Выбрать главу

‘Meer stoom,’ zei Melaine. De kille lucht leek haar boze bui te heb ben afgezwakt. Aviendha zette haar kopje neer en kroop naar de kalebas, duidelijk pogend haar fout met de thee goed te maken. ‘Egwene,’ zei Amys, aan haar thee nippend, ‘hoe zou Rhand Altor het opvatten als Aviendha hem vroeg in zijn slaapvertrek te mogen overnachten?’ Aviendha verstarde met de kalebas in haar handen.

‘In zijn...’ Egwene hapte naar adem. ‘Je kunt haar zoiets niet vragen! Dat kan je niet doen.’

‘Dwaze meid,’ mompelde Bair. ‘We vragen haar niet zijn dekens te delen. Zal hij denken dat ze dat vraagt? Zal hij het goedvinden? Op hun best zijn mannen vreemde wezens en hij is niet hier opgevoed, dus is hij nog vreemder.’

‘Hij zou zeker niet aan zoiets denken,’ sputterde Egwene tegen, en toen langzamer: ik denk van niet. Maar het hoort niet. Het hoort gewoon niet.’

‘Ik verzoek u dit niet van mij te verlangen,’ zei Aviendha en ze klonk meer bescheiden dan Egwene ooit had kunnen dromen. Ze sprenkelde het water met schokkende bewegingen en stuurde steeds dikkere stoomwolken omhoog, ik heb de laatste dagen heel veel kunnen leren, doordat ik geen tijd bij hem heb doorgebracht. Nu jullie Egwene en Moiraine Sedai hebben toegestaan mij bij het geleiden te helpen, leer ik het zelfs nog sneller. Niet dat ze het beter doen dan jullie, natuurlijk,’ voegde ze er haastig aan toe, ‘maar ik wil heel graag meer leren.’

‘Je zult meer leren,’ vertelde Melaine haar. ‘Je zult niet elk moment bij hem hoeven te blijven. Zolang je jezelf schikt, zullen je lessen niet veel langzamer gaan. Als je slaapt, kun je niet leren.’ ik kan het niet doen,’ mompelde Aviendha terwijl ze haar hoofd over de kalebas boog. Wat harder en fermer voegde ze eraan toe: ik doe het niet.’ Ze keek op en haar ogen waren blauwgroen vuur. ‘Ik wil er niet zijn als hij die del van een Isendre weer onder zijn dekens vraagt.’

Egwene keek haar met open mond aan. ‘Isendre!’ Ze had de schandalige wijze gezien – en die hartgrondig afgekeurd – waarop de Speervrouwen haar naakt lieten rondlopen, maar zoiets! ‘Je bedoelt toch niet...’

‘Zwijg!’ Bairs snauw klonk als een zweepslag. Haar blauwe ogen konden rots versplinteren. ‘Jullie allebei! Jullie zijn beiden jong, maar zelfs Speervrouwen zouden moeten weten dat mannen dwazen zijn, zeker wanneer ze niet verbonden zijn met een vrouw die hen kan sturen.’

‘Ik ben blij te horen,’ zei Amys droog, ‘dat je je gevoelens niet op zout, Aviendha. Speervrouwen zijn wat dat betreft even dwaas als mannen; ik herinner me het goed en het maakt me nog steeds verlegen. Gevoelens vrij spel geven verduistert je oordeel korte tijd, maar ze opzouten hult je oordeel eeuwig in duisternis. Let er wel op dat je ze niet al te vaak loslaat enken het moment waarop je ze beter kunt beheersen.’

Melaine boog zich steunend op haar handen naar voren, tot het leek of het zweet van haar gezicht op de hete ketel zou vallen. ‘Je kent je lot, Aviendha. Je zult een Wijze worden met grote kracht en groot gezag en nog veel meer. Je hebt die kracht al in je. Dat heeft je door de eerste proef heen geholpen en het zal je ook hier doorheen slepen.’

‘Mijn eer,’ zei Aviendha hees en slikte toen, niet in staat verder te praten. Ze kroop in elkaar, kromde zich rond de kalebas alsof die de eer bevatte die ze wilde beschermen.

‘Het Patroon ziet geen ji’e’toh,’ zei Bair slechts een tikkeltje medelijdend, als het dat al was. ‘Het ziet alleen wat moet en wat zal zijn. Mannen en Speervrouwen bestrijden het lot zelfs als het duidelijk is dat het Patroon ondanks hun gevecht verder weeft, maar je bent geen Far Dareis Mai meer. Je moet leren met het lot te leven. Alleen door je aan het Patroon over te geven, kun je leren om de loop van je leven enigszins te beheersen. Als je het bevecht, zal het Patroon je nog steeds dwingen en zul je slechts ellende op je pad aantreffen waar je voldoening had kunnen vinden.’

