Tot mijn schande tnoet ik u smeken niemand anders deze woorden te laten lezen en ze te vernietigen wanneer u ze hebt gelezen. Hier sta ik, naakt zonder uw bescherming, tussen enkelen die uw macht willen ondergraven en ik ben niet in staat om te weten of zij die bij u verkeren, evenzeer in u geloven als ik. Men heeft mij verteld dat Moiraine Damodred mogelijk bij u is. Mogelijk dient zij u toegewijd en zijn uw woorden wet voor haar, zoals voor mij. Ik weet dat echter niet, want ik herinner me haar als een vrouw vol geheimen die zich gaarne overgeeft aan samenzweringen, zoals de Cairhienin graag doen. Niettemin, zelfs als u gelooft dat zij u dient, zoals ik doe, smeek ik u toch dit schrijven geheim te houden, ook voor haar. U houdt mijn leven in uw hand, mijn heer, de Herrezen Draak, en ik ben uw dienares.
Hij las de brief nogmaals met ongelovig knipperende ogen door en overhandigde hem toen aan Moiraine. Ze wierp er een uiterst vluchtige blik op voor ze hem doorgaf aan Egwene, die samen met Aviendha over de andere brief stond gebogen. Wist Moiraine misschien al wat er in stond?
‘Het is maar goed dat je mij die eed hebt gegeven,’ zei hij. ‘Als je nog net zo was geweest als vroeger en alles verzweeg, zou ik je nu met een heel achterdochtig hebben aangekeken. Het is maar goed dat je tegenwoordig veel opener bent.’ Ze reageerde niet. ‘Wat maak jij eruit op?’
‘Ze moet hebben gehoord van je opgeblazen hoofd,’ zei Egwene zachtjes. Volgens hem had hij dat niet mogen horen. Hoofdschuddend zei ze harder: ‘Dit klinkt helemaal niet als Alviarin.’
‘Het is haar handschrift,’ zei Moiraine. ‘Wat maak jij eruit op, Rhand?’
‘Ik denk dat er tweespalt heerst in de Toren, of Elaida dat nu beseft of niet. Ik veronderstel dat een Aes Sedai op papier evenmin kan liegen?’ Hij wachtte niet op haar knikje. ‘Als Alviarin niet zo gezwollen had geschreven, zou ik hebben gedacht dat ze samenwerkten om me in het net te krijgen. Maar Elaida zie ik nog niet de helft denken van wat Alviarin neerschrijft en ik zie ook niet dat ze een Hoedster aanhoudt die zoiets kan schrijven, niet als ze hiervan weet, tenminste.’
‘Dit ga je niet doen?’ zei Aviendha met Elaida’s brief verfrommeld in haar hand. Het was geen vraag. ‘Ik ben geen dwaas.’
‘Soms ben je dat niet,’ zei ze met tegenzin en ze maakte het nog erger door vragend haar wenkbrauw op te trekken naar Egwene, die even nadacht en toen haar schouders ophaalde. ‘Zie je er nog iets anders in?’ vroeg Moiraine. ‘Ik zie spionnen van de Witte Toren,’ vertelde hij haar droogjes. ‘Ze weten dat ik de stad in handen heb.’ Minstens twee of drie dagen na de veldslag zouden de Shaido alles wat naar het noorden ging, heb ben tegengehouden, afgezien van een postduif. Zelfs een ruiter die wist waar hij van paard kon verwisselen, wat nu tussen Cairhien en Tar Valon heel onzeker was, zou niet zo snel bij de Toren kunnen zijn dat hij nu al deze brieven had kunnen ontvangen. Moiraine glimlachte. ‘Je leert snel bij. Je zult het goed doen.’ Heel even leek ze hem aardig te vinden. ‘Wat ga je eraan doen?’
‘Niets. Alleen ervoor zorgen dat haar gezantschap minstens een span uit m’n buurt blijft.’ Verbonden konden dertien Aes Sedai, zelfs de zwaksten, hem overweldigen en hij dacht niet dat Elaida haar zwakste zusters zou sturen. ‘Dat en er voortdurend aan denken dat de Toren een dag later al weet wat ik doe. Verder niets, totdat ik meer weet. Is Alviarin misschien een van je geheimzinnige vriendinnen, Egwene?’ Ze aarzelde en opeens vroeg hij zich af of zij Moiraine wel meer had verteld dan hem. Hield ze geheimen van de Aes Sedai voor haar of voor de Wijzen verborgen? Uiteindelijk hield ze het op: ik weet het niet.’
