Выбрать главу

De stormachtige bespreking met Rhand was doorgegaan tot zons ondergang. Hij steeds weer ontwijkend en weigerend; Rhand even verbeten volgend als Haviksvleugel na de aftocht uit de Cole-pas. Wat moest hij nu? Als hij weer uitreed, zouden Talmanes en Nalesean hem zeker volgen met elke man die ze bijtijds in het zadel konden krijgen, in de verwachting dat hij wel weer een nieuwe veldslag voor hen zou vinden. En dat zou hij ongetwijfeld ook doen; dat was echt het griezelige ervan. Hij had er een pesthekel aan het toe te geven, maar de Aes Sedai had gelijk. Hij trok de strijd aan, of de strijd hem. Niemand aan de andere kant van de Alquin had zo hard geprobeerd de strijd te ontlopen. Zelfs Talmanes had er wat over gezegd toen ze voor de tweede keer behoedzaam wegslopen van een groep Andoranen en ze op een plek belandden waar hij geen andere keus had dan de tweede groep te bevechten. En telkens voelde hij de dobbelstenen in zijn hoofd rollen; bijna een waarschuwing dat achter de volgende heuvel een strijd lag te wachten, of zoals nu. Er was natuurlijk altijd een schip, of dat zou er kunnen zijn, ginds aan de kades naast de graanschepen. Het was moeilijk een veldslag te vinden op een boot in het midden van een rivier. Maar stroomaf waarts hielden de Andoranen de ene oever van de Alquin stevig in handen en met zijn huidige geluk zou het schip zeker aan de west oever aan de grond lopen, daar waar het halve Andoraanse leger kamp had opgeslagen.

Daarmee bleef over te doen wat Rhand wilde. Hij zag het al voor zich.

‘Goedemorgen, hoogheer Weiramon en alle andere hoogheren en hoogvrouwen. Ik ben een gokker, een boerenjongen en ik ben hier om het bevel over te nemen van jullie bloedleger. De vervloekte Her rezen Draak zal zich bij ons voegen zodra hij bloedvuur een van zijn bloedklusjes heeft afgehandeld!’

Hij graaide zijn zwarte zwaardspeer uit de hoek en wierp hem dwars door de kamer. Het wapen trof een wandtapijt – een jachttafereel en de stenen muur erachter met een hard gekletter en viel toen op de vloer, waarbij de jagers keurig doormidden werden gekliefd. Vloekend haastte hij zich erheen om hem op te pakken. De twee voet langezwaardkling vertoonde geen enkele moet of krasje. Natuurlijk niet. Een Aes Sedai-ding.

Hij streek over de raven op de kling. ‘Zal ik ooit van dat Aes Sedai gedoe afkomen?’

‘Wat was dat?’ vroeg Melindhra in de deuropening. Hij keek haar aan toen hij de speer tegen de muur plaatste en voor de verandering dacht hij nu eens niet aan haar zijdegouden haar, haar heldere blauwe ogen of haar stevige lichaam. Het leek of iedere Aiel vroeg of laat naar de rivier trok om zwijgend naar zoveel water op één plek te staren, maar Melindhra ging zowat elke dag. ‘Heeft Kadere al schepen gevonden?’ Kadere zou niet met graanschepen naar Tar Valon varen.

‘De wagens van de marskramer staan er nog steeds. Van... schepen weet ik niet veel.’ Ze sprak het onbekende woord onhandig uit. ‘Waarom wil je dat weten?’

‘Ik ga een tijdje weg. Voor Rhand,’ voegde hij er haastig aan toe. Haar gezicht stond te stil. ‘Ik zou je best meenemen als ik dat kon, maar jij zult de Speervrouwen niet in de steek willen laten.’ Een schip? Of zijn eigen paard? Maar waarheen? Dat was de vraag. Hij kon met een schip sneller in Tyr zijn dan op Pips. Als hij tenminste zo stom was om voor Tyr te kiezen. Had hij eigenlijk wel een keus? Er verscheen even een strak trekje rond haar lippen. Tot zijn verbazing niet toen hij het over weggaan had. ‘Dus je verschuilt je weer in de schaduw van Rhand Altor. Je hebt zelf veel eer gewonnen, zowel bij de Aiel als bij de natlanders. Jouw eigen eer, geen tweedehands eer van de car’a’carn.’

‘Hij mag zijn eer houden en die naar Caemlin brengen of voor mijn part naar de Doemkrocht. Maak je geen zorgen. Ik vind nog genoeg eer voor mezelf. Ik zal je erover schrijven uit Tyr.’ Tyr? Hij zou nooit aan Rhand of de Aes Sedai ontsnappen als hij voor Tyr koos. ‘Gaat hij naar Caemlin?’

