Выбрать главу

‘Het betekent niets,’ knikte hij treurig. Niet dat hij eigenlijk wilde dat het wel iets betekende, maar het zou prettig zijn geweest als ze hem zo langzamerhand als vriend was gaan zien. Het was gewoon dwaas zich jaloers te voelen. Ik vraag me af van wie ze de ketting heeft.

‘Aviendha, was ik een van die mannen die je zo erg haat?’

‘Ja, Rhand Altor.’ Opeens klonk haar stem schor. Heel even wend de ze zich af, met gesloten ogen en bevend, ik haat je vanuit het diepst van mijn hart. En dat zal ik altijd blijven doen.’ Hij deed geen moeite naar de reden te vragen. Dat had hij al eens gedaan en toen had ze bijna zijn neus eraf gebeten. Maar ze had het toen niet uitgesproken. En dit was erger dan de afkeer, die ze soms leek te vergeten. ‘Als je me echt haat,’ zei hij met tegenzin, ‘zal ik de Wijzen vragen of ze iemand anders sturen om me dingen te leren.’

‘Nee!’

‘Maar als je nou...’

‘Nee!’ Het leek onmogelijk, maar haar ‘nee’ was ditmaal nog woester. Ze plantte de vuisten in haar zij en sprak belerend, alsof ze hem van ieder woord wilde doordringen. ‘Zelfs als de Wijzen het goed vinden dat ik ermee stop, dan heb ik nog toh, verplichting en plicht, jegens mijn bijna-zuster Elayne om jou in het oog te houden. Je behoort haar toe, Rhand Altor. Haar! Geen enkele andere vrouw. Denk daaraan.’

Hij had zin om wanhopig zijn handen omhoog te steken. Gelukkig ging ze hem vandaag niet precies beschrijven hoe Elayne er ongekleed uitzag; hij kon aan sommige Aielgewoonten moeilijker wennen dan aan andere. Soms vroeg hij zich af of zij en Elayne dit ‘op passen’ samen hadden afgesproken. Hij nam aan van niet, maar ja, ook alle andere vrouwen deden vaak zo vreemd. Afgezien daarvan vroeg hij zich af tegen wie Aviendha hem moest beschermen. Ze kon hem alleen beschermen tegen de Speervrouwen en Wijzen, want Aielvrouwen zagen hem aan de ene kant als een vleesgeworden voor spelling, en dus eigenlijk helemaal niet van vlees, en aan de andere kant als een bloedadder in de buurt van spelende kinderen. De Wijzen waren bijna even erg als Moiraine, met hun pogingen ervoor te zorgen dat hij deed wat zij wilden. En aan de Speervrouwen wilde hij niet eens denken. De hele kwestie maakte hem woest. ‘Nu moet jij even goed naar me luisteren! Ik heb Elayne een paar keer gekust en ik denk dat ze er evenzeer van genoot als ik, maar ik heb niemand iets beloofd. Ik weet niet eens zeker of ze me nog wel wil.’ Binnen enkele uren had ze hem in Tyr twee brieven geschreven. In de eerste noemde ze hem haar hartenlicht, gevolgd door woorden waar hij rode oren van kreeg. In de tweede kon hij lezen dat hij een kille sukkel was die ze nooit meer wilde zien, die ze eerst van voren en daarna van achteren zou openkerven, op een manier die zelfs Aviendha nooit had klaargespeeld. Vrouwen waren echt vreemd, ik heb trouwens toch geen tijd om aan vrouwen te denken. Al mijn aan dacht is gericht op het verenigen van de Aiel, zelfs de Shaido als me dat lukt. Ik...’ Hij zweeg brommend toen uitgerekend de laatste vrouw die hij hier hoopte te zien, de kamer binnen zwierde met heel veel rinkelende sieraden. Ze droeg een dienblad waarop een hand geblazen karaf wijn stond met twee zilveren bekers. De doorzichtige roodzijden sjaal die Isendre rond haar hoofd had gewikkeld, verborg niets van haar bleke, mooie hartvormige gezichtje. Haar lange donkere haren en donkere ogen waren zeker niet Aiels. Haar volle pruillipjes waren verlokkend rond – tot ze Aviendha zag. Toen vervaagde de glimlach tot iets ziekelijks. Afgezien van de sjaal droeg ze tientallen halsbanden en kettingen van goud en ivoor, sommige afgezet met parels of glanzende sierstenen. Bijna evenveel arm banden verborgen beide polsen en rond haar enkels zaten er nog meer. Maar dat was alles, alles wat ze aan had. Hoewel hij ervoor zorgde dat hij strak naar haar gezicht bleef kijken, gloeiden zijn wangen.

