Выбрать главу

‘Het spijt me voor je dat je het moest doen,’ zei Rhand stil en Mart schokschouderde grauw.

‘Beter zij dan ik, veronderstel ik. Ze was een Duistervriend.’ Het klonk niet of dat veel verschil voor hem uitmaakte. ‘Ik pak Sammael wel aan. Zodra ik klaar ben.’

‘En hoeveel zijn er dan nog over?’

‘De Verzakers zijn niet hier,’ snauwde Aviendha. ‘Maar de Speervrouwen evenmin. Waar zijn ze? Wat heb je gedaan, Rhand Altor?’ ik? Er zaten er hier twintig toen ik vannacht naar bed ging, en daar na heb ik er geeneen meer gesproken.’

‘Misschien door wat Mart...’ begon Asmodean en hij zweeg toen die hem aankeek; in zijn strakke mond mengden zich pijn en bereidheid iemand te slaan.

‘Doe niet zo dwaas,’ merkte Aviendha ferm op. ‘De Far Dareis Mai zouden daarvoor van Mart Cauton geen toh eisen. Ze probeerde hem te doden en hij heeft haar gedood. Zelfs als ze bijna-zusters had gehad, zouden die dat niet eisen. En niemand zou toh opeisen van Rhand Altor voor iets wat een ander heeft gedaan, tenzij het in zijn opdracht gebeurde. Jij hebt iets gedaan, Rhand Altor, iets groots en duisters, anders zouden ze hier wel zijn.’

‘Ik heb niets gedaan,’ vertelde hij haar scherp. ‘En ik blijf hier niet staan om het te bespreken. Ben je gekleed om naar het zuiden te rij den, Mart?’

Mart schoof zijn hand in zijn jaszak en betastte iets. Gewoonlijk bewaarde hij daar zijn stenen en dobbelbeker. ‘Caemlin. Ik ben het zat beslopen te worden. Ditmaal wil ik voor de verandering een van hen besluipen. Ik hoop alleen dat ik zo’n bloedklopje op m’n hoofd krijg en niet van die bloedbloemen,’ voegde hij er met een grijns aan toe. Rhand vroeg hem niet wat hij bedoelde. Nog een ta’veren. Twee bij elkaar om de kansen te keren, bijvoorbeeld. Je kon nooit zeggen hoe, zelfs niet als, maar... ‘Blijkbaar blijven we nog een tijdje langer bij elkaar.’ Mart leek meer berustend dan ooit.

Ze waren nog niet ver in de met wandkleden behangen gang toen Moiraine en Egwene samen aan kwamen lopen, alsof ze die dag een wandelingetje in de tuinen gingen maken. Egwene, koel kijkend en kalm, de gouden Grote Serpent-ring aan haar vinger, kon een Aes Sedai zijn ondanks haar Aielkleding met de sjaal en opgerolde band om haar haren, terwijl Moiraine... Gouddraad ving het licht en kaats te zwak over Moiraines gewaad van glanzende blauwe zijde. De kleine blauwe steen op haar voorhoofd, hangend aan het gouden ket tinkje dat in haar golvende haarlokken was gevlochten, glansde even fel als de grote, in goud gezette saffieren om haar hals. Een tooi die nauwelijks geschikt was voor hun plannen, maar met zijn rode jas kon Rhand er weinig over zeggen.

Misschien kwam het doordat ze hier in dit paleis waren, waar het Huis Damodred ooit de Zonnetroon had bezet, maar Moiraines voorname uiterlijk was koninklijker dan hij ooit van haar had gezien. Zelfs de aanwezigheid van Jasin Natael kon die waardigheid niet bederven, maar wonderlijk genoeg glimlachte ze Mart hartelijk toe. ‘Dus jij gaat ook, Mart. Leer op het Patroon te vertrouwen. Ver spil je leven niet door te pogen iets te veranderen wat niet veranderd kan worden.’ Op Marts gezicht viel af te lezen dat hij ter plekke over woog om toch maar ergens anders heen te gaan, maar de Aes Sedai wendde zich volkomen onbezorgd van hem af. ‘Deze zijn voor jou, Rhand.’

