Выбрать главу

Asmodean trok net de roodblauw gestreepte dekens naar zich toe en aarzelde. Hij keek naar Rhand op, zijn hoofd weer schuin. ‘Je... hebt iets gevonden... op het plein, de dag dat we elkaar ontmoetten...’

‘Vergeet dat maar,’ zei Rhand ruw. Het waren er trouwens twee geweest, niet een. ‘Ik heb het vernietigd.’ Hij meende te zien dat Asmodeans schouders wat omlaag zakten.

‘Dan zal de... Duistere je levend opvreten. Wat mij betreft, ik ben van plan mijn aderen open te snijden zodra ik hoor dat hij vrij is. Als ik de kans krijg. Een snelle dood is beter dan wat ik elders zal tegenkomen.’ Hij gooide de dekens opzij en bleef dof in het niets staren. ‘Zeker beter dan krankzinnig worden. Hoewel dat nu ook kan gebeuren; ook met jou, weet je. Jij hebt de banden die me beschermden verbroken.’ Zijn stem klonk niet verbitterd, eerder hul peloos.

‘En als er nu eens een andere manier bestaat om je voor de smet af te schermen?’ wilde Rhand weten. ‘Als het op de een of andere wij ze gezuiverd kan worden? Zou je dan nog steeds jezelf doden?’ Het blaffende gelach van Asmodean klonk door en door honend. ‘De Schaduw mag me pakken, je moet langzamerhand denken dat je de vervloekte Schepper zelf bent! We zijn dood. Allebei! Dood! Ben je zo verblind door trots dat je dat niet inziet? Of heb je zo’n dikke kop, hopeloze herder?’

Rhand weigerde in te binden. ‘Nou, ga je gang dan en maak er een einde aan,’ zei hij strak. Ik was niet zo verblind om te begrijpen wat jij en Lanfir van plan waren. Ik bad niet zo’n dikke kop dat ik haar kon bedriegen en jou gevangen kon nemen.

‘Als er geen hoop en geen kans is, niet de minste kans... waarom leef je dan nog?’ Asmodean keek hem nog steeds niet aan en wreef langs zijn neus. ‘Ik heb eens een man boven een afgrond zien hangen,’ zei hij langzaam. ‘De rotsrand verbrokkelde onder zijn vingers en het enige dat hij daar kon vastgrijpen, was een polletje gras, enkele lange sprieten waar van de wortels amper greep op de rots hadden. Het was zijn enige kans om weer boven op de rotswand te komen, en dus greep hij het vast.’ Zijn plotselinge gegrinnik klonk genadeloos. ‘Hij had kunnen weten dat het daardoor losgetrokken zou worden.’

‘Heb je hem gered?’ vroeg Rhand, maar Asmodean gaf geen antwoord.

Toen Rhand naar de deuropening liep, klonk weer de muziek van ‘De mars des doods’.

Achter hem vielen de kralensnoeren weer samen en de vijf Speervrouwen die in de brede lege gang wachtten, kwamen soepel over eind van de lichtblauwe tegels. Op een na waren ze voor vrouwen erg lang, zij het niet voor Aielvrouwen. Hun leidster, Adelin, was net een hand te klein om hem recht in de ogen te kunnen zien. De uit zondering vormde een felle roodharige die Enaila heette. Ze was niet groter dan Egwene en heel gevoelig over haar geringe lengte. Hun ogen waren net als die van de stamhoofden blauw, grijs of groen, en hun lichtbruine, hoogblonde of rossige haren waren kortgeknipt, af gezien van een staartje in de nek. Volle pijlkokers zorgden voor even wicht met de lange messen aan hun riemen, en op hun rug droegen ze een hoes met een hoornboog. Ieder droeg drie of vier korte speren met lange bladen en een rond schild van stierenleer. Aielvrouwen die geen eigen haard en kinderen wilden, hadden hun eigen krijgs genootschap: Far Dareis Mai, de Speervrouwen.