Aviendha leek een onweerswolk waaruit elk moment bliksems konden schieten en Isendre zag eruit als een vrouw die net had gehoord dat ze levend gekookt zou worden. Rhand had graag ergens anders willen zijn, zelfs de Doemkrocht was hem liever geweest dan zijn slaapkamer. Toch krabbelde hij overeind, hij zou meer gezag uit stralen als hij op hen neerkeek dan wanneer hij bleef zitten. ‘Aviendha,’ begon hij, maar ze negeerde hem. ‘Heeft iemand je gezegd dat te brengen?’ vroeg ze kil. Isendre deed haar mond al open, de leugen viel al op haar gezicht af te lezen, maar haalde toen diep adem en fluisterde: ‘Nee.’

‘Je bent hiervoor gewaarschuwd, sorda.’ Een sorda was een soort rat, uitzonderlijk sluw volgens de Aiel en ook nergens voor geschikt; het vlees smaakte zo sterk dat zelfs katten een sordaprooi bijna nooit opvraten. ‘Adelin dacht dat je dat de laatste keer wel had geleerd.’ Isendre kromp ineen en wankelde alsof ze flauw ging vallen. Rhand vermande zich. ‘Aviendha, of ze nu gestuurd is of niet, doet er niet toe. Ik heb best wel dorst en als ze zo aardig is om me wijn te brengen, zou ze bedankt moeten worden.’ Aviendha keek koeltjes naar de twee bekers en trok haar wenkbrauwen op. Hij haalde diep adem. ‘Ze hoeft geen straf te krijgen, enkel omdat ze mij iets te drinken heeft gebracht.’ Hij waakte er wel voor naar het blad zelf te kijken. ‘Bijna iedere Speervrouwe onder het Dak heeft het me gevraagd en...’

‘Ze staat onder de hoede van de Speervrouwen omdat ze hen bestolen heeft, Rhand Altor.’ Aviendha’s stem was nog killer dan toen ze Isendre had aangesproken. ‘Je hebt je al veel te veel met de zaken van Far Dareis Mai bemoeid, veel meer dan je toegestaan had mogen worden. Zelfs de car’a’carn kan de gerechtigheid niet dwarsbomen; deze zaak gaat je niets aan.’

Hij grijnsde... en liet het erbij. Wat de Speervrouwen ook zouden doen met Isendre, ze had het zeker verdiend. Niet alleen vanwege dit. Ze was met Hadnan Kadere de Woestenij in gekomen, maar de marskramer had zich niet verzet toen de Speervrouwen haar oppakten voor het stelen van juwelen. Ze mocht nu alleen sieraden dragen. Dat was het enige dat Rhand had kunnen doen om te voorkomen dat ze als een gekluisterde geit naar Shara zou worden gebracht of naakt met slechts één waterzak naar de Drakenmuur zou worden gestuurd. Toen hij haar om genade had horen smeken nadat ze besefte wat de Speervrouwen met haar van plan waren, had hij zich niet afzijdig kunnen houden. Hij had een keer – toen met Mart in de stal – een vrouw gedood, een vrouw die van plan was hem te vermoorden, en dat stond nog steeds in zijn geheugen gegrift. Hij dacht niet dat hij dat ooit nog een keer kon doen, zelfs niet als zijn leven op het spel stond. Heel dwaas natuurlijk, nu de vrouwelijke Verzakers op zijn bloed uit waren, maar zo lagen de zaken nu eenmaal. En als hij geen vrouw kon doden, hoe kon hij dan wel rustig toekijken als een vrouw zou sterven? Zelfs als ze het verdiende? Dat was wat aan hem knaagde. In elk land ten westen van de Drakenmuur zou Isendre aan de galg komen, of onder de beulsbijl, door wat hij van haar wist; zij, Kadere en waarschijnlijk vele knechten van de koopman, zo niet allemaal, waren Duistervrienden. En hij kon het niet bekendmaken. Zijzelf wisten ook niet dat hij het wist. Als van een van hen bekend werd dat hij een Duistervriend was...

Isendre verdroeg alles zo goed mogelijk, omdat haar lot als dienst meid, een naakte dienstmeid, beter was dan gebonden aan handen en voeten in de brandende zon te worden achtergelaten. Maar niemand zou zijn mond houden als Moiraine hen in handen kreeg. Aes Sedai hadden even weinig erbarmen met Duistervrienden als met anderen; ze zou binnen de kortste keren hun tongen hebben losgemaakt. Maar ook Asmodean was met de handelskaravaan de Woestenij in gekomen. Nog een Duistervriend, dachten Kadere en de anderen, al had hij wel veel meer gezag. Ongetwijfeld dachten ze dat hij op bevel van iemand met nog meer gezag bij de Herrezen Draak in dienst was getreden. Om zijn leraar te behouden, om ervoor te zorgen dat Moiraine de leraar – én leerling waarschijnlijk – niet zou doden, moest Rhand hun geheim bewaren.