‘Nog meer brieven?’ vroeg hij. De ene toonde zijn naam in een sierlijk handschrift dat hij meteen herkende. ‘Van jou, Moiraine?’ De andere was aan Thom Merrilin gericht. Beide waren verzegeld met blauwe lak, zo te zien met haar Grote Serpent-ring, een beeld van een slang die in zijn eigen staart bijt. ‘Waarom een brief? Nog wel verzegeld. Je bent nooit bang geweest om het me recht in mijn gezicht te zeggen. En als ik het ooit mocht vergeten, dan heeft Aviendha me er zojuist aan herinnerd dat ik slechts vlees en bloed ben.’

‘Je bent veranderd, je bent niet meer de jongen die ik voor het eerst voor de Herberg De Wijnbron ontmoette.’ Haar stem klonk als een zachte zilveren gong. ‘Je bent nauwelijks meer dezelfde. Ik hoop bij het Licht dat je genoeg bent veranderd.’

Egwene mompelde zacht iets in zichzelf. Rhand meende te verstaan: ‘Ik hoop bij het Licht dat je niet zoveel veranderd bent.’ Ze keek fronsend naar de brieven alsof zij zich ook afvroeg wat erin stond. Net als Aviendha.

Moiraine sprak opgewekt, zelfs levendig verder. ‘Zegels zorgen er voor dat het persoonlijk blijft. De aan jou gerichte brief bevat zaken waarvan ik vind dat je erover na moet denken, maar niet nu. Wanneer je tijd hebt. Wat Thoms brief betreft, ik weet geen veiliger plek dan jouw handen. Geef hem de brief wanneer je hem weer ontmoet. Wel, er is iets in de haven wat je dient te zien.’

‘De haven?’ zei Rhand. ‘Moiraine. Juist deze ochtend, van alle ochtenden, heb ik geen tijd om...’

Maar ze liep de gang door alsof ze zeker was dat hij zou volgen. ‘Ik heb paarden laten klaarzetten. Zelfs voor jou, Mart, voor het geval dat...’ Egwene aarzelde even en volgde toen ook. Rhand deed zijn mond al open om Moiraine terug te roepen. Ze had gezworen hem te gehoorzamen. Wat ze hem ook wilde tonen, het kon best tot de volgende dag wachten.

‘Wat doet een uur ertoe,’ mompelde Mart. Misschien was hij aan het heroverwegen.

‘Het zou voor jou geen slechte zaak zijn als je vanmorgen werd gezien,’ zei Asmodean. ‘Rahvin zal het mogelijk vernemen zodra dat gebeurt. Als hij achterdocht koestert – als hij hier spionnen heeft die aan het sleutelgat hebben geluisterd – kan het hem voor vandaag op een dwaalspoor brengen.’

Rhand keek Aviendha aan. ‘Is jouw raad ook uitstel?’

‘Ik raad je aan naar Moiraine Sedai te luisteren. Alleen dwazen negeren Aes Sedai.’

‘Wat in de haven kan belangrijker zijn dan Rahvin,’ gromde hij en hij schudde zijn hoofd. Er bestond een spreekwoord in Tweewater dat door niemand werd gezegd als een vrouw het kon horen. ‘De Schepper heeft vrouwen geschapen om het oog te plezieren en de hersens te vertroebelen.’ Wat dat betrof waren Aes Sedai niet veel anders. ‘Eén uur.’

De zon stond nog niet hoog genoeg om de lange schaduw van de stadsmuren van de stenen kade te verdrijven, waar Kaderes wagens in een rij stonden opgesteld. Desondanks wiste hij al druk met een grote doek het zweet van zijn gezicht. Dat werd slechts gedeeltelijk veroorzaakt door de warmte. De grote grijze pieren die de kades in de haven omarmden, leken samen met het havengezicht op een grauwe kist waarin hij gevangenzat. Hier lagen alleen brede graanboten met ronde boegen en in de rivier lagen soortgelijke schepen voor anker, te wachten op hun beurt gelost te worden. Hij had overwogen heimelijk een boot op te glippen als die zou afvaren, maar dat bete kende dat hij het grootste deel van zijn bezittingen achter zou moeten laten. Maar als hij had gedacht dat de trage vaart stroomafwaarts hem ergens zou brengen waar de dood niet op hem wachtte, zou hij het hebben gedaan. Lanfir was niet in zijn dromen teruggekeerd, maar nog steeds toonde zijn borst de brandwonden om hem aan haar bevelen te herinneren. De gedachte om een Verzaker niet te gehoorzamen deed hem huiveren, zelfs nu het zweet tappelings langs zijn gezicht stroomde.

