Asmodean, in de ene hoek, even fraai gekleed als een heer, met vele lagen kant aan de kraag, tokkelde een kalmerend lied op zijn harp en leunde tegen de donkere, strenge lambrizering alsof hij daar wat ontspannen rondhing. De anderen in de stoelen schoten bij Rhands binnenkomst omhoog en lieten zich op zijn gebaar weer zakken. Meilan, Torean en Aracome bezetten met de hand gesneden, vergulde ze tels aan de ene kant van het dieprode tapijt met goudweefsel en ie der had een Tyreense jonge heer achter zich staan. Zo vormden ze een spiegelbeeld van de Cairhienin aan de andere kant van het tapijt. Dobraine en Maringil hadden ieder ook een jonge heer achter zich. De voorkant van hun schedel was kaalgeschoren en gepoederd, net als bij Dobraine. Naast Colavaere stond Selande er wat bleekjes bij. Ze beefde toen Rhand in haar richting keek. Hij trok een niets zeggend gezicht en beende over het tapijt naar zijn eigen stoel. Het was het laatste geschenk van Colavaere en de andere twee, in een stijl die zij Tyreens vonden. Hij moest volgens hen wel van Tyreense praal houden, want hij heerste over Tyr en had Tyreners hierheen gezonden. Draken vormden de poten, allevier felrood met goud, email en goudbeslag en grote zonnestenen als ogen. Twee draken vormden de armleuningen en andere klommen langs de rug omhoog. Onmogelijk veel ambachtslieden moesten na zijn komst dag en nacht hebben doorgewerkt om dit ding te maken. Hij voelde zich dwaas als hij erop zat. Asmodeans muziek was veranderd en klonk nu in drukwekkend als een triomfmars.
Er lag behoedzaamheid in de donkere Cairhiense ogen die hem volg den; een behoedzaamheid die zich bij de Tyreners weerspiegelde. Dat was, voor hij naar buiten ging, ook al zichtbaar geweest. Misschien hadden ze bij hun pogingen om zich in zijn gunst te dringen een fout gemaakt, die nu langzaam bij hen begon te dagen. Allemaal hadden ze geprobeerd te negeren wie hij was, hadden ze net gedaan of hij een jonge heer was die hen had overwonnen, maar wel iemand die ze konden leiden en sturen. Die stoel, die troon, maakte hun duidelijk wie en wat hij was.
‘Trekken de soldaten volgens plan op, heer Dobraine?’ Zodra hij zijn mond opendeed, zwakte het harpspel af. Asmodean ging blijkbaar geheel in zichzelf op.
De man met de verweerde huid glimlachte. ‘Dat doen ze, Heer Draak.’ Meer niet. Rhand maakte zichzelf niet wijs dat Dobraine hem meer mocht dan de anderen, of dat hij zijn eigen voordeel niet zou najagen als hij de kans kreeg. Maar Dobraine leek echt bereid zich aan zijn gezworen eed te houden. De kleurige splitten in de voor kant van zijn jas waren versleten door de kuras die hij eroverheen gespte.
Maringil schoof naar voren in zijn stoel, zo mager als een zweep en lang voor een Cairhienin. Zijn witte haren reikten bijna tot de schouders. Zijn voorhoofd was niet geschoren en zijn jas met splitten tot vlak boven de knie toonde geen enkele slijtplek. ‘We hebben die mannen hier nodig, mijn Heer Draak.’ De haviksogen knipperden even naar de troonstoel en richtten zich toen weer op Rhand. ‘Er zwerven nog steeds overal struikrovers rond.’ Hij verschoof weer, zodat hij de Tyreners niet hoefde te zien. Meilan en de andere twee toonden een smal glimlachje.
‘Ik heb Aiel uitgestuurd voor die bandieten,’ zei Rhand. Ze hadden bevelen alle struikroversbenden weg te vagen die hen voor de voeten kwamen. Maar ook om verder naar hun doel op te trekken en niet op zoek te gaan. Zelfs Aiel konden niet én zoeken én zich snel verplaatsen. ‘Er is mij verteld dat de Steenhonden drie dagen geleden er bijna driehonderd bij de Morelle hebben gedood.’ Dat was vlak bij de meest zuidelijke grens die door Cairhien de laatste jaren was opgeëist, ongeveer halverwege de Iralel. Dit stel hoefde niet te weten dat die Aiel nu onderhand de rivier wel zouden hebben bereikt. Ze konden grote afstanden nog sneller afleggen dan ruiters. Maringil hield echter fronsend en bezorgd aan. ‘Er is nog een andere reden. De helft van ons land ten westen van de Alquin is in handen van Andor.’ Hij aarzelde. Ze wisten allemaal dat Rhand Altor was opgegroeid in Andor, veel geruchten noemden hem de zoon van een Andoraans Huis en andere zelfs de zoon van Morgase, die ofwel was verbannen omdat hij kon geleiden ofwel was gevlucht voor hij gestild zou worden. De magere man ging verder alsof hij op zijn blo te voeten en geblinddoekt tussen dolken door moest sluipen. ‘Morgase lijkt momenteel niet op meer land uit te zijn, maar wat ze reeds heeft, moet worden herwonnen. Haar herauten hebben zelfs ver kondigd dat ze aanspraak maakt...’ Hij zweeg abrupt. Niemand van hen wist aan wie Rhand de Zonnetroon had toegedacht. Het kon Morgase zijn.
