Выбрать главу

Aviendha zat gehurkt en zwetend naast de grote zwarte ketel met hete, zwartberoete rotsstenen in het midden van de tent en gebruikte behoedzaam een lange tang om een nieuwe steen uit de kleine ketel te nemen en in de grotere te leggen. Daarna sprenkelde ze water uit een kalebas op de stenen, wat de stoom nog dichter maakte. Als er te weinig damp zou zijn, zou ze op z’n minst scherp worden toege sproken. Bij de volgende ontmoeting van de Wijzen in de zweettent zou het Egwenes beurt zijn om de hete stenen te verzorgen. Egwene zette zich behoedzaam in kleermakerszit naast Bair op de rotsgrond – er lagen geen vloerkleden en het was onplezierig heet, hobbelig en vochtig – en besefte geschrokken dat Aviendha kort geleden gegeseld was. Toen de Aielse langzaam weer op haar plekje naast Egwene ging zitten, deed ze dat met een gezicht dat even hard stond als de grond onder haar was, maar ze kon niet voorkomen dat ze even ineenkromp.

Dat had Egwene niet verwacht. De Wijzen betrachtten een ijzeren tucht – vergeleken met de Witte Toren eigenlijk een stalen tucht, wat nogal wat betekende – maar Aviendha werkte echt grimmig en vast beraden aan haar lessen in geleiden. Ze kon niet droomlopen, maar ze spande zich ontzettend in om elke kunst van de Wijzen te leren, net zo als toen ze als Speervrouwe haar wapens moest leren gebruiken. Nadat ze bekend had dat Rhand door haar wist dat de Wijzen zijn dromen bespiedden, hadden ze haar natuurlijk gestraft. Ze moest drie dagen lang mansdiepe kuilen graven en daarna weer vullen, maar dat was een van de weinige keren dat Aviendha iets verkeerds had gedaan. Amys en de andere twee stelden haar zo vaak ten voorbeeld aan Egwene – noemden haar het toonbeeld van gehoorzaamheid en doorzettingsvermogen – dat Egwene het weleens uit had willen schreeuwen, ook al was Aviendha haar vriendin. ‘Je hebt er de tijd voor genomen,’ bromde Bair, terwijl Egwene nog steeds voorzichtig naar een gemakkelijk zitplekje zocht. Haar stem klonk zo ijl als dun riet, maar dan wel van staal. Ze bleef kalm met de staera langs haar arm schrapen.

‘Het spijt me,’ zei Egwene. Zo, dat klonk nederig genoeg. Bair snoof. ‘Achter de Drakenmuur ben je Aes Sedai, maar hier ben je een leerling en een leerling is nooit sloom. Als ik Aviendha om een boodschap stuur, rent ze, al wil ik maar een speld hebben. Het zou niet slecht zijn als je een voorbeeld aan haar neemt.’ Met een rood aangelopen gezicht probeerde Egwene zo onderdanig mogelijk antwoord te geven. ‘Ik zal het proberen, Bair.’ Het was voor het eerst dat een Wijze in aanwezigheid van anderen de vergelijking had getrokken. Ze gluurde even opzij naar Aviendha en zag verbaasd dat die zat te peinzen. Soms wilde ze dat haar bijna-zuster niet zo voorbeeldig was.

‘Het meisje zal het wel leren, Bair, of anders niet,’ zei Melaine boos. ‘Geef haar die les van prompte gehoorzaamheid latei; als ze die dan nog nodig heeft.’ Ze was amper twaalf of vijftien jaar ouder dan Aviendha, maar ze sprak steeds alsof ze een doornappel onder haar rok had. Misschien zat ze nu op een scherpe rots. Ze zou dan niet verschuiven; ze zou erop rekenen dat de rots verschoof, ik herhaal het, Moiraine Sedai, de Aiel volgen Hij die komt met de dageraad, niet de Witte Toren.’

Het was duidelijk dat Egwene maar moest zien uit te vinden wat het onderwerp van gesprek was toen ze verder praatten. ‘Mogelijk zullen de Aiel de Aes Sedai wederom dienen, Moiraine Sedai,’ zei Bair op effen toon, ‘maar die tijd is nog niet gekomen.’ Ze schraapte rustig door, terwijl ze de Aes Sedai kalm aankeek.

Dat zou inderdaad wel gebeuren, meende Egwene, nu Moiraine wist dat sommige Wijzen konden geleiden. De Aes Sedai zouden naar de Woestenij komen voor de meisjes die het konden leren en ze zouden bijna zeker proberen ook een Wijze met die kunde naar de Toren te halen. Ze had zich ooit eens zorgen gemaakt dat de Wijzen zouden worden afgeblaft en overheerst, losgemaakt van alles wat ze wilden. De Aes Sedai lieten een geleidster nooit lang van de Toren los. Ze maakte zich geen zorgen meer, hoewel de Wijzen dat wel deden. Amys en Melaine hadden een wil die even sterk was als die van welke Aes Sedai ook, zoals ze Moiraine iedere dag toonden. Waarschijnlijk kon Bair zelfs Siuan Sanche door een hoepel laten springen en Bair kon niet eens geleiden.

