Выбрать главу

Terwijl hij nog opzij vloog, schoot Moiraine naar voren, haar voeten vlogen over het plaveisel tot ze recht voor Lanfir stond. Het duur de maar heel even. De Verzaker keek haar aan, alsof ze zich afvroeg wat haar daar zomaar voor de voeten liep, waarna Moiraine zo hard opzij werd gegooid dat ze rond en rond tolde, voor ze onder een van de wagens verdween.

De kade was één woeste wanorde. De wanden van Kaderes wagen waren nog maar net opengebarsten, maar alleen een blinde zou niet weten dat de vrouw in het wit de Ene Kracht geleidde. Overal langs de kaden flitsten bijlen, werden touwen doorgesneden, maakten bar kassen zich los, terwijl de bemanning wanhopig het vaartuig naar het open water boomde om te kunnen vluchten. Dokwerkers met ontblote bovenlijven en in het donker geklede stadslieden verdrongen elkaar om op een boot te springen. Aan de kant van de stadrenden mensen wild door elkaar heen en vochten zich schreeuwend een weg door de poorten, terug de stad in. Daartussen sluierden in cadin’sor geklede Aiel zich en snelden op Lanfir af, met speren, dolken of hun blote handen. Er bestond geen enkele twijfel dat de aanval van haar afkomstig was, geen twijfel dat ze streed met de Ene Kracht. Niettemin snelden ze erheen voor de dans met de speren. In golven rolde het vuur over hen heen. Brandende pijlen doorboorden de Aiel die kwamen aanrennen en hun kleren vatten vlam. Feitelijk streed Lanfir niet echt tegen hen en schonk ze hun nauwelijks aandacht. Ze zou zo ook luizen of bijters doodslaan. Niet alleen de krijgers, maar ook de mensen die wegvluchtten, gingen in vuur op. Ze liep op Rhand af alsof er niets anders bestond. Slechts enkele hartkloppingen.

Ze had drie stappen gezet toen Rhand de mannelijke helft van de Ware Bron aangreep, gesmolten staal en staalverbrijzelend ijs, zoete honing en walgelijk vuil. Diep in de leegte was het gevecht om te overleven heel veraf, de strijd voor hem was nauwelijks minder ver weg. Terwijl Moiraine onder de wagen verdween, geleidde hij, onttrok hitte aan Lanfirs vuur en geleidde het de rivier in. Vlammen die even ervoor menselijke gestalten hadden omhuld, verdwenen. Op het zelfde ogenblik weefde hij de stromen opnieuw en een mistige grijze koepel werd zichtbaar, een lange ovaal die hem en Lanfir en de mees te wagens omsloot, een bijna doorzichtige muur die iedereen bui tensloot die er al niet in was. Zelfs toen hij de stromen verknoopte, wist hij niet zeker wat het was of waar het vandaan was gekomen een of andere herinnering van Lews Therin waarschijnlijk – maar Lanfirs vlammen sloegen erop dood. Hij kon de mensen erbuiten vaag zien; te veel mensen stortten neer en verkrampten schokkend. Hij had de vlammen kunnen stoppen, niet het schroeien van het vlees. Die stank hing nog in de lucht; maar nu zou het vuur geen nieuwe slachtoffers maken. Er lagen ook lijken in de koepel, hoopjes ver koolde kleren, sommigen nog zwakjes bewegend, kreunend. Ze gaf er niets om; haar geleide vlammen doofden; de luizen waren verwijderd en ze keek geen enkele keer opzij.

Hartkloppingen. In de leegheid van de leegte voelde hij zich koud en misschien voelde hij verdriet vanwege de doden, stervenden en zwaar gewonden, maar het gevoel was zo ver weg dat het tegelijk ook niet bestond. Hij was de koelte zelf. De leegheid zelf. Alleen saidin zied de in hem.

Bewegingen aan weerskanten. Aviendha en Egwene, hun ogen strak op Lanfir gericht. Hij had de bedoeling gehad ze buiten te sluiten. Ze moesten met hem zijn meegerend. Mart en Asmodean erbuiten. De mistmuur reikte niet tot de achterste wagens. In ijzige kalmte geleidde hij Lucht om Lanfir te verstrikken; Egwene en Aviendha konden haar afschermen terwijl hij haar afleidde. Iets kapte zijn stromen af; ze klapten zo hard terug dat hij gromde. ‘Een van hen,’ grauwde Lanfir. ‘Wie is Aviendha?’ Egwene wierp haar hoofd in de nek en jankte, haar ogen puilden uit, al het lijden van de wereld krijste uit haar mond. ‘Wie?’ Aviendha stond op haar tenen, trillend, haar gehuil joeg Egwenes krijsen na, werd hoger en hoger.

Opeens ontstond er een gedachte in de leegheid: Geest op die wijze verweven, met Vuur en Aarde. Daar. Rhand voelde hoe er iets werd doorgesneden, iets wat hij niet kon zien en Egwene klapte roerloos op de kadestenen neer. Aviendha zat op handen en knieën, met gebogen hoofd, heen en weer zwaaiend.

Lanfir wankelde. Haar ogen schoten van de twee vrouwen naar Rhand, donkere poelen van zwart vuur. ‘Je bent de mijne, Lews Therin! De mijne.’

