Выбрать главу

Hij moest alles op een rijtje zetten. Veronderstel dat Melindhra geen Duistervriend was, dat ze hem zomaar had willen doden, dat er geen verband was tussen een jaden greep met ingelegde gouden bijen en dat hij misschien naar Tyr zou gaan om een leger tegen Illian te lei den. Veronderstellingen van het achtereind van een varken. Beter ten halve gekeerd, zei hij altijd. Een Verzaker had aandacht voor hem. Nu stond hij zeker niet in Rhands schaduw.

Hij duwde zich voort over de vloer en ging met zijn rug tegen de deur zitten, zijn kin op de knieën. Hij staarde naar Melindhra’s gezicht. Hij probeerde te beslissen wat hij ging doen. Toen een dienstmeisje met het eten aanklopte, schreeuwde hij haar toe te verdwijnen. Voedsel was wel het laatste waar hij behoefte aan had. Wat moest hij doen? Hij wilde dat die dobbelstenen niet zo hard in zijn hoofd rondkletterden.

52

Keuzes

Rhand legde zijn scheermes neer en veegde de laatste vlokjes schuim van zijn gezicht, waarna hij zijn hemd dichtknoopte. De vroege och tendzon scheen door de vierkante balkonnissen rond zijn slaapkamer. De dikke wintergordijnen waren al opgehangen, maar opgebonden om wat lucht door te laten. Hij wilde er netjes uitzien als hij Rahvin doodde. De gedachte maakte een zwarte wolk van razernij los die vanuit zijn maag opsteeg. Hij onderdrukte de woede. Hij zou er keurig uitzien en kalm. Kil. Foutloos.

Toen hij zich van de vergulde spiegel afwendde, zat Aviendha op haar opgerolde slaapmat tegen de muur onder een schildering die onmogelijk hoge, gouden torens afbeeldde. Hij had haar aangeboden een tweede bed in de kamer te laten plaatsen, maar ze beweerde dat een matras te zacht was om op te kunnen slapen. Ze keek hem gespannen aan, haar ondergoed vergeten in de hand. Hij had er heel goed op gelet zich tijdens het scheren niet om te draaien, zodat ze zich kon aankleden, maar behalve de witte kousen was ze spiernaakt. ‘Ik maak je niet te schande bij andere mensen,’ zei ze opeens. ‘Te schande maken? Wat bedoel je?’

Ze kwam soepel en lenig omhoog, verrassend bleek op plaatsen waar de zon niet kon komen, slank en stevig gespierd, maar met zachte rondingen die in zijn dromen rondspookten. Dit was voor het eerst dat hij zichzelf toestond haar openlijk te bekijken wanneer ze zich zo vertoonde, maar ze leek het niet te merken. Haar grote blauw groene ogen keken hem strak aan. ‘Ik heb Sulin die eerste dag niet gevraagd om Enaila, Somara of Lamelle mee te brengen. Ik heb ze ook niet gevraagd jou in het oog te houden, of iets te doen als je struikelde. Ze waren uit zichzelf bezorgd.’

‘Je liet me alleen in de waan dat ze me als een pasgeboren kindje zouden wegdragen als er iets misging. Een fijn verschil.’ Zijn wrange toon ging aan haar voorbij. ‘Het zorgde ervoor dat je oppaste op momenten dat dat nodig was.’

‘Ik begrijp het,’ zei hij droog. ‘Nou, in ieder geval bedankt voor de belofte dat je me niet voor gek zult zetten.’

Ze glimlachte. ‘Dat heb ik niet gezegd, Rhand Altor. Ik zei “bij andere mensen”! Als je dat nodig hebt, voor je eigen bestwil...’ Haar glimlach werd breder.

‘Ben je van plan zó mee te gaan?’ Hij maakte geërgerd een gebaar dat haar hele lichaam omvatte.

Nooit had ze ook maar enige verlegenheid getoond als ze naakt in zijn slaapkamer stond – integendeel – maar nu wierp ze een blik op zichzelf, toen op Rhand, die haar stond te bekijken, en werd vuur rood. Opeens was ze omgeven door een warreling van donkerbruine wol en wit algoed en schoot ze zo snel haar kleren aan dat het leek of ze geleidde. Ergens halverwege klonk opeens de vraag: ‘Heb je alles geregeld? Heb je met de Wijzen gesproken? Je was gister avond nog laat weg. Wie gaan er nog meer mee? Hoeveel kun je er meenemen? Geen natlanders, hoop ik. Die kun je niet vertrouwen en zeker de boomdoders niet. Kun je ons echt binnen een uur naar Caemlin brengen? Is het net zoiets als wat ik die avond... Ik bedoel, hoe ga je het doen? Ik heb er een hekel aan me aan iets toe te vertrouwen wat ik niet ken en niet kan begrijpen.’

