Egwene had graag boven op het vuur willen staan en kreunde. Moge het Licht Bair en haar koppigheid branden’. Als de witharige Wijze er niet was geweest, hadden ze normale kamers kunnen hebben en geen tent aan de rand van de stad. Ik zou een kamer met een behoorlijk vuur kunnen hebben. En een deur. Ze wilde er wat om ver wedden dat Rhand geen last had van mensen die zomaar binnen kwamen lopen. Die bloeddraak van een Rhand Altor knipt even met zijn vingers en de Speervrouwen komen als dienstmeisjes naar hem toe. Ik wed dat ze een echt bed voor hem hebben gevonden en geen stro zak op de kale grond. Ze wist wel zeker dat hij iedere avond een heet bad nam. Die vrouwen slepen waarschijnlijk emmers vol heet water naar zijn kamer. Ik wed dat ze zelfs een behoorlijke koperen bad kuip voor hem hebben neergezet.
Amys en zelfs Melaine hadden Egwenes idee welwillend overwogen, maar Bair had haar voet dwars gezet en beiden hadden er als gai’shain mee ingestemd. Egwene veronderstelde dat door al Rhands veranderingen Bair zoveel mogelijk de oude gewoonten wilde handhaven, maar ze had graag gezien dat de vrouw iets anders had gekozen om haar onverzettelijkheid op te richten.
Weigeren kwam niet eens in haar op. Ze had de Wijzen beloofd te vergeten dat ze een Aes Sedai was — dat was gemakkelijk, want ze was het ook niet – en precies te doen wat haar werd verteld. Dat was moeilijk. Ze was al zo lang uit de Toren weg dat ze zich weer hele maal eigen baas voelde. Maar Amys had ronduit gezegd dat droom lopen gevaarlijk was, zelfs als je wist wat je wilde, en nog gevaarlijker voor je dat wist. Als ze overdag niet kon gehoorzamen, dan konden ze er ook niet op vertrouwen dat ze het in de droom deed en in dat geval wilden zij de verantwoordelijkheid niet dragen. Dus deed ze samen met Aviendha de dagelijkse klusjes, slikte straf zo wel willend als ze kon opbrengen en sprong op als een kikker als Amys, Melaine of Bair zeiden dat ze moest springen. Zoiets tenminste. Geen van drieën had ooit een kikker gezien. Ik hoop niet dat ik slechts braaf thee moet rondschenken. O nee, het was vanavond Aviendha’s beurt.
Heel even overwoog ze kousen aan te schieten, maar besloot uiteindelijk alleen haar schoenen aan te doen. Stevige schoenen, geschikt voor de woestijn, en ze dacht bedroefd terug aan haar zijden muiltjes in Tyr. ‘Hoe heet je?’ vroeg ze om wat gezelliger te zijn. ‘Cowinde,’ was het onderdanige antwoord.
Egwene zuchtte. Ze probeerde bevriend te raken met de gai’shain, maar ze reageerden nooit. Een van de dingen waar ze nooit aan zou wennen, waren bedienden, hoewel gai’shain dat strikt genomen niet waren. ‘Was je een Speervrouwe?’
Een snelle boze flits uit de diepblauwe ogen vertelde haar dat ze gelijk had, maar even zo snel had Cowinde haar ogen weer neergeslagen. ‘Ik ben een gai’shain. Ervoor en erna zijn niet nu, en alleen het nu bestaat.’
‘Bij welke sibbe en stam hoor je?’ Gewoonlijk hoefde je dat niet te vragen, zelfs niet aan een gai’shain.
‘Ik dien de Wijze Melaine van de Jhiradsibbe van de Goshien.’
Egwene was bezig tussen twee mantels te kiezen, een dikke bruine wollen en een gevoerde van blauwe zijde die ze van Kadere had gekocht – de marskramer had alles van zijn wagens tegen heel redelijke prijzen verkocht om ruimte te maken voor Moiraines lading – en stopte even om de vrouw gefronst aan te kijken. Dat was niet het juiste antwoord. Ze had gehoord dat er onder de gai’shain een soort ontmoediging heerste. Als hun jaar en dag om waren, weigerden verschillenden de witte kledij af te leggen. ‘Wanneer is je tijd voorbij?’ vroeg ze.
Cowinde bukte zich nog dieper, bijna met haar neus op haar knieën.
‘Ik ben gai’shain.’
‘Maar wanneer keer je naar je sibbe en je eigen veste terug?’
‘Ik ben gai’shain,’ zei de vrouw schor tegen het vloerkleed. ‘Als dit antwoord u ongenoegen doet, straf me dan, maar ik kan geen ander geven.’
‘Doe niet zo dwaas,’ zei Egwene scherp. ‘En richt je op. Je bent geen hond.’
De witgeklede vrouw gehoorzaamde onmiddellijk en bleef gehurkt zitten, onderdanig wachtend op de volgende opdracht. De korte, vurige flits uit haar ogen had er net zo goed nooit geweest kunnen zijn.
