Выбрать главу

Gelukkig vroeg niemand zich af waarom de Aiel de koopman en zijn helpers zo nauwgezet bewaakten. Moiraine dacht dat het de gebruikelijke achterdocht van de Aiel was tegen natlanders in de Woestenij, die door hun aanwezigheid in Rhuidean nog was versterkt. Ze had al haar overredingskracht moeten gebruiken om hun toestemming te krijgen Kadere met zijn karavaan de stad binnen te laten. De achterdocht was wel echt. Rhuarc en de andere stamhoofden zouden sowieso bewakers hebben geplaatst, ook als Rhand het niet had verzocht. En Kadere was er al gelukkig mee dat hij geen speer door zijn lijf kreeg.

Rhand had geen enkel idee hoe hij deze zaak moest oplossen. En of hij dat wel kon. Het was een mooie bende. In speelmanverhalen zaten alleen schurken zo in het nauw. Toen Aviendha zeker wist dat hij niet opnieuw tussenbeide zou komen, richtte ze haar aandacht op de andere vrouw. ‘Zet de wijn maar neer.’

Sierlijk knielde Isendre half neer om het blad naast de strozak te zet ten, een merkwaardige grimas op haar gezicht. Het duurde even voor het tot Rhand doordrong dat ze probeerde hem onopgemerkt toe te lachen.

‘Nu ga je op een holletje naar de eerste de beste Speervrouwe die je tegenkomt,’ vervolgde Aviendha, ‘en vertel je haar wat je hebt gedaan. Hollen, sorda!’ Kreunend en handenwringend rende Isendre met veel gerinkel van sieraden weg. Ze was de kamer nog niet uit of Aviendha kwam vierkant voor hem staan. ‘Jij behoort Elayne toe! Je hebt het recht niet een vrouw naar je toe te lokken, en zeker dat mens niet.’

‘Haar?’ Rhand snakte naar adem. ‘Denk je dat ik... Geloof me, Aviendha, al was zij de laatste vrouw ter wereld, dan zou ik nog zo ver mogelijk van haar wegrennen.’

‘Dat zeg jij!’ Ze snoof. ‘Ze is zevenmaal gegeseld – zevenmaal! – om dat ze je bed in wilde kruipen. Ze zou niet zo volhouden als ze niet werd aangemoedigd. Ze ondergaat de gerechtigheid van de Far Da reis Mai en zelfs een car’a’carn mag zich daar niet mee bemoeien. Zie dat maar als je les in Aielgewoonten van vandaag. En bedenk dat je mijn bijna-zuster toebehoort!’ Ze gaf hem geen enkele kans iets terug te zeggen en beende naar buiten met zo’n gezicht dat hij dacht dat Isendre het niet zou overleven als Aviendha haar inhaalde. Hij liet zijn adem langzaam ontsnappen en stond even op om het blad en de wijn in een hoek te zetten. Hij was niet van plan iets te drinken van wat Isendre had gebracht.

Had ze zeven keer geprobeerd bij hem te komen? Ze moest hebben opgevangen dat hij het voor haar had opgenomen. In haar manier van denken zou ze ongetwijfeld aannemen dat hij, als hij al zoveel voor een broeierige oogopslag en een glimlach had willen doen, voor grotere gunsten nog veel meer zou doen. Hij huiverde zowel van die gedachte als van de nachtelijke kou. Hij vond nog liever een schorpioen in zijn bed. Als de Speervrouwen er niet in slaagden haar te overtuigen, dan kon hij haar misschien maar beter vertellen wat hij wist. Dat zou wel een eind maken aan haar plannetjes. Hij blies de lampen uit en kroop in het donker naar zijn strozak, nog steeds volledig gekleed en met zijn laarzen aan. Hij stommelde wat rond tot hij alle dekens over zich heen had getrokken. Zonder een warm vuur zou hij Aviendha vermoedelijk al voor de ochtend diep dankbaar zijn. Hij plaatste de ban van Geest die zijn dromen af schermde tegen anderen. Dat gebeurde nu bijna vanzelf, maar toen hij het deed, grinnikte hij inwendig. Hij had in bed kunnen kruipen en dan met de Kracht de lampen kunnen doven. Hij dacht er nooit aan de Kracht te gebruiken voor eenvoudige dingen. Een tijdlang lag hij te wachten tot zijn lichaamswarmte het onder de dekens behaaglijk maakte. Hij snapte niet hoe dezelfde plek overdag zo heet kon zijn en ’s nachts zo koud.