Colavaeres donkere ogen legden Rhand weer op de weegschaal; ze had vandaag maar weinig gezegd en dat zou ze ook niet doen voor ze wist waarom Selande zo wit zag.
Opeens was Rhand het zat, het gezeur van de edelen, alle handig heidjes van Daes Dae’mar. ‘De Andoraanse aanspraken op Cairhien pakken we aan wanneer ik er klaar voor ben. Die soldaten gaan naar Tyr. Jullie volgen het goede voorbeeld van hoogheer Meilan en gehoorzamen, en dat is het laatste dat ik erover wil horen.’ Hij wend de zich tot de Tyreners. ‘Jou als voorbeeld te nemen is toch goed, niet, Meilan? En jou, Aracome? Als ik morgen uitrijd, stoot ik toch niet tien span naar het zuiden op het kamp van een duizend Verdedigers, terwijl wij aannemen dat ze twee dagen geleden al naar Tyr teruggingen, hè? Of op tweeduizend krijgslieden van Tyreense Hui zen?’
Bij ieder woord werden de glimlachjes kleiner. Meilan werd heel stil, zijn donkere ogen glinsterden en Aracomes smalle gezicht werd heel bleek, maar of dat uit woede was of uit vrees viel moeilijk te zeggen. Torean depte zijn kwabbige gezicht met een zijden zweetdoek uit zijn mouw. In Tyr regeerde Rhand en dat liet hij duidelijk blijken. In het Hart van de Steen was Callandor in de grond gedreven en dat vorm de het bewijs. Daarom hadden ze zich niet verzet tegen het sturen van Cairhiense soldaten naar Tyr. Zij hadden gedacht nieuwe land goederen, misschien wel een koninkrijk, in Cairhien te verwerven, ver van de plaats waar hij regeerde.
‘Dat zult u niet, mijn Heer Draak,’ zei Meilan uiteindelijk. ‘Morgen rijd ik met u mee zodat u het met eigen ogen kunt zien.’ Rhand twijfelde daar niet aan. Zodra de man het kon regelen, zou er een boodschapper uitgestuurd worden en morgenochtend zouden die soldaten een heel eind op weg zijn naar Tyr. Dat was voldoende. Nu tenminste. ‘Dan ben ik klaar. U kunt weggaan.’ Enkelen keken geschokt en verrast, maar ze verborgen dat zo snel dat iemand kon menen het te hebben gedroomd, en toen stonden ze op, een en al buigingen en knixen. Selande en de jonge heren schoven ruggelings naar buiten. Ze hadden gedacht dat het langer zou duren. Een ontvangst bij de Drakenheer was volgens hen een lang durige marteling, waarbij hij hen vastberaden die kant opstuurde die zij moesten gaan. Dat kon de verklaring zijn waarom geen enkele Tyrener land in Cairhien kon opeisen, tenzij hij getrouwd was met iemand uit een Cairhiens Huis. Of waarom hij had geweigerd om Voorpoorters uit de stad te verbannen of vroegere wetten voor gewone burgers en boeren zo had gewijzigd dat ze nu ook voor de adel golden.
Heel even volgden zijn ogen Selande. Ze was de afgelopen tien dagen niet de eerste geweest. Niet de tiende, zelfs niet de twintigste. De eerste keer had hij zich wel gevleid gevoeld. Toen hij slanke meisjes afwees, werden ze meteen opgevolgd door volslanke, net zoals een lang of donker meisje, voor een Cairhienin in ieder geval, door kort en blond werd vervangen. Er werd voortdurend gezocht naar een meisje dat hem zou bevallen. De Speervrouwen stuurden de meisjes terug die ’s nachts zijn slaapvertrekken trachtten binnen te sluipen. Vastberaden, maar zachtaardiger dan Aviendha er een had aangepakt die zij had betrapt. Rhand was Elaynes bezit en dat vatte Aviendha blijkbaar met bijna dodelijke ernst op. Toch leek haar Aielgevoel voor humor het heel leuk te vinden hem te pijnigen. Hij had de vol doening op haar gezicht gezien toen hij kreunend zijn ogen afwend de terwijl zij zich ’s nachts uitkleedde. Hij had haar dodelijke ernst kunnen afkeuren, als hij niet snel had begrepen welke bedoeling er achter die reeks aantrekkelijke meisjes stak. ‘Mijn vrouwe Colavaere.’