Rhand begroette hen met een kleine buiging, wat hen deed glimlachen. Het was geen gewoonte bij de Aiel, tenminste niet op de ma nier die hij als kind had geleerd. ‘Ik zie jou, Adelin,’ zei hij; ‘maar waar is Joinde? Ik meende dat ze hier was. Is ze ziek geworden?’

‘Ik zie jou, Rhand Altor,’ antwoordde ze. Haar lichtblonde haren leken nog lichter rond haar door de zon gebruinde gezicht. Ze had een smal, wit litteken op haar wang. ‘In zekere zin. Ze zat al de hele dag in zichzelf te mompelen en kort geleden is ze ervandoor gegaan om de bruidskrans aan de voeten van Garan van de Jhirad Goshien neer te leggen.’ Enkele andere vrouwen schudden het hoofd; trouwen betekende dat je de speer opgaf. ‘Morgen is zijn laatste dag als haar gai’shain. Joinde is een Zwartrots Shaarad,’ voegde ze er veelbetekenend aan toe. Het had inderdaad veel betekenis; een huwelijk tussen een Aiel en zijn of haar gai’shain kwam vaak voor, maar slechts zelden tussen stammen met een bloedvete, zelfs als die was opgeschort.

‘Het is een ziekte die zich verspreidt,’ zei Enaila verhit. Haar stem was vaak even vurig als de kleur van haar haren. ‘Sinds we in Rhuidean zijn aangekomen, hebben iedere dag een of twee Speervrouwen hun bruidskrans gevlochten.’

Rhand knikte met iets waarvan hij hoopte dat het medeleven toon de. Het kwam door hem. Hij vroeg zich af hoevelen van hen nog het gevaar wilden trotseren dat ze in zijn buurt liepen, als hij hun dat zou vertellen. Waarschijnlijk allen; de eer zou hen bijeenhouden en ze kenden even weinig vrees als de stamhoofden. Gelukkig waren ze tot dusver alleen door bruiloften weggegaan; zelfs Speervrouwen zouden trouwen beter vinden dan wat anderen hadden meegemaakt, ik ben zo klaar om te vertrekken,’ zei hij.

‘We zullen geduldig wachten,’ zei Adelin. Het leek nauwelijks op geduld, zoals ze daar stonden, allemaal op het punt om als een gespannen veer los te schieten.

Het kostte hem weinig tijd om te doen wat hij wilde. Hij weefde stromen Geest en Vuur tot een blok rond het vertrek en verknoopte die, zodat het weefsel uit zichzelf in stand bleef. Iedereen kon naar binnen of naar buiten, met uitzondering van een geleider. Voor hemzelf – of voor Asmodean – zou het lijken of hij door een muur van felle vlammen moest stappen. Hij had het weefsel bij toeval ontdekt en wist ook dat de afgeschermde Asmodean te zwak was om er met geleiding uit te komen. Waarschijnlijk zou niemand letten op het doen en laten van een speelman, maar als iemand dat wel deed: Jasin Natael gaf er gewoon de voorkeur aan om in Rhuidean zo ver moge lijk bij de Aiel vandaan te slapen. Dat was een keus waar de voer lieden en bewakers van Hadnan Kadere heel veel begrip voor zouden hebben. En op deze manier wist Rhand tenminste precies waar de man zich ’s nachts bevond. De Speervrouwen stelden hem geen vragen.

Hij draaide zich om. De vrouwen volgden hem, op enige afstand van elkaar en rondloerend alsof ze hier en nu op een aanval rekenden. Asmodean speelde nog steeds de droeve treurmars.

Met zijn armen wijd liep Mart Cauton over de brede witte rand van de droge fontein en zong de omstanders toe die hem in het zwakker wordende licht aanstaarden.

We drinken wijn tot we de klank van lege bekers horen; Kussen de deernen om hun snikken te smoren; Dobbelen vurig de nacht door tot het ochtendgloren voor we gaan dansen met Jak van de Schaduw.