Выбрать главу

‘Je kunt alles zeggen in Nataels aanwezigheid,’ zei Rhand, ‘Hij is per slot van rekening de speelman van de Herrezen Draak.’ Als haar verhaal echt geheim moest blijven, zou ze volhouden en dan zou hij Natael wegsturen, hoewel hij de man graag binnen zijn bereik hield. Egwene snoof hardop en schoof de sjaal om haar schouders goed. ‘Je hoofd is opgezwollen als een overrijpe meloen, Rhand Altor.’ Ze zei het op vlakke toon, alsof het een feit was. Buiten de leegte borrelde boosheid. Niet om wat ze had gezegd. Als kind al placht ze hem op z’n plaats te zetten, of hij het nu verdiende of niet. Maar de laatste tijd had hij de indruk dat ze met Moiraine was gaan samenwerken om te proberen hem uit z’n evenwicht te krijgen, zodat de Aes Sedai hem die kant op kon duwen die zij wenste. Toen ze jonger waren, voor ze hadden ontdekt wat hij was, hadden Egwene en hij gedacht dat ze eens zouden trouwen. Nu had ze Moiraines kant gekozen, tegen hem.

Met een hard gezicht en ruwer dan hij van plan was, zei hij: ‘Vertel me wat je wilt, Moiraine. Vertel het me hier en nu, of laat anders maar zitten, tot ik tijd voor jullie heb vrijgemaakt. Ik heb het erg druk.’ Dat was een regelrechte leugen. Het grootste gedeelte van zijn tijd oefende hij het zwaardvechten met Lan of het speergevecht met Rhuarc, of, met beiden, hoe hij met handen en voeten moest vechten. Maar als er vandaag ook maar enige druk moest worden uitgeoefend, dan zou hij dat doen. Natael mocht alles horen. Bijna alles. Zolang Rhand maar op elk moment van de dag wist waar hij was. Moiraine en Egwene keken hem fronsend aan, maar de echte Aes Sedai leek tenminste op te merken dat hij ditmaal niet omgepraat kon worden. Ze wierp een blik op Natael, haar mond verstrakte – de man leek nog helemaal in zijn muziek op te gaan – en pakte toen een in grijze zijde gewikkeld pakje uit haar riembuidel. Ze vouwde het open en legde de inhoud op tafeclass="underline" een schijf zo groot als een mannenhand. De helft was diepzwart, de andere helft puur wit, waarbij de grens tussen de twee vlakken werd gevormd door een kronkelige lijn die twee tranen leek te vormen. Dat was voor het Breken het teken van de Aes Sedai geweest, maar deze schijf betekende meer. Er waren er maar zeven van gemaakt en ze hadden gediend als zegels op de kerker van de Duistere. Beter gezegd: elke schijf was een richtpunt voor één zegel. Moiraine pakte het mesje van haar gordel, waarvan het gevest omwikkeld was met zilverdraad, en schraapte voorzichtig langs de rand van de schijf. Een kleine, diepzwarte splinter viel eraf.

Zelfs in de leegte gehuld snakte Rhand naar adem. De leegheid zelf trilde en heel even dreigde de Kracht hem te overweldigen, is dit na maak? Bedrog?’

‘Ik heb hem op het plein beneden gevonden,’ zei Moiraine. ‘Maar hij is echt. De schijf die ik uit Tyr heb meegenomen, is net zo.’ Op de zelfde manier had ze ook kunnen zeggen dat ze ’s middags samen met Egwene erwtensoep wilde eten, maar aan de andere kant hield ze haar sjaal stevig om zich heen alsof ze het koud had. Rhand voelde zelf de tentakels van vrees langs het oppervlak van de leegte glijden. Het kostte hem moeite saidin los te laten, maar hij dwong zichzelf het te doen. Als hij er niet goed op lette, kon de Kracht hem ter plekke vernietigen en hij wilde deze kwestie alle aandacht geven. Niettemin voelde hij het ondanks de smet als een verlies. Dat die scherf op tafel lag, was onmogelijk. De schijven waren van cuendillar, van hartsteen, en dat kon niet gebroken worden, zelfs niet door de Ene Kracht. Elke kracht die erop werd uitgeoefend, maak te het nog sterker. De kunst van het maken van hartsteen was tijdens het Breken van de Wereld verloren gegaan, maar alle hartstenen voor werpen uit de Eeuw der Legenden bestonden nog steeds, zelfs de teerste vaas, zelfs als het Breken ze naar de bodem van de Oceaan had laten zinken of onder een berg had begraven. Zeker, drie van de ze ven schijven waren al gebroken, maar daar was wel meer dan een mes voor nodig geweest.

