Egwene vroeg zich af of haar vriendin haar ooit als een papnatlander zag. Waarschijnlijk niet, anders zouden ze niet bevriend zijn. Maar Aviendha had nooit geleerd erbij stil te staan dat ze iemand met haar woorden verdriet kon doen. Ze zou waarschijnlijk verbaasd zijn dat Egwene ook maar aan verdriet kon denken. ‘Zoals de Speervrouwen haar daar laten rondlopen,’ gaf Egwene met tegenzin toe, ‘zou iedere man kijken.’ Ze herinnerde zich opeens dat zij ook ongekleed rondliep en struikelde bijna toen ze bezorgd om zich heen keek. Voor zover ze in het duister kon zien, was er niemand te bekennen. Ook de Wijzen waren al terug in hun tent. Warm onder de dekens. Zij liep te zweten, maar de druppels leken meteen te bevriezen.
‘Hij behoort Elayne toe!’ zei Aviendha fel.
‘Ik geef toe dat ik jullie gewoonten niet goed ken, maar die van ons zijn niet dezelfde. Zij hebben elkaar niets beloofd.’ Waarom verdedig ik hem ’i Hij zou eigenlijk gegeseld moeten worden!
Maar haar eerlijkheid liet haar verder gaan. ‘Aielmannen hebben bij jullie ook het recht nee te zeggen als ze gevraagd worden.’
‘Jij en zij zijn bijna-zusters, net als jij en ik,’ bracht Aviendha naar voren en hield even in voor ze weer versnelde. ‘Heb je mij niet gevraagd op hem te passen voor Elayne? Wil je dan niet dat zij hem krijgt?’
‘Natuurlijk wil ik dat. Als hij het wil.’ Dat was eigenlijk niet hele maal waar. Ze wenste Elayne alle geluk toe, ook met haar liefde voor de Herrezen Draak, en ze zou alles doen om ervoor te zorgen dat Elayne kreeg wat ze wilde, behalve Rhand aan handen en voeten binden. Misschien zelfs dat wel, als het nodig was. Maar zoiets toe te geven was iets anders. Aielvrouwen spraken er veel vrijer over dan zij. ‘Anders zou het niet goed zijn.’
‘Hij behoort haar toe,’ zei Aviendha vastbesloten. Egwene zuchtte. Aviendha wilde gewoon geen enkele andere gewoonte erkennen, alleen die van de Aiel. Zij was nog steeds geschokt door het feit dat Elayne niet aan Rhand had gevraagd om te trouwen, dat een man die vraag moest stellen, ik weet zeker dat de Wijzen zich morgen redelijk zullen opstellen. Ze kunnen je niet in de slaapkamer van een man laten slapen.’
De Aielse keek haar zichtbaar verbaasd aan. Heel even verdween haar soepele draf en stootte ze haar teen aan een oneffenheid. Daar door ontsnapten haar enkele vloeken waar zelfs Kaderes voerlui met belangstelling naar zouden luisteren – en die Bair naar de blauw penthee zou doen grijpen – maar ze bleef doorhollen, ik begrijp niet waarom het jou zo van streek maakt,’ zei ze na haar laatste vloek. ‘Tijdens een veldtocht heb ik vaak naast een man geslapen, zelfs voor de warmte de dekens met hem gedeeld als het ’s nachts heel koud was, maar blijkbaar stoort het jou dat ik tien voet verder in zijn kamer slaap. Is dat ook een van jullie gewoonten? Ik heb gemerkt dat je niet met een man in de zweettent wilt baden. Vertrouw je Rhand Altor niet? Of vertrouw je mij niet?’ Haar stem stierf in een bezorgd gefluister weg.
‘Natuurlijk vertrouw ik je,’ protesteerde Egwene heftig. ‘Hem ook. Het is gewoon dat...’
Ze haperde en wist niet wat ze moest zeggen. De Aielbegrippen van eigendom waren soms strenger dan die waarmee zij was opgegroeid, maar verder zou de vrouwenkring thuis hebben geweifeld tussen flauwvallen of een dikke stok pakken. ‘Aviendha, als je eer er op de een of andere manier bij is betrokken...’ Dit was een netelig onder werp. ‘Dat kun je toch wel aan de Wijzen uitleggen. Ze zullen je niets oneervols laten doen.’
‘Er valt niets uit te leggen,’ zei de andere vrouw op effen toon. ‘Ik weet dat ik niets begrijp van ji’e’toh...’ begon Egwene en Aviendha lachte.