Bair zelf was niet eens de Wijze met de sterkste wil. Die eer ging naar een nog oudere vrouw: Sorilea van de Jarrasibbe van de Chareen. De Wijze van de Shendeveste kon nog minder geleiden dan de meeste Novices, maar ze liet met evenveel gemak een Wijze een boodschap doen als een gai’shain. Nee, ze had geen reden zich ongerust te maken over het koeioneren van de Wijzen.

‘Het is begrijpelijk dat je je streek en land wilt beschermen,’ bracht Bair naar voren, ‘maar Rhand Altor is blijkbaar niet van plan ons naar een afstraffing te leiden. Wie zich onderwerpt aan Hij die komt met de dageraad en aan de Aiel, zal daarvan geen schade ondervinden.’ Dus daar ging het over. Natuurlijk.

‘Ik denk niet alleen aan levens of landen die gespaard worden.’ Moiraine maakte van het wissen van het zweet op haar voorhoofd een koninklijk gebaar, maar ze klonk bijna even strak als Melaine. ‘Als jullie dit toestaan, zal het rampzalig aflopen. De plannen van vele jaren dienen nu vrucht te dragen en hij is van plan alles teniet te doen.’

‘Plannen van de Witte Toren,’ zei Amys op zo’n vlakke toon dat het leek of ze ermee instemde. ‘Die plannen hebben met ons niets te maken. Wij en de andere Wijzen dienen te bezien wat voor de Aiel het juiste is. We zullen ervoor zorgen dat de Aiel doen wat het beste voor de Aiel is.’

Egwene vroeg zich af wat de stamhoofden daarvan zouden zeggen. Ze klaagden regelmatig dat de Wijzen zich met hun zaken bemoei den, dus misschien zou dit niet geheel als een verrassing komen. De stamhoofden leken vastberaden, slimme mannen, maar volgens haar hadden ze evenveel kans tegen de samenwerkende Wijzen als de dorpsraad thuis tegen de vrouwenkring. Maar deze keer had Moiraine gelijk. ‘Als Rhand...’ begon ze, maar Bair onderbrak haar scherp. ‘We horen later wel wat je hebt te zeggen, meisje. Je kennis van Rhand Altor is waardevol, maar je houdt je stil en luistert tot je wordt ver zocht te spreken. En kijk niet zo nukkig, of ik schrijf je wat blauw penthee voor.’

Egwene toonde een grimas. Van hun achting voor Aes Sedai, al was het een achting tussen gelijken, bleef voor een leerlinge weinig over, zelfs niet voor een leerlinge die volgens hen Aes Sedai was. In ieder geval hield ze verder haar mond. Bair was in staat haar weg te sturen om de kruidenbuidel te halen en haar op te dragen die ongelooflijk bittere thee zelf te zetten. De thee diende ervoor om nukken of gepruil te genezen, of iets anders afkeurenswaardigs, wat door de smaak goed lukte. Aviendha gaf haar een troostend klopje op de arm. ‘Geloven jullie dan niet dat het ook voor de Aiel rampzalig zal zijn?’ Het moest niet gemakkelijk zijn zo koel als een winterbeek te klinken als je van top tot teen glinsterde van stoomdruppels en zweet, maar Moiraine leek er geen moeite mee te hebben. ‘Het zal weer net zo worden als tijdens de Aiel-oorlog. Jullie zullen doden, steden plunderen en brandschatten zoals toen, tot je iedereen tegen je in het har nas hebt gejaagd.’

‘Het vijfde is ons recht, Aes Sedai,’ zei Melaine, haar lange haren naar achteren schuddend, zodat ze de staera over haar gladde schouder kon halen. Ondanks het vocht en de stoomdamp glansden haar haren als zijde. ‘We hebben zelfs de boomdoders niet meer dan dat ontnomen.’ Haar blik op Moiraine was te leeg om nier veelzeggend te zijn; ze wisten dat ze uit Cairhien kwam. ‘Jullie koningen en koninginnen nemen met hun belastingen vrijwel evenveel.’

‘En als de naties zich tegen jullie keren?’ hield Moiraine vol. ‘In de Aiel-oorlog hebben de gezamenlijke landen jullie doen omkeren. Dat kan en zal weer gebeuren, met een groot verlies van levens aan beide zijden.’