Выбрать главу

‘Niemand van ons vreest de dood, Aes Sedai,’ zei Amys tegen haar met een glimlach alsof ze een kind iets uitlegde. ‘Het leven is een droom waaruit we moeten ontwaken om opnieuw te kunnen dromen. Bovendien, slechts vier stammen zijn onder Janduin de Dra kenmuur overgestoken en na de dood van de boomdoder teruggekeerd. Hier bevinden zich reeds zes stammen en jij vertelt ons dat Rhand Altor alle stammen wil samenvoegen.’

‘De Voorspelling van Rhuidean zegt dat hij ons zal breken.’ De vonk in Melaines groene ogen kon voor Moiraine zijn bestemd of voort komen uit het feit dat ze niet zo kalm was als ze zich voordeed. ‘Wat doet het er dan toe of het hier gebeurt of achter de Drakenmuur?’

‘Door jullie zal hij alle steun van de naties in het westen kwijtraken,’ merkte Moiraine op. Ze leek nog steeds uiterst rustig, maar iets scherps in haar stem verried dat ze bereid was stenen kapot te bij ten. ‘Hij moet hen achter zich krijgen!’

‘Hij heeft de steun van de Aielnatie,’ maakte Bair haar met haar breekbare onverzettelijke stem duidelijk. Ze benadrukte haar woorden door met het kleine bronzen plaatje te gebaren. ‘De stammen hebben nooit een natie gevormd, maar nu zorgt hij daarvoor.’

‘We zullen je niet helpen dat te voorkomen, Moiraine Sedai,’ voeg de Amys er even ferm aan toe.

‘Als je het goed vindt, Moiraine Sedai, mag je ons nu verlaten,’ zei Bair. ‘We hebben alles besproken wat je vanavond met ons wilde bespreken.’ Het was beleefd gezegd, maar ze werd gewoon wegge stuurd.

‘Ik ga,’ antwoordde Moiraine, weer volkomen ontspannen. Het klonk of dat haar eigen voorstel, haar eigen beslissing was. Ze was het gewend dat de Wijzen duidelijk stelden dat zij zich niet aan het gezag van de Witte Toren onderworpen voelden. ‘Ik moet me met andere zaken bezighouden.’

Dat laatste zou uiteraard wel waar zijn. Heel waarschijnlijk zou het Rhand betreffen. Egwene wist wel beter dan Moiraine ernaar te vragen. Als die het wilde vertellen, zou ze het doen, en zo niet... Zo niet, dan zou ze ofwel de glibberige woorden te horen krijgen waarmee een Aes Sedai een leugen ontweek, ofwel ronduit horen dat ze zich nergens mee moest bemoeien. Moiraine wist dat ‘Egwene van de Groene Ajah’ bedrog was. In het openbaar zei ze niets van die leugen, maar overal elders wees ze, wanneer het haar uitkwam, Egwene haar plaats.

Zodra Moiraine in een golf koude lucht was vertrokken, zei Amys: ‘Aviendha, schenk de thee in.’

De jonge Aielse veerde verrast op en deed twee keer haar mond open voor ze zwakjes zei: ik moet hem nog zetten.’ Toen snelde ze op handen en voeten de tent uit. De tweede vlaag kou loste de stoom bijna op.

De Wijzen keken elkaar aan en in hun ogen lag evenveel verbazing te lezen als in die van Aviendha en in die van Egwene. Aviendha deed ook de lastigste klussen altijd heel doelmatig, zij het soms niet zoals het hoorde. Ze moest wel ontzettend inzitten over iets dat ze het zetten van de thee was vergeten. De Wijzen wilden altijd thee. ‘Meer stoom, meisje,’ zei Melaine.

Nu Aviendha weg was, was dat voor haar bedoeld, besefte Egwene. Haastig spatte ze meer water op de stenen en gebruikte geleiding om de ketel nog heter te maken, tot ze de stenen hoorde kraken en de ketel gloeide als een oven. De Aiel waren er misschien aan gewend om van het sudderen in hun eigen zweet over te springen in vries kou, maar zij was dat niet. Dikke wolken hete damp rolden omhoog en vulden de tent. Amys knikte goedkeurend. Zij en Melaine konden de saidargloed om haar heen natuurlijk zien, maar ze merkte dat bij zichzelf niet op. Melaine ging gewoon door met haar staera. Ze liet de Ware Bron los, ging zitten en boog zich opzij naar Bair. ‘Heeft Aviendha iets heel verkeerds gedaan?’ vroeg ze fluisterend. Ze wist niet wat Aviendha hiervan zou vinden, maar ze wilde haar niet in verlegenheid brengen, zelfs niet achter haar rug om. Bair had die remming niet. ‘Bedoel je haar striemen?’ zei ze gewoon hardop. ‘Ze kwam naar me toe en vertelde dat ze vandaag tweemaal had gelogen, hoewel ze niet wilde zeggen tegen wie en over wat. Dat is natuurlijk haar eigen zaak, zolang ze maar niet tegen een Wijze liegt, maar ze stelde dat haar eer eiste dat aan toh recht werd gedaan.’