Mart onderdrukte een kreun. Hij werd niet geacht daar iets over te zeggen. Wat hij zelf ook zou kiezen, dat kon hij in ieder geval niet doen. ‘Gewoon een plaats die me inviel. Vanwege die Andoranen in het uiterste zuiden, neem ik aan. Ik zou niet weten waar hij...’ Hij kreeg geen waarschuwing. Het ene ogenblik stond ze nog gewoon, het volgende ogenblik plantte ze haar voet midden in zijn buik, waardoor hij alle lucht verloor en dubbel klapte. Met uitpuilende ogen probeerde hij te blijven staan, recht te gaan staan, na tedenken. Waarom? Ze tolde rond als een danseres, naar achter, terug, en haar andere voet tegen de zijkant van zijn hoofd liet hem opzij wan kelen. Zonder in te houden sprong ze op, schopte, en de zool van haar zachte laars belandde midden in zijn gezicht. Toen hij weer wat kon zien, lag hij plat op de rug, halverwege de kamer, een stuk van haar vandaan. Hij kon het bloed op zijn gezicht voelen. Zijn hoofd leek vol wol te zitten en de kamer scheen te dansen. Op dat moment zag hij hoe ze uit haar buidel een dolk met een smal lemmet trok, even lang als haar hand, dat glom in het licht. Met een snelle beweging draaide ze de sjoefa rond het hoofd en trok de zwarte sluier voor haar gezicht.

Versuft bewoog hij uit zichzelf en dacht verder niet na. Het mes gleed uit zijn mouw en verliet zijn hand alsof het door gelei sneed. Toen pas besefte hij wat hij had gedaan en strekte hij wanhopig zijn hand, hij probeerde het wapen terug te pakken.

De greep stak tussen haar borsten omhoog. Ze zakte door haar knieën en viel achterover. Mart duwde zich overeind, zwaaide kruipend heen en weer. Hij kon niet opstaan, al had zijn leven ervan afgehangen, dus kroop hij naar haar toe, wild mompelend: ‘Waarom? Waarom?’ Hij trok haar sluier opzij en haar mooie blauwe ogen keken hem aan.

Ze glimlachte zelfs. Hij keek niet naar de mesgreep. Zijn mes. Hij wist waar het hart zat in een lichaam. ‘Waarom, Melindhra?’ ik heb je ogen altijd mooi gevonden,’ hijgde ze zo zwak dat hij zich moest inspannen om haar te verstaan. ‘Waarom?’

‘Sommige eden zijn belangrijker dan andere, Mart Cauton.’ Het smalle mes kwam met haar laatste kracht snel omhoog en de punt duwde de bungelende vossenkop tegen zijn borst. Het zilveren plaatje had nooit een lemmet tegen kunnen houden, maar de hoek was net een beetje verkeerd en door een verborgen fout in het staal knapte het lemmet vlak onder de greep af op het moment dat hij haar hand vastgreep. ‘Jij hebt het geluk van de Grote Heer zelf.’

‘Waarom?’ drong hij aan. ‘Bloedvuur, waarom?’ Hij wist dat er geen antwoord meer zou komen. Haar mond hing open, alsof ze nog iets ging zeggen, maar haar ogen verglaasden reeds. Hij wilde de sluier optrekken, om haar gezicht met de starende ogen te bedekken, en liet zijn hand toen vallen. Hij had mannen gedood, en Trolloks, maar een vrouw... Slechts één keer eerder... onderweg naar Caemlin. Vrouwen waren blij als ze in zijn leven kwamen. Dat was geen opschepperij. Vrouwen hadden een glimlach voor hem over, zelfs wanneer hij wegging, en glimlachten alsof ze hem weer welkom heetten. Alleen dat wilde hij van vrouwen, een glimlach, een dans, een kus en een lieve herinnering aan hem.

Hij besefte dat zijn gedachten met hem op de loop gingen. Hij trok de lemmetloze greep uit Melindhra’s hand. Die was van jade, gevat in goud, ingelegd met gouden bijen. Hij smeet hem in de marmeren haard en hoopte dat hij in stukken zou breken. Hij wilde huilen, janken. Ik dood geen vrouwen. Ik kus ze. Ik... Hij moest weer helder gaan denken. Waarom? Duidelijk niet vanwege zijn vertrek. Daarop had ze amper gereageerd. Bovendien dacht ze dat hij dan eer najoeg en dat had ze altijd uitstekend gevonden. Iets dat ze gezegd had, speelde door zijn gedachten en kwam met een rilling naar boven. Het geluk van de Grote Heer zelf. Hij had het in andere bewoordingen gehoord, vele keren. Het geluk van de Grote Heer zelf. Een Duistervriend. Een vraag of zekerheid? Hij had graag gehad dat de zekerheid het voor hem gemakkelijker zou maken. Hij zou haar gezicht tot het graf met zich meedragen. Tyr. Hij had haar min of meer verteld dat hij naar Tyr ging. De dolk. Gouden bijen in jade. Zonder te kijken durfde hij te wedden dat het er negen waren. Negen gouden bijen op een groen veld. Het wapen van Illian. Waar Sammael regeerde. Was Sammael misschien bang voor hem? Maar hoe kon Sammael het nou weten? Nog maar een paar uur geleden had Rhand het hem gevraagd... gezegd en hij had zelf nog niet zeker geweten wat hij zou doen. Wilde Sammael miscchien die kans niet lopen? Goed. Een Verzaker, bang van een gokker, hoe volgestopt zijn hoofd ook was met krijgskunde van andere mannen. Belachelijk.