‘Wij hebben jou niet in de steek gelaten, Rhand Altor.’ Ze deed de deur achter zich dicht, ging op de vloer zitten en legde haar schild en twee speren neer. ‘Jij hebt óns in de steek gelaten.’ In één beweging plaatste ze haar voet tegen de speer die ze met twee handen vast hield, zette kracht en hij brak in tweeën.
‘Wat doe je?’ Ze gooide de stukken opzij en pakte een andere speer op. ‘Ik zei: wat ben je aan het doen?’ Het gezicht van de witharige Aielse zou zelfs Lan hebben gerustgesteld, maar Rhand boog zich voorover en greep de speer tussen haar twee handen vast. De zool van haar zachte laars rustte tegen zijn knokkels. Niet zacht. ‘Laat je ons een rok aantrekken? Laat je ons trouwen en veste en haard verzorgen? Of moeten we bij je vuur liggen en je handen likken wanneer je ons een stuk vlees geeft?’ Haar spieren spanden zich en de speer brak, zodat zijn hand vol splinters kwam te zitten. Hij trok zijn bloedende hand met een vloek terug en schudde de druppels bloed eraf. ‘Dat ben ik helemaal niet van plan. Ik dacht dat je dat begreep.’ Ze raapte de laatste speer op, trok haar voet op en hij geleidde, weefde Lucht, zodat ze zich niet meer kon bewegen. Ze staarde hem slechts zwijgend aan. ‘Bloedvuur, je hebt niks gezegd. Goed, ik heb de Speervrouwen buiten de veldslag met Couladin gehouden. Die dag heeft niet iedereen gestreden. Maar jullie hebben er geen woord over vuil gemaakt.’
Sulins ogen stonden wijd open van ongeloof. ‘Jij hebt óns uit de dans met de speren gehouden? Wij hebben jóu uit de dans weggehouden. Je was net een jong meisje dat net met de speer was gehuwd, klaar om weg te draven en Couladin te doden zonder ook maar even te denken aan de speer die je in de rug kon treffen. Jij bent de car’a’carn. Jij hebt niet het recht jezelf nodeloos in gevaar te brengen.’ Haar stem werd vlakker. ‘Nu ga je tegen een Verzaker vechten. Het is een goed bewaard geheim, maar van de andere aanvoerders van de genootschappen heb ik voldoende gehoord.’
‘En uit dat gevecht wil je me ook weghouden?’ vroeg hij kalm. ‘Doe niet zo dwaas, Rhand Altor. Bij Couladin kon iedereen met de speren dansen, maar jou gevaar te laten lopen was denken als een kind. Van ons kan niemand de Schaduwzielen bestrijden, alleen jij.’
‘Maar waarom...’ Hij zweeg, want hij wist het antwoord al. Na die met bloed doordrenkte dag tegen Couladin had hij zichzelf ervan overtuigd dat ze er niet om zouden geven. Hij had willen geloven dat ze dat niet zouden doen.
‘Zij die met jou gaan, zijn uitgekozen.’ De woorden werden hem als stenen toegegooid. ‘Mannen uit ieder genootschap. Mannen. Er zijn geen Speervrouwen bij, Rhand Altor. De Far Dareis Mai dragen jouw eer en je ontneemt ons die eer.’
Hij haalde diep adem en zocht moeizaam naar woorden. ‘Ik... ik hou er niet van een vrouw te zien sterven. Ik haat het, Sulin. Mijn ingewanden vormen dan een harde knoop. Ik zou nog geen vrouw kunnen doden als mijn leven ervan afhing.’ De blaadjes van Moiraines brief ritselden in zijn hand. Dood omdat hij Lanfir niet had kunnen doden. Niet alleen zijn eigen leven. ‘Sulin, ik zou het liever alleen tegen Rahvin opnemen dan dat iemand van jullie sterft.’
‘Een dwaas idee. Iedereen heeft iemand nodig om hem in de rug te beschermen. Dus het is Rahvin. Zelfs Roidan van de Donderlopers en Turol van de Steenhonden hebben dat verzwegen.’ Ze wierp een blik op haar geheven voet die door dezelfde stromen tegen de speer werd gehouden als haar armen. ‘Maak me los en we zullen praten.’ Hij aarzelde even en wikkelde het weefsel los. Hij hield zich gespannen klaar om haar opnieuw vast te pakken, als dat nodig mocht zijn, maar ze sloeg haar benen over elkaar heen en begon de speer in haar handen op en neer wippen. ‘Soms vergeet ik dat je door ander bloed werd opgevoed, Rhand Altor. Luister naar me. Ik ben wat ik ben. Dit is wat ik ben.’ Ze hield de speer omhoog. ‘Sulin...’