Kende hij maar iemand die hij kon vertrouwen, voor zover je een Duistervriend kon vertrouwen. De laatste voerman die de eed had gezworen, was wee dagen geleden heel waarschijnlijk met een graan barkas verdwenen. Hij wist nog steeds niet welke Aielse dat briefje onder zijn deur had doorgeschoven: Je bent niet alleen onder vreemden. Een pad is uitverkoren. Hij had wel verschillende mogelijkheden in gedachten. In de haven waren bijna evenveel Aiel als dok werkers. De eersten kwamen naar de rivier staren, maar enkele gezichten had hij vaker gezien dan redelijk leek en sommigen hadden hem peinzend aangekeken. Datzelfde hadden ook enkele Cairhienin gedaan en een Tyreense heer. Op zich betekende het natuur lijk niets, maar als hij enkele mensen kon vinden met wie hij kon samenwerken...

Een groep mensen te paard verscheen onder een van de poorten. Vooraan reden Moiraine en Rhand Altor, samen met de zwaardhand van de Aes Sedai. Ze zigzagden tussen de karren door die het graan de stad inbrachten. Een golf van gejuich rolde met hen mee. ‘Alle roem aan de Drakenheer’ en ‘De Drakenheer heil’ en zo nu en dan ‘Eer aan heer Martrim! Roem voor de Rode Hand!’ Ditmaal reed de Aes Sedai naar de achterste wagens van zijn karavaan zonder Kadere ook maar een keer aan te kijken. Hij vond het best. Zelfs als ze geen Aes Sedai was geweest, zelfs als ze hem niet telkens had aangekeken alsof ze ieder duister hoekje van zijn gedachten kende, zou hij toch liever niet van zo nabij naar de voor werpen willen kijken waarmee zijn wagens waren beladen. Gister avond had ze hem het zeil laten weghalen van die vreemde, verwrongen, roodstenen deurlijst in de wagen vlak achter de zijne. Ze leek er een ziekelijk plezier in te hebben hem te laten helpen bij alles wat ze wilde bekijken. Hij zou het ding weer hebben toegedekt als hij het op had kunnen brengen het aan te raken, of als hij een van zijn voerlui dat had kunnen laten doen. Van dat stel had niemand in Rhuidean Herid erin zien vallen, waarbij hij voor de helft verdween. Herid was de eerste geweest die na de pas was gevlucht. De man was gaan malen nadat de zwaardhand hem eruit had getrokken. Ze konden er echter wel naar kijken, zien hoe de hoeken niet echt bij elkaar kwamen, hoe je niet met je ogen de omtrekken kon volgen zonder te knipperen en duizelig te worden. Kadere negeerde de voorste drie ruiters evenzeer als de Aes Sedai hem negeerde en deed hetzelfde met Mart Cauton. De man droeg zijn hoed en hij had er nooit een goede voor in de plaats gevonden. Dat Aielwijf, Aviendha, reed achter op het paard mee van die jonge Aes Sedai en beiden hadden hun rok opgetrokken, zodat je hun benen kon zien. Als hij ooit bevestiging nodig had dat die Aielse het bed van Altor deelde, dan hoefde hij alleen maar te zien hoe zij naar hem keek. Een vrouw die een man in haar bed toeliet, keek de man daar na altijd met iets bezitterigs in haar ogen aan. Nog belangrijker was dat Natael erbij was. Het was na hun tocht over de Rug van de Wereld de eerste keer dat hij zo dicht bij Kadere was. Natael, die een hoge rang had bij de Duistervrienden. Als hij langs de Speervrouwen kon komen om Natael aan te spreken...