Hoe dikker de stroom tussen hem en de Bron zou zijn, hoe moeilijker het zou worden die door te snijden. Zijn hand verstrakte zich in zijn jaszak. Het dikke mannetje drukte hard tegen het reigerlitteken dat in zijn handpalm was gebrand. Hij trok zoveel saidin aan als hij kon, tot de smet in de leegheid als een mistregen met hem meedreef. ‘Pijn, Lews Therin.’
En de pijn kwam, de wereld ging in doodspijn onder. Niet in zijn hoofd of hart, deze keer, maar in elk stukje van zijn lichaam. Hete naalden die in de leegte prikten. Hij meende telkens een kwellend gesis bij iedere steek te horen en elke steek ging dieper dan de vorige. Haar pogingen hem af te schermen vertraagden niet; ze werden sneller en sterker. Wat was ze ongelooflijk krachtig. Vastklemmend aan de leegte, aan het rijtende, vrieskille saidin, verdedigde hij zich hevig. Hij kon er een eind aan maken, haar afmaken. Hij kon de bliksem laten neerslaan of haar in het vuur hullen dat ze zelf had gebruikt om te doden.
Beelden schoten door de pijn heen. Een vrouw in donkere kledij die van haar paard viel, het vuurrode zwaard in zijn handen. Marts kille ogen; ik heb haar gedood. Een goudblonde vrouw die ergens in een verwoeste paleishal lag, waarvan de muren schijnbaar waren gesmolten en ingezakt. Ilyena vergeef me!
Het was een hopeloze kreet. Hij kon er een eind aan maken. Hij was er echter niet toe in staat. Hij stond op het punt te sterven, misschien zou de wereld sterven, maar hij kon het niet opbrengen een vrouw te doden. Op de een of andere manier leek het de volmaaktste grap die de wereld ooit had gekend.
Moiraine veegde het bloed van haar mond en kroop aan de achter kant onder de wagen uit. Ze kwam wankelend overeind en ving het geluid op van een lachende man. Onwillekeurig schoten haar ogen heen en weer, op zoek naar Lan, en ze zag hem op de grond liggen, vlak bij de mistige koepelwand rond en boven haar. Hij bewoog, ver zamelde misschien zijn krachten om op te staan, was mogelijk ster vende. Ze dwong zich niet aan hem te denken. Hij had haar zo vaak het leven gered dat hij er eigenlijk aanspraak op mocht maken, maar ze had altijd al het mogelijke gedaan om hem zijn eenzame strijd tegen de Schaduw te laten overleven. Nu moest hij zonder haar leven of sterven.
Het lachen kwam van Rhand, die geknield op de kadestenen zat. Lachend, terwijl de tranen over zijn gezicht stroomden, dat verwrongen stond als bij een man die zich op een breukpunt bevond. Moiraine voelde zich koud worden. Als krankzinnigheid hem te pakken had gekregen, kon ze verder niets meer doen. Ze kon slechts doen wat ze kon doen. Wat ze moest doen.
Toen ze Lanfir zag, kwam dat als een schok. Niet van verrassing, maar doordat ze zag wat ze na Rhuidean zo vaak in haar dromen had waargenomen. Lanfir, staande op een wagenvloer, die door saidar schitterde als de zon en werd omlijst door de verwrongen rood stenen ter’angreaal terwijl ze op Rhand neerkeek met een genadelo ze glimlach om de lippen. Ze draaide een armband in haar vingers rond. Een angreaal. Tenzij Rhand zelf ook een angreaal bezat, zou ze hem daarmee kunnen verpletteren. Of hij had er een, of Lanfir was met hem aan het spelen. Het deed er niet toe. Moiraine had een hekel aan die cirkel van donkergeel bewerkt ivoor. Op het eerste gezicht leek het een tuimelaar die zich achterover boog om zijn enkels te grijpen. Alleen als je beter keek, zag je dat de enkels en polsen aan elkaar waren geboeid. Ze had er een afkeer van, maar had hem zelf uit Rhuidean meegenomen. Gisteren had ze de armband uit een zak met allerlei spullen gehaald en hem bij de drempel van de ter’angreaalpoort neergelegd.
