Ze bleef staan zodra hij haar naam noemde, met koele ogen en kalm onder haar ingewikkelde torenhoge kapsel van zwarte krullen. Se lande moest nu ook blijven, hoewel ze dat duidelijk even onwillig deed als de anderen vertrokken. Eindelijk verdwenen Meilan en Maringil met een buiging, terwijl ze gespannen naar Colavaere loerden en probeerden uit te zoeken waarom haar was gezegd te blijven. Ze beseften daardoor niet eens dat ze vlak naast elkaar stonden. Hun ogen waren hetzelfde: donker en roofzuchtig. De deur met donkere panelen sloot zich. ‘Selande is een heel leuke jonge vrouw,’ zei Rhand, ‘maar sommigen geven de voorkeur aan het gezelschap van een meer volwassen... meer ontwikkelde vrouw.
U zult vanavond alleen met mij aan de dis zitten, wanneer Aventwee wordt geluid. Ik zie met genoegen naar dit plezier uit.’ Hij wuifde haar weg voor ze iets kon zeggen, als ze dat tenminste had gekund. Haar gezicht veranderde niet, maar haar kniebuiginkje was enigszins onvast. Selande leek volkomen verbijsterd en oneindig opgelucht. Toen de deur zich ten slotte achter de twee vrouwen had gesloten, barstte Rhand met zijn hoofd achterover in een luide schaterlach uit, een rauw en honend gelach. Hij was het Spel der Huizen moe, dus speelde hij het zonder veel nadenken. Hij verafschuwde het dat hij een vrouw bang had gemaakt, dus joeg hij een andere vrees aan. Dat was reden genoeg om te lachen. Colavaere had die reeks jonge vrouwen uitgezocht die zich aan zijn voeten hadden geworpen. Zoek een bedgenoot voor Rhand Altor, een jonge vrouw die zij aan de touwtjes had, waarna Colavaere Rhand zelf aan een stevig touw kon vast leggen. Maar zij vond dat een andere vrouw zijn bed mocht delen, een die daarna misschien wel met de Herrezen Draak kon trouwen. Tot aan Aventwee zou ze blijven zweten. Ze zou best weten dat ze knap was, zowat de mooiste, en als hij alle jonge vrouwen afwees die zij had gestuurd, kwam dat misschien omdat hij iemand wilde die zo’n vijftien jaar ouder was. En ze zou weten dat zij geen nee kon zeggen tegen de man die Cairhien in zijn greep hield. Vanavond zou hij beminnelijk aan deze idiote toestand een eind maken. Aviendha zou waarschijnlijk iedere vrouw de hals afsnijden die ze in zijn bed aantrof. Bovendien had hij geen tijd voor al die schrikachtige duifjes die meenden zich voor Cairhien en Colavaere te moeten opofferen. Hij moest te veel problemen oplossen. Licht, en wat doe ik als Colavaere het offer de moeite waard acht? Misschien vond ze dat wel. Ze was in ieder geval koelbloedig genoeg. Dan zal ik ervoor moeten zorgen dat haar koelbloedigheid om slaat in vrees.
Dat zou niet moeilijk zijn. Hij kon saidin voelen als iets dat net buiten zijn gezichtsveld lag. Hij kon de smet erop voelen. Soms meende hij dat hij de smet ook in zichzelf voelde, een sme righeid die saidin in hem achterliet.
Hij merkte dat hij Asmodean woest zat aan te kijken. De man leek hem schattend op te nemen met een uitdrukkingsloos gezicht. De muziek klonk weer op, als kabbelend water over rotsen, kalmerend. Dus hij moest gekalmeerd worden, hè?
De deur ging open zonder dat er geklopt was. Moiraine, Egwene en Aviendha kwamen binnen, waarbij de Aielkledij van de jongere vrouwen het lichte blauw van de Aes Sedai omlijstte. Voor ieder ander, zelfs voor Rhuarc of een ander stamhoofd uit de buurt van de stad, of zelfs voor een groep Wijzen zou een Speervrouwe zijn binnenge komen om hen aan te kondigen. Dit drietal mocht zomaar doorlopen, zelfs als hij in bad zat. Egwene wierp een blik op Natael en trok een gezicht, waarna de muziek zachter werd, heel even verfijnd, miscchien wel een dans, voor deze overging in zuchtende windbriesjes. De man keek met een scheve glimlach naar zijn harp. ‘Het verbaast me jou te zien, Egwene,’ zei Rhand, een been over de leuning zwaaiend. ‘Eens kijken... is het nu alweer zes dagen dat je me ontwijkt? Breng je me nog meer goed nieuws? Heeft Masema in mijn naam Amador veroverd? Of zijn de Aes Sedai die mij volgens jou steunen, Zwarte Ajah geworden? Merk je dat ik je niet vraag wié het zijn of waar ze zijn? En zelfs niet eens hoe ik het weet? Ik vraag je niet Aes Sedai-geheimen te onthullen of geheimen van de Wijzen of van wie dan ook. Geef me alleen maar de snippertjes die jij weg wilt gooien, en gun mij de zorg of een van je geheimen me ’s nachts overhoop wil steken.’