Er werd op de deur geklopt en Somara stak haar vlasblonde haren om de deur. ‘Martrim Cauton is er, car’a’carn. Hij zegt dat u hem wilde spreken.’
Dat was vier uur geleden geweest, zodra hij had vernomen dat Mart weer in de stad was. Welke smoes zou hij nu weer verzinnen? Het werd tijd dat er een eind aan dat gedoe kwam. ‘Blijf hier,’ zei hij tegen de vrouwen. Bij de Wijzen voelde Mart zich net zo weinig op zijn gemak als bij de Aes Sedai en dit drietal zou hem uit zijn evenwicht brengen. Er bestond geen enkele twijfel bij hem de vrouwen te gebruiken. Hij ging Mart ook gebruiken. ‘Laat hem binnen, Somara.’ Mart beende grijnzend de kamer in, alsof het een gelagkamer was. Zijn groene jas hing open en zijn hemd was half opengeknoopt, waar door het zegel met de vossenkop zichtbaar was, dat op zijn bezwete borst bungelde. Ondanks de hitte had hij een donkere zijden sjaal rond zijn nek om de littekens van de strop te verbergen. ‘Het spijt me dat het zo lang duurde. Ik kwam enkele Cairhienin tegen die meenden te kunnen kaarten. Kent hij geen leukere moppies muziek?’ vroeg hij, met zijn hoofd naar Asmodean wijzend, ik heb gehoord,’ zei Rhand, ‘dat iedere jongeman die een zwaard vast kan houden, zich wil aansluiten bij de Bond van de Rode Hand. Talmanes en Nalesean moeten ze bij massa’s afwijzen. En Daerid beschikt nu over tweemaal zoveel voetvolk.’
Mart zweeg terwijl hij zich in de stoel liet zakken die Aracome eerder had gebruikt. ‘Dat is waar. Een aardig stel jonge... kerels willen helden zijn.’
‘De Bond van de Rode Hand,’ mompelde Moiraine. ‘Shen al Calhar. Inderdaad, een legendarische groep helden, hoewel die vele malen uit andere mannen zal hebben bestaan in een oorlog van ruim driehonderd jaar. Men zegt dat zij als laatsten tegen de Trolloks streden, toen ze Aemon zelf verdedigden en Manetheren ten onder ging. De legende verhaalt dat er een bron ontsprong op de plaats waar ze sneu velden, als teken voor hun heengaan, maar ik denk eigenlijk dat die bron er daarvoor al was.’
‘Dat weet ik allemaal niet.’ Mart voelde aan het zegel met de vos senkop en toen werd zijn stem krachtiger. ‘Een of andere dwaas heeft die naam ergens opgepikt en toen is iedereen hem gaan gebruiken.’ Moiraine keek afkeurend naar het vossenzegel. De kleine blauwe steen op haar voorhoofd leek het licht op te vangen en te gloeien, hoewel ze niet echt in een zonnestraal stond. ‘Blijkbaar ben je heel erg dapper, Mart.’ Ze zei het heel vlak en in de daaropvolgende stil te verstrakte zijn gezicht. ‘Het was heel dapper,’ zei ze ten slotte, ‘om de Shen al Calhar de Alquin over te leiden en naar het zuiden tegen de Andoranen op te trekken. En er zijn zelfs nog dapperder daden genoemd. Er gaan geruchten dat je alleen op verkenning ging en dat Talmanes en Nalesean heel snel moesten rijden om je in te halen.’ Op de achtergrond snoof Egwene luid. ‘Niet echt verstandig voor een jonge heer die zijn mannen aanvoert.’
Mart trok zijn lippen op. ‘Ik ben geen heer. Daar waardeer ik me zelf te zeer voor.’
‘Niettemin heel erg dapper,’ vervolgde Moiraine alsof hij niets had gezegd. ‘Karren met voorraden voor de Andoranen verbrand, voor posten vernietigd. En driemaal een veldslag. Drie veldslagen en drie overwinningen. En slechts weinig verliezen, hoewel je tegen een over macht streed.’ Het was alsof ze haar vinger in een scheur in zijn jas porde, want Mart dook zo diep mogelijk weg in zijn stoel. ‘Word jij aangetrokken door de hitte van een veldslag of trek jij veldslagen aan? Het verbaast me bijna dat je terug bent. Als ik de verhalen goed hoor, had je de Andoranen terug over de Erinin kunnen drijven als je er gebleven was.’