Opeens knipperde Kadere met zijn ogen. Waar waren de Speervrou wen? Altor werd altijd door hen begeleid. Fronsend besefte hij dat hij geen enkele Speervrouwe tussen de Aiel in de haven of op de kades zag staan.
‘Ga je je oude vriend niet opzoeken, Hadnan?’ De zangerige stem deed Kadere rondtollen en zijn mond viel open toen hij de haakneus zag en de zwarte ogen die bijna geheel schuil gingen achter de rollen vet. ‘Keille?’ Het was onmogelijk. Alleen een Aielman kon in zijn eentje de Woestenij overleven. Zij móést wel dood zijn. Maar daar stond ze, de witte zijde spande zich over haar buik, in haar donkere krullen stonden de ivoren haarkammen. Met een klein glimlachje rond de lippen draaide ze zich sierlijk om, wat hem van zo’n omvangrijke vrouw nog steeds verbaasde, en klom lichtvoetig langs het trapje zijn wagen in.
Heel even aarzelde hij en snelde toen achter haar aan. Van hem had Keille Shaogi in de Woestenij mogen sterven – de vrouw was bazig en lomp; ze hoefde niet te denken dat ze een penner zou krijgen van het weinige dat hij had weten te redden – maar ze stond even hoog als Jasin Natael. Misschien beschikte zij over enkele antwoorden. En nu had hij tenminste iemand met wie hij kon samenwerken. In het slechtste geval iemand die hij de schuld kon geven. Als je hoog stond, had je veel macht, maar ook veel schuld wanneer je ondergeschikten faalden. Meerdere keren had hij zich bij de hogere bazen kunnen indekken door iets af te schuiven op zijn meerdere. Zorgvuldig de deur sluitend draaide hij zich om – en zou het op een krijsen hebben gezet als zijn keel niet voor elk geluid was dichtgeknepen.
De vrouw voor hem droeg witte zijde, maar was niet dik. Het was de mooiste vrouw die hij ooit had gezien, met ogen als donkere, bodemloze bergmeren, met een gevlochten zilveren gordel om haar slanke middel en met zilveren maansikkels en sterren in haar glanzende zwarte haren. Kadere kende haar als de vrouw uit zijn dromen. Zijn knieën ploften op de vloer neer en door de schok kwam er weer lucht in zijn longen. ‘Hoge meesteres,’ zei hij hees. ‘Hoe kan ik u dienen?’
Lanfir keek of ze een insect aankeek, een vlieg die ze mogelijk onder haar muiltje ging doodtrappen, of misschien ook niet. ‘Door je gehoorzaam aan mijn bevelen te houden. Ik heb het te druk gehad om Rhand Altor zelf in de gaten te houden. Vertel me wat hij gedaan heeft, afgezien van zijn verovering van Cairhien, en wat hij van plan is.’
‘Dat is moeilijk, hoge meesteres. Iemand als ik kan niet in zijn na bijheid komen.’ Een insect, vertelden haar koele ogen hem, dat net zo lang mocht leven als hij nuttig was. Kadere schraapte in gedachten alles bijeen wat hij gezien, gehoord of gedroomd had. ‘Hij stuurt enorme aantallen Aiel naar het zuiden, hoge meesteres, hoewel ik niet weet waarom. De Tyreners en Cairhienin lijkt het niet op te vallen, maar ik denk niet dat zij verschil zien tussen de ene Aielman en de andere.’ Dat kon hij ook niet. Hij durfde niet tegen haar te liegen, maar als zij dacht dat hij meer nut had dan hij in werkelijkheid had... ‘Hij heeft een soort school gesticht, in een paleis in de stad dat een Huis behoorde waarvan niemand meer in leven is...’ Aanvanke lijk kon hij niet zien of de feiten die ze hoorde, haar aanstonden, maar naarmate hij verder sprak, versomberde haar gezicht steeds meer.
‘Wat wil je me laten zien, Moiraine,’ vroeg Rhand ongeduldig en bond Jeade’ens teugels vast aan de bok van de laatste wagen in de rij.
Ze stond op haar tenen over het zijschot van een wagen te turen naar twee kratten die hem bekend voorkwamen. Tenzij hij het mis had, zaten daar de twee cuendillarzegels in, verpakt in wol, nu ze niet langer onbreekbaar waren. Hij voelde de smerigheid van de Duistere hier heel sterk; het leek uit die kratten te komen, een zwak stinken de wolk alsof daar op een verborgen plek iets lag te rotten. ‘Dat zal hier veilig zijn,’ mompelde Moiraine. Ze tilde fijntjes haar rok op en liep langs de wagens naar de kop van de rij. Lan volgde haar op de hielen, een half tamme wolf, de mantel over zijn schouders vormde een veelheid van verontrustende plooien, rimpels van kleuren en een leeg niets.
Rhand keek boos. ‘Egwene, heeft ze jou verteld wat het was?’
‘Enkel dat je iets moest zien. Dat je hier trouwens toch diende te komen.’
‘Je moet een Aes Sedai vertrouwen,’ zei Aviendha bijna even vlak, maar toch met iets van twijfel. Mart snoof slechts. ‘Nou, dat wil ik dan nu zien. Natael, ga Bael zeggen dat ik eraan kom en...’
Aan de kop van de rij wagens barstten de wanden van Kaderes wagen uiteen in duizenden splinters die Aiel en stadsvolk met dodelijke scherpte troffen. Rhand wist het; hij had het kippenvel op zijn huid niet nodig om het te weten. Hij snelde op de wagen af, Moiraine en Lan achterna. De tijd leek te vertragen, alles gebeurde te gelijk, alsof de lucht gelei was die zich aan elke tel vastkleefde. In de verstomde stilte, die slechts werd verbroken door het gekreun en gejammer van de gewonden, stapte Lanfir naar buiten. Met een hand trok ze iets slaps en bleeks met rode strepen achter zich aan, terwijl ze de onzichtbare treedjes afkwam. Haar gezicht was als een uit ijs gehouwen masker. ‘Hij heeft het me verteld, Lews Therin,’ krijste ze bijna en slingerde het bleke ding de lucht in. Het werd door iets gevangen en ontvlamde heel kort tot een bloedige doorzichtige gestalte van Hadnan Kadere, die volledig gevild was. De gestalte stortte in elkaar en viel neer, terwijl Lanfirs krijsende en tierende stem nog hoger steeg. ‘Jij hebt je door een andere vrouw aan laten raken. Ogenblikken verkleefden; alles gebeurde tegelijk. Voor Lanfir op de stenen van de kade stapte, tilde Moiraine haar rok nog hoger op en rende recht naar haar toe. Ze was vlug, maar Lan was veel sneller en negeerde haar roep van ‘Nee, Lan!’ Zijn zwaard schoot uit de schede en zijn lange benen lieten haar achter, de mantel wapperde achter hem aan. Opeens leek hij tegen een onzichtbare stenen muur te botsen en kaatste hij terug. Struikelend probeerde hij verder te komen. Hij deed een stap, vloog ruim tien pas de lucht door, alsof een reusachtige hand hem opzij had gemept, en klapte op de stenen neer.