelijk verstard. ‘Goed. Later. Ik moet wat nadenken...’ Hij boog zich voorover alsof hij haar wilde kussen en met een gilletje maakte ze zo snel een knix dat hij aan vankelijk dacht dat haar knieën het begaven.
Ze schoof haastig achteruit, bij iedere stap een knix makend, snel iets babbelend over de eer hem te dienen, over haar diepste verlangen hem te dienen, dat alles over haar toeren tot ze tegen een van de stenen doorgangen botste. Met een laatste halve kniebuiging schoot ze snel naar binnen.
Grijnzend draaide hij zich weer om naar de balkonleuning. Vrouwen bang maken. Ze zou zich hebben verontschuldigd als hij haar had verzocht weg te gaan, zou die opdracht hebben opgevat als een kleine tegenslag, tenzij hij haar recht in het gezicht had gezegd zich niet meer te vertonen, maar zelfs dan... Misschien zou dit nieuwtje zich nu wel verspreiden; hij moest zijn goede stemming zien vast te hou den; de laatste tijd werd hij te snel boos. Het was de droogte waar hij niets aan kon doen. Waar hij ook keek, overal sprongen de pro blemen als onkruid omhoog. Enkele ogenblikken was hij alleen, hij met zijn pijp. Wie zou willen regeren wanneer je gemakkelijker werk kon doen, zoals water in een zeef een helling opdragen? Over de tuin heen, tussen twee getrapte torens van het koninklijk pa leis door, had hij uitzicht over Cairhien, over de felle lichtvlakken en diepe schaduwen die de heuvels meer hadden geknecht dan gevolgd. Zijn vuurrode banier met het oeroude Aes Sedai-teken hing slap aan een van de twee torenspitsen, een nagemaakte Drakenbanier aan de andere toren. Die laatste wapperde op een tiental andere plaatsen in de stad, waaronder de hoogste van de niet-voltooide torens recht voor hem. Hier had geschreeuw even weinig geholpen als een recht streeks bevel. Noch de Tyreners, noch de Cairhienin konden geloven dat hij er echt maar één wilde en de Aiel gaven al helemaal niet om banieren.
Zelfs nu, heel diep in het paleis, kon hij het geroezemoes van de over volle stad horen. Vluchtelingen uit alle hoeken van het land, die banger waren om naar huis en haard terug te keren dan om de Herrezen Draak bij hen in de buurt te hebben. Kooplieden die binnendruppelden en verkochten wat mensen zich konden veroorloven en kochten wat mensen zich niet meer konden veroorloven. Heren en gewapen de mannen die zich achter zijn banier of elke andere banier schaarden. Jagers op de Hoorn die meenden dat die in zijn buurt gevonden moest worden, en tientallen Voorpoorters waren bereid hem aan ieder van hen te verkopen. Steenhouwers van de Ogier uit stedding Tsofu om te zien of er met hun befaamde kunde iets viel op te knappen. Avonturiers die misschien een week geleden nog struikrovers waren, kwamen de stad in om te kijken of er iets van hun gading te vinden was. Er was zelfs een honderdtal Witmantels geweest, hoewel die weer weg waren gegaloppeerd toen duidelijk was dat de stad niet meer werd belegerd. Had Pedron Nials terugroeping van de Witmantels iets met hem te maken? Egwene gaf allerlei aanwijzingen, maar bezag de kwesties steeds vanuit het gezichtspunt van de Witte Toren. En het standpunt van de Aes Sedai was niet zijn standpunt. Gelukkig begonnen de karavanen met graan weer met enige regel maat uit Tyr binnen te komen. Hongerige mensen konden in opstand komen. Hij had graag gewild dat hij gewoon blij had kunnen zijn dat ze geen honger meer hadden, maar zo lag het niet. Er waren min der bandieten. En de burgeroorlog was niet voortgezet. Nog niet. Meer goed nieuws. Hij moest er zeker voor zorgen dat het zo bleef, voor hij kon vertrekken. Honderden zaken moesten geregeld worden voor hij Sammael kon aanpakken. Alleen Rhuarc en Bael waren nog hier; de enige stamhoofden van hen die vanuit Rhuidean met hem waren opgetrokken en die hij echt vertrouwde. Maar als de vier stammen die zich zo laat bij hem hadden aangesloten niet voor de tocht naar Tyr vertrouwd konden worden, kon hij ze dan zomaar in Cairhien achterlaten? Indirian en de anderen hadden hem erkend als de car’a’carn, maar zij kenden hem even goed als hij hen kende. Het bericht van vanmorgen kon een mogelijk probleem opleveren. Berelain, de Eerste van Mayene, bevond zich op slechts een paar honderd span van de stad en was met haar legertje onderweg om zich bij hem aan te sluiten. Hij had geen enkel idee hoe het haar gelukt was dwars door Tyr te trekken. Vreemd genoeg had ze in haar brief gevraagd of Perijn bij hem was. Ongetwijfeld was ze bang dat Rhand haar kleine landje zou vergeten. Het zou heel leuk zijn om haar de degens met de Cairhienin te zien kruisen. Zij was de laatste in een lange lijn van Eersten die door een goede beheersing van het Spel der Huizen hadden kunnen voorkomen dat Tyr hun landje opslokte. Als hij haar misschien hier de leiding gaf... Hij zou Meilan en de anderen met zich meenemen als de dag aanbrak. Als die ooit zou aanbreken. Dit alles was niet veel beter dan wat binnen op hem wachtte. Hij klopte de tabak uit zijn pijp en doofde met zijn zool de laatste vonken. Het had geen zin het risico te lopen dat de tuin als een fakkel in brand zou schieten. De droogte. Het onnatuurlijke weer. Hij besefte dat hij inwendig tierde. Eerst maar de zaken afhandelen die hij kon aanpakken. Het kostte hem moeite een effen gezicht te trekken voor hij naar binnen liep.