Nu hij er over nadacht: hij wist niet hoe die drie feitelijk waren gebroken. Als alleen de kracht van de Schepper hartsteen kon breken, dan was het afgelopen.

‘Hoe?’ vroeg hij, verbaasd dat zijn stem nog steeds niet trilde, alsof hij nog steeds in de leegte verkeerde.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde Moiraine, uiterlijk even kalm. ‘Maar je ziet het probleem. Een val van de tafel kan dit zegel al breken. Als de andere zegels, waar ze ook mogen zijn, net zo zijn, dan kunnen vier man met een moker de kerker van de Duistere weer openen. Niemand weet toch hoe sterk een zegel in deze toestand is?’ Rhand begreep het.

Ik ben nog niet klaar. Hij wist niet eens of hij ooit klaar zou zijn, maar op dit moment was hij het zeker niet. Egwene stond te kijken alsof ze in haar eigen open graf staarde. Moiraine wikkelde het zegel weer in de zijde en stopte het terug in haar riembuidel. ‘Misschien kan ik nog iets bedenken voor ik dit pak je naar Tar Valon breng. Als we het waarom weten, kunnen we er misschien iets aan doen.’

Opeens zag hij het beeld van de Duistere die vanuit Shayol Ghul op nieuw naar buiten reikte en uiteindelijk was losgebroken. In gedachten zag hij vuur en duisternis de wereld bedekken, met lichtlo ze vlammen die alles verteerden, een zwart zo hard als steen, dat de lucht samenperste. Omdat hij daaraan dacht, duurde het even voor Moiraines opmerking tot hem doordrong. ‘Ben je van plan er zelf heen te gaan?’ Hij had gedacht dat ze aan hem vast zou blijven plakken als mos aan een rots.

Maar dat wil je toch? ‘Uiteindelijk,’ antwoordde Moiraine kalm. ‘Uiteindelijk zal ik... je alleen moeten laten. Wat gebeuren zal, moet gebeuren.’ Rhand dacht dat ze huiverde, maar het gebeurde zo snel dat hij het zich verbeeld had kunnen hebben, en het volgende moment was ze weer afgemeten en beheerst. ‘Jij moet er klaar voor zijn.’ De herinnering aan zijn twijfels was niet prettig. ‘We behoren je plannen te bespreken. Je kunt hier niet veel langer blijven. Zelfs als de Verzakers niet van plan zijn naar jou op jacht te gaan, zijn ze wel ergens hun macht aan het vergroten. De Aiel bijeenroepen zal niet veel helpen als je ontdekt dat de Verzakers alle landen achter de Rug van de Wereld al in handen hebben.’

Grinnikend zocht Rhand steun tegen de tafel. Dus dit was een andere list. Als hij bezorgd zou zijn over haar vertrek, zou hij misschien beter willen luisteren en meer bereid zijn haar te volgen. Ze kon natuurlijk niet ronduit liegen. Een van de grootdoenerige Drie Geloften zorgde daarvoor: geen onwaar woord te spreken. Hij had gemerkt dat dat een immense ruimte liet voor allerlei gedraai en gekonkel. Uiteindelijk zou ze hem verlaten. Ongetwijfeld na zijn dood.

‘Je wilt het over mijn plannen hebben,’ zei hij droogjes. Hij trok een korte pijp en een leren tobakzak uit de zak van zijn jas, stopte de pijp en gebruikte heel even saidin om een vlammetje naar de tobak te geleiden. ‘Waarom? Het zijn mijn plannen.’ Langzaam trekkend wachtte hij af en negeerde Egwenes woede.

Het gezicht van de Aes Sedai veranderde niet, maar in haar grote donkere ogen laaide woede op. ‘En wat deed je toen je mijn hulp en raad afwees?’ Haar stem leek even koel als haar uiterlijk, maar haar woorden klonken als zweepslagen. ‘Overal waar je geweest bent, heb je dood, verwoesting en oorlog achtergelaten.’