Ze keek hem kalm aan. ‘Je weet wat je weten moet. En ik ga je niet vertellen wat je niet hoeft te weten.’ Datzelfde had ze zes dagen geleden gezegd. Ze was evenzeer een Aes Sedai als Moiraine, al droeg zij Aielkleding en was de andere in blauwe zijde gekleed. Aan Aviendha was weinig kalms te ontdekken. Ze ging met vlam mende groene ogen schouder aan schouder staan met Egwene en haar rug was zo stijf dat die wel van ijzer kon zijn. Hij was min of meer verbaasd dat Moiraine er niet naast ging staan, zodat ze hem alle drie woest konden aanstaren. Haar belofte naar hem te luisteren leek een verbazingwekkende speelruimte over te laten en na zijn ruzie met Egwene leek het drietal zich steeds meer verbonden te voelen. Zo’n erge ruzie was het trouwens ook niet geweest, want echte ruzie was niet mogelijk als een vrouw je alleen maar koel aankeek, geen enkele keer begon te schreeuwen en na een keer een antwoord geweigerd te hebben, zelfs niet reageerde als je de vraag opnieuw stelde. ‘Wat willen jullie?’ zei hij.
‘Deze zijn het afgelopen uur voor jou bezorgd,’ zei Moiraine en ze stak hem twee gevouwen papieren toe. Haar stem leek zich aan te sluiten bij de gongklanken van Asmodeans harp. Rhand stond op om ze achterdochtig aan te pakken. ‘Als ze voor mij zijn, hoe kom jij er dan aan?’ De een was gericht aan Rhand Altor, in een precies, rechtopstaand handschrift, en de ander aan de Heer Herrezen Draak, in schuine vloeiende letters, maar even precies. De zegels waren niet verbroken. Toen hij nogmaals keek, knipperde hij verbaasd met zijn ogen. De zegels leken van dezelfde rode was, de een toonde de vlam van Tar Valon, de ander een toren op wat hem het eiland Tar Valon leek.
‘Misschien vanwege de plaats,’ antwoordde Moiraine, ‘en vanwege de afzenders.’ Het was geen verklaring, maar meer zou hij niet horen, tenzij hij het eiste, maar ook dan zou hij het woord voor woord uit haar moeten trekken. Ze hield zich aan haar belofte, maar op haar eigen manier, in de zegels zitten geen gifnaalden. Er zit geen valstrik in verweven.’
Zijn duim lag op het zegel met de vlam, en hij hield even in – daar had hij niet aan gedacht – maar verbrak het toen. Er stond een tweede vlam in rode was naast de snel gekrabbelde handtekening van Elaida do Avriny a’Roihan boven haar titels. De rest was weer in het rechte schrift.
Het kan niet ontkend worden dat jij degene bent die voorzegd is, niettemin zullen velen trachten je te vernietigen voor wat je verder bent. Omwille van de wereld kan dit niet toegestaan worden. Naast de wilde Aiel hebben twee naties de knie voor je gebogen, maar de macht van tronen is als stof naast de Ene Kracht. De Witte Toren zal je beschutten en beschermen tegen hen die weigeren te zien wat moet zijn. De Witte Toren wil dat je voor Tarmon Gai’don in leven blijft. Niemand anders kan daarvoor zorgen. Een gezantschap Aes Sedai zal je naar Tar Valon begeleiden met de eer en achting die je verdient. Dit alles betrouw ik je.
‘Ze vraagt het niet eens,’ zei hij grimmig. Hij herinnerde zich Elaida nog goed van die keer dat hij haar had ontmoet. Die vrouw was zo hard dat Moiraine er een jong poesje bij leek. De ‘eer en achting’ die hij verdiende... Hij wilde wedden dat het Aes Sedai-gezantschap toevallig uit dertien geleidsters zou bestaan.
Hij gaf Elaida’s brief weer aan Moiraine terug en maakte de andere open. Het blad was in hetzelfde handschrift als buitenop stond.
In de grootste achting smeek ik nederig me bekend te mogen maken aan u, aan de grote heer, de Herrezen Draak, de door het Licht gezegende ter redding van de wereld. De gehele wereld dient u in bewondering te aanschouwen, u, die Cairhien in één dag veroverde, net als Tyr. Wees echter waakzaam, verzoek ik u, want uw stralende pracht zal afgunst wekken, zelfs bij hen die niet onder de Schaduw verkeren. Ook hier in de Witte Toren zijn er die blind zijn en uw ware uitstraling, die ons allen zal verlichten, niet kunnen zien. Weet echter dat sommigen zich verheugen in uw komst en ons zullen verblijden uw roem te kunnen dienen. Wij behoren niet tot degenen die zich uw luister willen toe-eigenen, maar eerder tot hen die neerknielen om zich te koesteren in uw schittering. U zult de wereld redden, volgens de Voorspellingen, en de wereld zal u behoren.