‘Luister, Rhand Altor. Ik bén de speer. Als er een minnaar tussen mij en de speer komt, kies ik de speer. Sommigen maken een andere keuze. Sommigen vinden dat ze lang genoeg met de speren hebben gelopen en willen een man of een kind. Ik heb nooit iets anders gewild. Geen enkel stamhoofd zou aarzelen om mij naar de heetste plek van de strijd te sturen. Als ik daar sterf, zouden mijn eerstezusters om me treuren, maar nog geen vingernageltje meer dan bij de dood van mijn eerstebroeder. Een boomdoder die mij in mijn slaap in het hart steekt, bewijst mij meer eer dan jij doet. Begrijp je het nu?’
‘Ik begrijp het, maar...’ Hij begreep het echt. Ze wilde niet dat hij van haar iemand anders maakte dan wie ze was. Hij hoefde slechts bereid te zijn om haar te zien sterven. ‘Wat gebeurt er als je de laatste speer breekt?’
‘Als je in dit leven geen eer hebt, heb je het misschien wel in het volgende.’ Ze zei het alsof ze iets anders uitlegde. Het duurde even voor het tot-hem doordrong. Hij hoefde slechts bereid te zijn om haar te zien sterven.
‘Je geeft me geen enkele keus, nietwaar?’ Niet meer dan hij Moiraine had gegeven.
‘Er is altijd een keus, Rhand Altor. Jij hebt een keus en ik heb er een. Ji’e’toh staat geen andere toe.’
Hij wilde haar afsnauwen, ji’e’toh vervloeken en iedereen die ernaar leefde. ‘Kies je Speervrouwen, Sulin. Ik weet niet hoeveel ik er mee kan nemen, maar de Far Dareis Mai zullen er evenveel hebben als elk ander krijgsgenootschap.’
Hij stapte langs haar en haar plotselinge glimlach heen. Geen glim lach van opluchting. Van plezier. Plezier dat ze de kans kreeg te sterven. Hij had haar in saidin gewikkeld moeten houden, haar moeten achterlaten en het moeten oplossen wanneer hij van Caemlin terug kwam. Hij gooide de deur open, stapte de kade op... en bleef staan. Enaila stond vooraan in een lange rij Speervrouwen, ieder met drie speren in de hand, een rij die zich uitstrekte van de deur van de ha venmeester en onder de poorten door de stad in. Enkele Aielmannen in de haven keken hen nieuwsgierig aan, maar het betrof duidelijk iets tussen de Far Dareis Mai en de car’a’carn; daar hadden de andere genootschappen niets mee te maken. Amys en drie of vier andere Wijzen die vroeger Speervrouwe waren geweest, keken nauw lettender toe. De meeste Cairhienin waren verdwenen, afgezien van enkele mannen die zenuwachtig omgevallen graankarren opzetten en probeerden de andere kant op te kijken. Enaila stapte op Rhand af en bleef staan toen Sulin naar buiten kwam. Geen opluchting. Plezier. Glimlachjes van plezier golfden door de lange rij Speervrouwen. Glimlachjes ook bij de Wijzen en een scherp knikje voor hem van Amys, alsof hij een eind had gemaakt aan een of ander idioot gedrag.
‘Ik dacht dat ze misschien een voor een naar binnen zouden gaan en je verdriet weg zouden kussen,’ zei Mart.
Rhand staarde Mart aan, zoals zijn vriend daar stond, grijnzend, leunend op zijn speer en de breedgerande hoed achter op zijn hoofd geschoven. ‘Hoe kun je zo opgewekt zijn?’ De stank van verkoold vlees hing nog in de lucht en het gekreun was hoorbaar van verbrande mannen en vrouwen die door de Wijzen werden verzorgd. ‘Omdat ik leef,’ snauwde Mart. ‘Wat wil je dan dat ik doe. Huilen?’ Hij trok zijn schouders op, niet op zijn gemak. ‘Amys zegt dat Egwene echt over enkele dagen weer in orde zal zijn.’ Toen keek hij rond, maar alsof hij niet wilde zien wat hij zag. ‘Bloedvuur, als we die klus gaan klaren, laten we het dan doen. Dovie’andi se tovya sa gain.’
‘Wat?’
‘Ik zei dat het tijd werd de stenen te laten rollen. Heeft Sulin je oren dichtgestopt?’
‘Tijd om de stenen te laten rollen,’ beaamde Rhand. De vlammen in de glazige schoorsteen waren gedoofd, maar nog steeds steeg er wit te rook op, alsof de vlammen werkten aan de vertering van de ter’angreaal. Moiraine. Hij had... Gedaan was gedaan. De Speervrouwen omringden Sulin, voor zover ze op de kade konden staan. Gedaan was gedaan en hij moest ermee leven. De dood zou een ontsnapping zijn van datgene waarmee hij moest leven. ‘Laten we het doen.’