‘Heeft ze gevraagd...’ verzuchtte Egwene, haar vraag niet afmakend. Bair knikte alsof dat niets ongewoons was. ‘Ik heb haar enkele slagen meer gegeven, omdat ze mij ermee lastig viel. Als ji erbij betrokken was, heeft ze geen verplichting aan mij. Waarschijnlijk waren haar zogenaamde leugens volstrekt onbeduidend, alleen iets waar een Far Dareis Mai zich zorgen over zou maken. Speervrouwen, zelfs vrouwen die het niet meer zijn, zijn soms even pietluttig als mannen.’ Amys keek haar vlak aan, wat zelfs in de dikke damp duidelijk was. Net als Aviendha was ook Amys vroeger Far Dareis Mai geweest. Egwene had nog nooit een Aiel gesproken die over ji’e’toh niet piet luttig was. Maar dit! Alle Aiel hadden een tik van de molen. Blijkbaar had Bair de hele kwestie reeds uit het hoofd gezet. ‘Er zijn meer Verlorenen in het Drievoudige Land dan ik me kan herinneren,’ zei ze tegen niemand in het bijzonder. Zo werden de ketellap pers, de Tuatha’an, door de Aiel genoemd.

‘Ze ontvluchten de moeilijkheden achter de Drakenmuur.’ Er klonk duidelijk spot in Melaines stem door.

‘Ik heb gehoord,’ zei Amys langzaam, ‘dat sommige ontmoedigden naar de Verlorenen zijn gevlucht en hun hebben verzocht hen op te nemen.’ Een lange stilte volgde. Alle Aiel wisten nu dat zij en de Tuatha’an van dezelfde voorvaderen stamden en dat de Aiel zich hadden afgescheiden voor ze de Rug van de Wereld waren overgestoken, maar die kennis had hun afkeer eigenlijk alleen maar versterkt. ‘Hij brengt verandering,’ fluisterde Melaine hees in de stoom. ‘Ik dacht dat jullie berustten in de veranderingen die hij brengt,’ zei Egwene en in haar woorden klonk medeleven. Het moest heel moei lijk zijn als je hele manier van leven ten einde was gekomen. Ze ver wachtte min of meer dat ze haar weer zouden bevelen haar mond te houden, maar niemand zei iets.

‘Berusten,’ zei Bair alsof ze het woord proefde. ‘Zo goed mogelijk verdragen, geeft het beter weer.’

‘Hij verandert alles.’ Amys klonk bezorgd. ‘Rhuidean. De Verlorenen. De ontmoediging. Hij vertelt wat niet gezegd had mogen worden.’ De Wijzen – eigenlijk alle Aiel – vonden het nog steeds moei lijk daarover te spreken.

‘De Speervrouwen drommen om hem heen alsof ze hem meer ver schuldigd zijn dan hun eigen stam,’ voegde Bair eraan toe. ‘Voor de allereerste keer hebben ze een man toegelaten onder het Dak van de Far Dareis Mai.’ Heel even leek Amys iets te gaan zeggen, maar wat ze van de gang van zaken daar ook wist, ze deelde het met niemand, alleen met Speervrouwen of met hen die het geweest waren. ‘De stamhoofden luisteren niet meer naar ons zoals vroeger,’ mom pelde Melaine. ‘O, ze vragen ons nog steeds om raad – ze zijn nog niet helemaal gek – maar Bael wil me niet vertellen wat hij tegen Rhand Altor heeft gezegd of wat Rhand Altor tegen hem zei. De een zegt dat ik het aan de ander moet vragen, en omgekeerd. Aan de car’a’carn kan ik niets doen, maar aan Bael... Hij was altijd al een koppige man die je woest maakt, maar nu gaat hij alle perken te bui ten. Soms zou ik hem met een stok op zijn kop willen meppen.’ Amys en Bair giechelden alsof dat een leuke mop was. Of misschien wilden ze enkel lachen om de veranderingen even te vergeten. ‘Er zijn drie dingen die je met zo’n man kunt doen,’ zei Bair verstikt. ‘Uit z’n buurt blijven, hem doden of met hem trouwen.’ Melaine verstijfde en haar door de zon gebruinde gezicht werd rood. Heel even meende Egwene dat de goudblonde Wijze woorden wilde uiten die nog verhitter waren dan haar gezicht. Toen kondigde een bijtende windvlaag de terugkomst van Aviendha aan. Ze droeg een blad van gedreven zilver met daarop een gele theepot, tere kopjes van Zeevolkporselein en een stenen pot met honing. Ze rilde toen ze inschonk – ongetwijfeld had ze de moeite niet genomen buiten iets om te slaan – en haastig de koppen en honing ronddeelde. Ze schonk natuurlijk niet voor haarzelf en Egwene in, totdat Amys het haar zei.