Egwene bedacht dat dit heel veel leek op haar lessen over de Ene Kracht. Om saidar te beheersen moest je je er eerst aan overgeven. Het bestrijden ervan zou je wild maken, of je overweldigen, maar als je je overgaf en saidar behoedzaam leidde, dan deed het wat je wil de. Maar dat verklaarde nog niet waarom ze wilden dat Aviendha dit zou doen. Ze vroeg naar de reden en zei nogmaals: ‘Het hoort niet.’

Amys antwoordde niet, maar zei: ‘Zal Rhand Altor dit toestaan? We kunnen hem niet dwingen.’ Bair en Melaine keken Egwene even strak aan als Amys. Ze waren niet van plan haar het waarom te vertellen. Je kon nog gemakkelijker een steen aan het praten krijgen als een Wijze iets tegen haar wil ontlokken. Aviendha zat pruilerig en berustend naar haar nagels te kijken; ze wist dat de Wijzen altijd kregen wat ze wilden. Was het niet op de ene manier, dan wel op een andere.

‘Ik weet het niet,’ zei Egwene langzaam, ‘Ik ken hem niet meer zo goed als vroeger.’ Ze vond dat spijtig, maar er was zoveel gebeurd, nog afgezien van haar besef dat ze wel van hem hield, maar alleen als van een broer. De opleiding hier en die in de Witte Toren hadden haar net zo sterk veranderd als alle gebeurtenissen hem. ‘Misschien als je hem een goede reden geeft. Ik denk dat hij Aviendha wel mag.’ De jonge Aielse slaakte zonder op te kijken een diepe zucht. ‘Een goede reden,’ snoof Bair. ‘Toen ik nog een meisje was, was elke man buiten zichzelf van vreugde als een jonge vrouw zoveel belangstelling voor hem toonde. Hij zou zelf nog de bloemen voor haar bruidskrans gaan plukken.’ Aviendha schrok op en keek de Wijzen met iets van haar eerdere vuur woest aan. ‘Goed, we zullen een reden vinden die zelfs iemand uit de natlanden zal aanvaarden.’

‘Over enkele nachten vindt je afgesproken ontmoeting in Tel’aran’rhiod plaats,’ zei Amys. ‘Ditmaal met Nynaeve.’

‘Dat is er een die veel zou kunnen leren,’ opperde Bair, ‘als ze niet zo koppig was.’

‘Tot dan heb je de nachten vrij,’ zei Melaine. ‘Tenzij je Tel’aran’rhiod al zonder ons hebt betreden.’

Egwene vermoedde wat er zou komen. ‘Natuurlijk niet,’ zei ze. Maar heel even. Iets meer en ze zouden het zeker hebben ontdekt. ‘Ben je erin geslaagd de dromen van Elayne of Nynaeve te vinden?’ vroeg Amys. Terloops, alsof het onbelangrijk was. ‘Nee, Amys.’

De droom van iemand anders vinden was veel moeilijker dan Tel’aran’rhiod, de Wereld der Dromen, betreden, vooral als die personen ver weg waren. Het was gemakkelijker als je ze goed kende en als ze in de buurt waren. De Wijzen eisten nog steeds dat ze Tel’aran’rhiod niet zonder een van hen binnenging, maar de droom van iemand anders binnengaan, was op zich even gevaarlijk. In Tel’aran’rhiod beheerste ze zichzelf en de zaken om haar heen in grote mate, tenzij een Wijze besloot het over te nemen. Haar beheersing van Tel’aran’rhiod nam toe, maar ze was nog geen partij voor deze ervaren droomloopsters. In de droom van een ander was je echter een deel van die droom. Je moest je enorm inspannen om je niet te gedragen zoals de dromer wenste, zodat hun droom jou overnam, en zelfs dan verliep het soms niet goed. De Wijzen waren heel voorzichtig geweest en hadden Rhands dromen nooit volledig betreden. Desondanks stonden ze erop dat ze het leerde. Als ze haar les in droomlopen ga ven, zouden ze haar ook alles leren.

Ze schrok er ook niet voor terug, maar die paar oefeningen met hen zelf en eenmaal met Rhuarc – om haar de gevaren te tonen, zeiden ze – waren martelende ervaringen geweest. De Wijzen bezaten een aanzienlijke beheersing van hun eigen dromen, dus wat daar gebeurde, werd helemaal door henzelf veroorzaakt. Het was echter een schok geweest uit te vinden dat Rhuarc haar eigenlijk nog een kind vond, net als een van zijn jongste dochters. En haar eigen beheersing had het een noodlottig ogenblik laten afweten. Toen had ze zich ook niet meer dan als een kind gedragen. Ze kon de man nog steeds niet aankijken zonder zich te herinneren dat ze een pop had gekregen om dat ze zo veel geleerd had. En dat ze met het geschenk net zo blij was geweest als met zijn goedkeuring. Amys zelf moest erbij komen om haar weg te halen uit haar verrukte spel met de pop. Dat Amys het wist was al erg, maar ze vermoedde dat Rhuarc zich ook iets herin nerde.