‘Alles is geregeld, Aviendha.’ Waarom die woordenvloed? Waarom wilde ze hem niet aankijken? Hij had met Rhuarc en de andere stam hoofden gesproken die nog rond Cairhien verbleven. Ze hadden zijn plan niet echt geweldig gevonden, maar hadden het beschouwd als ji’e’toh, en niemand had gedacht dat Rhand een andere keus had. Ze bespraken het snel, stemden ermee in en praatten toen verder over andere zaken die niets te maken hadden met Verzakers, Illian of de krijg. Het ging over vrouwen, jagen en of Cairhiense brandewijn ver geleken kon worden met oosquai en hun tabak met de tabak uit de Woestenij of zelfs met tobak uit Tweewater. Een hele tijd had hij bijna geheel vergeten wat hem te wachten stond. Hij hoopte dat de Voorspelling van Rhuidean het ergens verkeerd zou hebben en dat hij deze mensen niet zou vernietigen. De Wijzen waren ook langsge komen, een afvaardiging van ruim vijftig vrouwen, gewaarschuwd door Aviendha en onder leiding van Amys, Melaine en Bair, of was het toch Sorilea geweest? Bij de Wijzen kon je vaak moeilijk zeggen wie de leiding had. Ze waren niet gekomen om hem om te praten weer die ji’e’toh – maar om er zeker van te zijn dat hij begreep dat zijn verplichting jegens Elayne niet groter was dan die jegens de Aiel. Ze hadden hem in die kamer vastgehouden tot ze tevreden waren. Dat was de enige oplossing geweest, tenzij hij hen had opgetild en opzij gezet om bij de deur te komen. Wanneer ze dat wilden, konden ze geschreeuw net zo goed negeren als Egwene dat had geleerd. ‘We ontdekken wel hoeveel we er mee kunnen nemen, als ik het pro beer. Alleen Aiel.’ Als hij geluk had, zouden Meilan en Maringil en de anderen pas na zijn vertrek horen dat hij weg was. Als de Toren spionnen in Cairhien had, dan hadden de Verzakers die ook, en hoe kon hij erop vertrouwen dat zijn geheimen bewaard zouden worden door mensen die nog geen zonsopkomst konden aanschouwen zon der te overwegen of ze het feit in Daes Dae’mar konden gebruiken? Tegen de tijd dat hij een rode, fijne wollen jas vol goudborduursel had aangetrokken die zeer geschikt zou zijn voor een koninklijk paleis, in Caemlin en Cairhien – hij vond de gedachte op een sombere manier vermakelijk – had Aviendha zich bijna geheel aangekleed. Het was voor hem een wonder hoe ze zo snel haar kleren aan had kunnen schieten en toch alles keurig op de juiste plek had gekregen. ‘Gis teravond kwam er een vrouw langs toen je weg was.’ Licht! Hij was Colavaere vergeten. ‘Wat heb je gedaan?’ Ze hield even op met het dichtrijgen van haar hemdkoordjes en haar ogen leken een gat in hem te boren, maar ze zei terloops: ik heb haar naar haar eigen vertrekken begeleid, waar we een tijd hebben zitten praten. Er zullen geen jubelrokken van die boomdoders meer aan het zeil van je tent krabben, Rhand Altor.’

‘Precies wat ik wilde bereiken, Aviendha. Licht! Heb je haar erg pijn gedaan? Je kunt niet zomaar vrouwen van grote Huizen een aframmeling geven. Deze mensen bezorgen me al genoeg ellende zonder dat jij er nog wat aan toevoegt.’

Ze snoof luid en reeg de koordjes verder dicht. ‘Hoge Huizen! Een vrouw is een vrouw, Rhand Altor. Tenzij het een Wijze is,’ voegde ze er nadenkend aan toe. ‘Die vrouw van gisteravond zal vanmorgen heel luchtig willen zitten, maar haar blauwe plekken kunnen ver borgen blijven en na een dag rust zal ze weer uit haar vertrekken kunnen komen. En nu weet ze hoe de zaken ervoor staan. Ik heb haar gezegd dat als ze ooit ook maar enig probleem – welk dan ook – veroorzaakt, dat ik dan nog een keertje met haar kom praten. Veel langer dan. Ze zal doen wat je zegt, als je het zegt. Haar voorbeeld zal anderen een lesje leren. Dat is het enige dat boomdoders begrijpen.’