Moiraine was licht, een kleine vrouw. Haar gewicht liet de wagen niet bewegen toen ze erop klom. Ze kromp in elkaar toen een splinter in haar gewaad haakte en het scheurde, maar Lanfir keek niet om. De vrouw had ieder gevaar bezworen, alleen Rhand nog niet. Hij was het enige stukje van de wereld dat ze erkende, tenminste op dat ogenblik.
Ze onderdrukte een klein sprankje hoop – die weelde kon ze zich niet veroorloven -, zocht haar evenwicht aan de andere kant van de wagen, omhelsde toen de Ware Bron en sprong op Lanfir af. De Verzaker had maar een tel en kon zich nog net omdraaien voor Moiraine tegen haar aan klapte en de armband weggraaide. Met hun gezichten bijna tegen elkaar tuimelden ze de ter’angreaal in. Wit licht verteerde alles.
53
Vervagende woorden
In de diepte van een krimpende leegte zag Rhand Moiraine schijnbaar uit het niets naar voren schieten om Lanfir te grijpen. De aan vallen op hem namen af toen de twee vrouwen door de ter’angreaalpoort vielen in een opflitsend wit licht dat maar niet ophield. Het licht vulde de vreemd gedraaide roodstenen rechthoek, alsof het eruit wilde stromen, maar tegen een onzichtbare hindernis stuitte. Blik semschichten kronkelden blauw en wit rond de ter’angreaal, werden steeds feller en heviger, terwijl gonzend gezoem door de lucht kraak te.
Rhand kwam wankelend overeind. De pijn was nog niet echt ver dwenen, maar de druk wel en daarmee was er de belofte dat de pijn zou zakken. Hij kon zich niet van de ter’angreaal afwenden. Moiraine. Haar naam danste in zijn hoofd rond, gleed langs de leegte. Lan rees naast hem op, strak naar de wagen kijkend, steun zoekend alsof elke beweging naar voren zijn val kon voorkomen. Rhand kon zich alleen maar overeind houden. Hij geleidde en ving de zwaardhand in stromen Lucht. ‘Je... je kunt niets doen, Lan. Je kunt haar niet achterna.’
‘Ik weet het,’ zei Lan verloren. Hij was midden in een stap gevangen, verzette zich er niet tegen, maar staarde slechts naar de ter’angreaal die Moiraine had verzwolgen. ‘Het Licht schenke me vrede. Ik weet het.’
De wagen zelf had nu vlam gevat. Rhand probeerde de brand te doven, maar zodra hij op de ene plek de hitte onttrok, staken de bliksemschichten het vuur elders weer aan. Zelfs de stenen poort begon te walmen, een witte bijtende rook die zich dik onder de grijze koepel ophoopte. Zelfs een vleugje ervan prikte bijtend in Rhands neus en deed hem hoesten. Zijn huid brandde en stak op de plaats waar de rook hem raakte. Haastig ontknoopte hij het weefstel van de koe pel, brak het eigenlijk meer open dan dat hij het oplossen afwacht te en weefde toen rond de wagen een hoge schoorsteen van Lucht, glimmend als glas, om de dampen zo hoog en zo ver mogelijk weg te voeren. Daarna maakte hij Lan pas los. Hij had verwacht dat de man Moiraine toch zou volgen als hij bij de wagen had kunnen komen. Het was nu één vuurzee, waardoor ook de roodstenen poort verzwolgen werd, alles smolt als kaarsvet, maar voor een zwaard hand zou dat geen bezwaar zijn.
‘Ze is verdwenen. Ik kan haar aanwezigheid niet voelen.’ Het klonk of de woorden uit Lans borst werden gereten. Hij draaide zich om en liep zonder eenmaal om te kijken langs de rij wagens weg. Rhand volgde hem met zijn ogen en zag hoe Aviendha geknield Egwene vasthield. Hij liet saidin los en rende over de kade naar hen toe. De aanvankelijk verre pijn in zijn lichaam sloeg in alle hevigheid toe, maar hij holde wankel door. Asmodean zat er ook bij, rondkijkend of Lanfir elk moment uit de brandende wagen of een omgevallen graankar te voorschijn zou springen. En Mart, op zijn hurken met zijn zwarte speer tegen zijn schouder leunend, die Egwene met zijn hoed koelte toewuifde. Rhand kwam glijdend tot stilstand, is ze...’ ik weet het niet,’ zei Mart ellendig.