‘Nee!’ Rhands stem leek zijn oren te bereiken door een lang smal ravijn. Leid haar af van de meisjes. Hij bleef naar voren lopen, keek niet om. ‘Ik ben nooit de jouwe geweest, Mierin. Ik zal altijd Ilyena toebehoren.’ De leegte trilde van spijt, verdriet en wanhoop, terwijl hij iets anders dan het ziedende saidin bevocht. Heel even verkeerde hij in wankel evenwicht. Ik ben Rhand Altor. En: Ilyena, altijd en immer in mijn hart. In evenwicht op het scherp van de snede. Ik ben Rhand Altor. Andere gedachten, een fontein van gedachten, trachtten zich op te dringen, over Ilyena, over Mierin, over hoe hij haar kon verslaan. Met geweld onderdrukte hij ze, zelfs de laatste. Als hij aan de verkeerde kant terechtkwam... Ik ben Rhand Altor!

‘Jij bent Lanfir en ik sterf liever dan een Verzaker lief te hebben.’ Er gleed iets over haar gezicht wat pijn had kunnen zijn, maar het werd weer als een marmeren masker. ‘Als je de mijne niet bent,’ zei ze kil, ‘dan ben je dood.’

Er vlijmde een dodelijke pijn door zijn borst, alsof zijn hart op het punt stond te ontploffen, en in zijn hoofd werden withete nagels zijn hersens in gedreven, een pijn die zo groot was dat hij binnen de leeg te wilde krijsen. De dood was aanwezig en hij wist het. Verwoed zelfs in de leegte verwoed, de leegheid flikkerde en kromp – weefde hij Geest, Vuur en Aarde en slingerde die wild in het rond. Zijn hart klopte niet meer. Vingers van zwarte pijn vergruizelden de leegte. Een grijze sluier gleed over zijn ogen. Hij voelde hoe zijn weefsel wild door het hare sneed. Brandende adem in lege longen, een sprong van het hart, dat weer begon te pompen. Hij kon weer zien; er dreven zilveren en zwarte vlekjes tussen hem en de onbewogen kijkende Lanfir, die haar evenwicht probeerde te herwinnen na de terugslag van haar stromen. De pijn zat nog steeds als wonden in zijn hoofd en hart, maar de leegte werd weer steviger en de lichamelijke pijn was ver weg.

Dat was goed, want hij had geen tijd om te herstellen. Hij dwong zich verder te lopen en haalde met Lucht naar haar uit, een knuppel om haar bewusteloos te slaan. Ze doorkliefde het weefsel en opnieuw sloeg hij toe, steeds weer opnieuw, iedere keer wanneer zij zijn laatste weefsel had doorgesneden. Een woeste regen van slagen die ze op de een of andere manier zag en opving, terwijl hij haar steeds meer naderde. Als hij haar nog even bezig kon houden, als een van die on zichtbare knuppels haar hoofd wist te raken, als hij zo dichtbij kon komen dat hij haar eigenhandig neer kon slaan... Bewusteloos zou ze even hulpeloos zijn als ieder ander.

Opeens leek ze te beseffen wat hij aan het doen was. Nog steeds zijn slagen gemakkelijk afwerend, alsof ze die allemaal zag, danste ze naar achteren tot haar schouders de wagen achter haar raakten, glimlachend als hartje winter. ‘Je zult langzaam sterven en mij smeken of je mij voor je dood mag liefhebben,’ zei ze.

Ditmaal richtte ze niet rechtstreeks op hem, maar op zijn verbinding met saidin.

Paniek dreunde bij de eerste messcherpe aanraking als een gong door de leegte; en de Kracht verminderde toen haar aanraking dieper en dieper tussen hem en de Bron drong. Met Geest, Vuur en Aarde kerf de hij in haar lemmet; hij wist waar het was, hij wist waar zijn ver binding zat, kon de eerste kerf voelen. Haar opgeworpen schild ver dween, verscheen, keerde even snel terug als hij het doorsneed, maar telkens ging het gepaard met een kort terugwijken van saidin. Telkens waren het ogenblikken dat het bijna verdween, waardoor zijn tegenzet amper goed genoeg was om haar aanval af te slaan. Het gebruik van twee weefsels tegelijk had gemakkelijk moeten zijn – hij kon er wel tien of meer inzetten – maar niet wanneer het ene een wanhopige verdediging was tegen iets waarvan hij niet wist dat het er was tot het bijna te laat was. Niet wanneer de gedachten van een andere man in de leegte naar boven leken te kruipen; gedachten die hem probeerden te vertellen hoe hij haar kon verslaan. Als hij ernaar luisterde, zou Lews Therin Telamon van de kade kunnen weglopen, met Rhand Altor als een verre stem ergens in diens hoofd. ‘Ik zal die beide trutten laten toekijken hoe je mij smeekt,’ zei Lanfir. ‘Maar zal ik ze laten zien hoe jij sterft of zal ik jou naar hun dood laten kijken?’ Wanneer was ze op de wagen geklommen? Hij moest haar in het oog houden, letten op elk teken van vermoeidheid, elke aanwijzing dat ze afgeleid werd. Het was vergeefse hoop. Staande naast de verwrongen deurlijst, naast de ter’angreaal, keek ze op hem neer, een koningin die een vonnis ging uitspreken. Toch had ze nog tijd over om kil te glimlachen naar een verkleurde ivoren armband die ze in haar vingers rond liet draaien. ‘Wat zal je het meest pijn doen, Lews Therin? Ik wil je pijn doen. Ik wil dat je zoveel pijn lijdt als geen mens eerder heeft geleden.’