Hij voelde onder zijn jas en streek over het half genezen litteken in zijn zij. Die wond, de enige die Moiraine nooit helemaal had kunnen helen, zou hem uiteindelijk doden. Dat wist hij zeker. Zijn bloed op de rotsen van Shayol Ghul. Dat zeiden de Voorspellingen. Niet vannacht. Vannacht wil ik er niet aan denken. Ik heb nog even tijd. Maar als de zegels al met een mes afgeschilferd kunnen worden, zijn ze dan nog wel zo sterk...? Nee, vannacht niet. Het werd al warmer onder de dekens en rondwoelend probeerde hij de gemakkelijkste houding te vinden. Ik had me moeten wassen, dacht hij doezelig. Egwene lag waarschijnlijk op ditzelfde ogenblik in een warme zweettent. Als hij er een gebruikte, wilde een handvol Speervrouwen hem vaak gezelschap houden en ze rolden bijna over de grond van het lachen als hij erop stond dat ze buiten moesten blijven Het was al erg genoeg dat hij zich binnen, in de stoom, moest uit- en aankleden.

Eindelijk viel hij in slaap en daarmee kwamen veilig beschermde dromen, beschermd tegen de Wijzen en ieder ander, behalve tegen zijn eigen gedachten. Drie vrouwen kwamen er steeds in voor. Niet Isendre, behalve in een korte nachtmerrie die hem bijna wekte. Om beurten droomde hij over Elayne, Min en Aviendha. Om de beurt, maar ook tegelijk. Alleen Elayne had hem ooit als man behandeld, maar alledrie zagen in hem wie hij was, niet wat hij was. Afgezien van die ene nachtmerrie waren het allemaal aangename dromen.

5

Onder de Wijzen

Egwene maakte zich zo klein mogelijk bij het kleine vuur in het midden van de tent, maar ze bleef rillen toen ze uit de grote theeketel water in een brede blauwgestreepte kom schonk. Ze had de zijkanten van de tent laten zakken, maar de kou drong door de vele dikke, kleurige vloerkleden en alle warmte van het vuur leek naar boven te vliegen en door het rookgat in het midden van het tentdak te verdwijnen. Alleen de lucht van koeienmest bleef achter. Haar tanden klapperden bijna van de kou. De stoom van het water leek al te verdwijnen. Ze omhelsde saidar even en geleidde wat Vuur om het heter te maken. Amys of Blair zouden zich waarschijnlijk met koud water wassen, hoewel ze ook al tijd stoombaden namen. Goed, ik ben dus niet zo taai als zij. Ik ben niet in de Woestenij opgegroeid. Ik hoef niet dood te vriezen en me met koud water te wassen als ik dat niet wil. Ze bleef zich echter schuldig voelen toen ze een doekje inzeepte met een stuk lavendel zeep dat ze van Hadnan Kadere had gekocht. De Wijzen hadden haar nooit gezegd het anders te doen, maar het leek toch of ze bedrog pleegde.

Met een spijtige zucht liet ze de Ware Bron weer los. Rillend van de kou lachte ze zachtjes om haar eigen dwaasheid. Het wonder van vervuld te worden met de Kracht, die wonderbaarlijke vloed van leven en bewustzijn, vormde een gevaar op zichzelf. Hoe meer saidar je aantrok, hoe meer je wilde omhelzen en als je je niet beheerste, trok je uiteindelijk meer aan dan je aankon, waardoor je jezelf dood de of suste. En dat was niet iets om te lachen. Dat is een van je grootste fouten, las ze zichzelf de les. Je wilt altijd meer dan wat je verondersteld wordt te doen. Je hoort je met koud water te wassen, dat zal je zelfbeheersing bijbrengen. Maar er viel zoveel te leren en soms leek een heel leven te kort. Haar leraressen waren altijd behoedzaam, of het nu de Wijzen in de Woestenij of de Aes Sedai in de Toren waren. Het was voor haar moeilijk zich in te houden, terwijl ze wist dat zij op vele gebieden haar leraressen al voorbij was gestreefd. Ik kan meer dan zij beseffen.

Een ijskoude tocht viel op haar neer, rook wervelde in de tent rond en een vrouwenstem zei: ‘Als u het goed vindt...’ Egwene sprong op en slaakte een schrille kreet voor ze kon roepen: ‘Doe dicht!’ Ze sloeg haar armen om zich heen om zich te beheersen. ‘Kom binnen of ga naar buiten, maar doe de tent dicht!’ Al die inspanning om warm te worden en nu had ze overal kippenvel! De vrouw in witte kleding schoof op haar knieën de tent binnen en liet de tentflap vallen. Ze hield haar ogen neergeslagen en haar handen onderdanig samengevouwen; ze zou hetzelfde hebben gedaan als Egwene haar had geslagen en niet toegeschreeuwd. ‘Als u het goed vindt,’ zei ze zachtjes, ‘de Wijzen hebben me gestuurd om u te vragen naar de zweettent te komen.’