Egwene haalde diep adem. De vrouw had zich op haar manier aan gepast aan de ontmoediging. Heel dwaas, maar ze kon niets zeggen dat dat zou veranderen. Nou ja, ze werd verwacht, ze moest snel naar de zweettent en niet met Cowinde praten. Ze herinnerde zich de ijzige tocht en aarzelde. Door de koude wind hadden twee witte bloemen in een ondiepe kom zich half gesloten. Ze kwamen van een zegade, een bladloze vetplant die eruitzag alsof hij van leer met stekels was gemaakt. Die ochtend was ze Aviendha tegengekomen toen die deze bloemen in haar handen stond te bekijken. De Aielse was danig van Egwene geschrokken, had de bloemen in Egwenes handen geduwd en gezegd dat zij ze voor haar had geplukt. Ze veronderstelde dat er nog zoveel van een Speervrouwe in Aviendha zat, dat ze niet wilde bekennen dat ze van bloemen hield. Hoewel, nu ze er aan dacht, ze had af en toe wel een Speervrouwe gezien die een bloem in het haar of de jas had gestoken. Je probeert het gewoon uit te stellen, Egwene Alveren. Stop met voor schaapskop te spelen! Je gedraagt je even dwaas als Cowinde!
‘Ga maar voor.’ Ze had nog net tijd om de wollen mantel om haar blo te lichaam te slaan voordat de vrouw de tentflap naar de tot het merg verkillende nacht opensloeg.
Hoog boven haar tekenden de sterren scherpe puntjes in de duister nis en de driekwart maan was helder. Het kamp van de Wijzen vorm de een groepje lage schaduwen verderop, nog geen honderd pas van de plek waar de verharde straten van Rhuidean eindigden in gebarsten harde klei en stenen. De schaduwen van de maan maakten van de stad een vreemde verzameling rotshoogtes en -kloven. Van alle tenten waren de zijkanten gesloten en de geuren van vuur en voedsel mengden zich met de nachtelijke lucht.
De andere Wijzen kwamen hier dagelijks bijeen, maar brachten de nacht bij hun eigen sibben door. Sommigen sliepen zelfs in Rhuidean. Bair echter niet. Zij vond dit de uiterste grens en wilde niet dichterbij komen. Als Rhand er niet was geweest, zou ze er ongetwijfeld op hebben gestaan het kamp in de bergen op te slaan. Egwene hield de mantel met beide handen dicht en liep zo snel mogelijk. Ijzige tentakels krulden onder de zoom van de mantel door en gleden iedere keer naar binnen als de mantel door het lopen open viel. Cowinde moest haar witte kleren tot haar knieën ophouden om haar voor te blijven. Egwene wist de weg zelf wel, maar omdat de vrouw gestuurd was, zou ze waarschijnlijk beschaamd en misschien beledigd zijn als ze niet voor mocht gaan. Ze hield haar mond stijf dicht om niet te klappertanden. Ze wilde dat de vrouw wat meer haast maakte.
De zweettent leek op iedere andere tent, laag en breed, met gesloten zijkanten, behalve dat het rookgat was dichtgemaakt. Er vlak naast had een vuur gebrand tot gloeiende kooltjes op de rotsen ter groot te van een mannenhoofd waren overgebleven. Er was niet genoeg licht om de veel lagere schaduw’ naast de tentingang te onderschei den, maar ze wist dat het een stapel netjes opgevouwen vrouwen kleren was.
Ze haalde diep en verkleumd adem, schopte haastig haar schoenen uit, liet haar mantel vallen en dook bijna de tent in. Even huiverde ze van de kou voor de tentflap achter haar dichtviel, toen sloeg de hete stoom op haar neer en verscheen het zweet dat haar liet glimmen, terwijl ze nog rillend naar adem stond te happen. De drie Wijzen die haar leerden droomlopen, zaten ontspannen te zweten, hun tot het middel reikende haren hingen vochtig omlaag. Bair praatte met Melaine, een groenogige schoonheid met roodgouden haar die een scherpe tegenstelling vormde met het gelooide gezicht en de lange witte lokken van de oudere vrouw. Amys had ook wit haar – of misschien was het zo blond dat het wit leek – maar ze zag er niet oud uit. Zij en Melaine konden in tegenstelling tot veel Wijzen geleiden en ze had iets van de leeftijdloosheid die de Aes Sedai vertoonden. Moiraine, in vergelijking met de anderen slank en klein, leek eveneens onbezorgd, hoewel het zweet over haar blanke huid druppelde en haar donkere haren tot de wortels nat maakte. Haar houding drukte een koninklijke ontkenning van haar naaktheid uit. De Wijzen gebruikten smalle gebogen bronzen plaatjes die staera werden genoemd om het zweet en het vuil van de dag weg te schrapen.