‘Je zegt het niet te begrijpen, Aes Sedai, maar al je daden tonen dat je ernaar leeft.’ Egwene betreurde het dat ze die leugen bij Aviendha nog niet uit de wereld had geholpen – met veel moeite had ze Aviendha overgehaald gewoon Egwene te zeggen, maar soms kwam het weer terug – maar als ze het geheim wilde bewaren, moest ze het overal volhouden. ‘Je bent een Aes Sedai en zo sterk met de Kracht dat je Amys en Melaine tegelijk aankunt,’ vervolgde Aviendha, ‘maar je hebt gehoorzaamheid beloofd en dus schrob je pannen wanneer zij je dat bevelen en hol je wanneer ze dat zeggen. Misschien weet je niets van ji’e’toh, maar je volgt het wel.’
Natuurlijk was dat absoluut niet hetzelfde. Ze klemde haar tanden op elkaar en deed wat haar werd gezegd. Maar uitsluitend omdat ze alleen zo kon leren droomlopen. En ze wilde leren, alles leren, dat wilde ze liever dan wat dan ook. De gedachte dat ze volgens die dwaze ji’e’toh leefde, was gewoon belachelijk. Ze deed wat ze moest doen, maar alleen wanneer en omdat het moest.
Ze kwamen weer terug op het punt waar ze waren begonnen. Toen haar voet de plek raakte, zei Egwene: ‘Dat is één,’ en ze rende verder de duisternis in. Niemand kon haar zien, alleen Aviendha, niemand zou kunnen zeggen of ze niet nu al naar haar tent was terug gegaan. Aviendha zou het niet verklappen, maar het kwam geen moment bij Egwene op er voor haar vijftigste rondje mee te stoppen.
Rhand werd in volkomen duisternis wakker en probeerde onder zijn dekens te bedenken wat hem had gewekt. Er was iets geweest. Niet zijn droom, waarin hij Aviendha had leren zwemmen, in eenven in het Waterwold, thuis in Tweewater. Iets anders. Daar was het weer, als een vage vleug van een gore smeer die onder de deur door kroop. Eigenlijk helemaal geen geur, meer een indruk van iets onwerkelijks, zo voelde het. Stinkend als een kadaver van een maand oud in stil staand water. Het zwakte weer af, maar verdween ditmaal niet helemaal.
Hij gooide zijn dekens opzij, stond op en hulde zich in saidin. In de leegte, gevuld met de Kracht, voelde hij zijn lichaam rillen, maar de kou leek ergens anders te heersen. Behoedzaam trok hij de deur open en stapte zijn kamer uit. Boogvensters aan beide zijden van de gang lieten het maanlicht binnen. Na het pikdonker van zijn kamer leek het hier even licht als overdag. Er bewoog niets, maar hij kon voelen... hoe iets... naderbij kwam. Iets kwaadaardigs. Het voelde als de smet die met de Kracht door hem heen vloeide. Een hand ging naar zijn jaszak, naar het kleine uitgesneden beeldje van een dik mannetje met een zwaard dwars op z’n knieën. Een angreaal; daarmee kon hij meer Kracht geleiden dan wat hij zonder hulp veilig aankon. Hij dacht niet dat het nodig was. Wie deze aanval op hem ook hadden bevolen, ze wisten niet met wie ze nu te maken zouden krijgen. Ze hadden hem nooit wakker moeten laten worden. Heel even aarzelde hij. Hij kon het gevecht met dat onbekende gevaar aangaan, maar hij meende dat het zich nog steeds beneden bevond. Beneden waar, aan de stilte te horen, de Speervrouwen nog steeds sliepen. Met enig geluk zou het hen niet lastig vallen, tenzij hij omlaag holde om zijn strijd daar te voeren. Dat zou hen zeker wekken en ze zouden niet blijven toekijken. Lan zei dat je, als het mogelijk was, je eigen slagveld moest kiezen en de vijand naar jou moest laten komen.
6
Poorten
Met een glimlach snelde hij stampend met zijn laarzen op de rond lopende trap omhoog tot hij boven in het gebouw was. De hoogste verdieping bestond uit één grote ruimte met een licht welvend plafond en hier en daar enkele dunne pilaren met spiraalvormige cannelures. Glasloze boogvensters lieten ieder hoekje van het vertrek baden in het maanlicht. Het stof, gruis en zand op de vloer toonden nog steeds zijn vage voetafdrukken van die ene keer dat hij hier was geweest, en verder niets. Het was volmaakt.
Hij schreed naar het midden van de kamer en plantte zich boven op het mozaïek van het oeroude teken van de Aes Sedai, dat zo’n tien voet breed was. Die plek was gepast. ‘Onder dit teken zal hij ver overen.’ Dat zeiden de Voorspellingen van Rhuidean over hem. Hij zette zich wijdbeens boven de kronkelende scheidslijn, één voet op de zwarte traan, die nu de Drakentand werd genoemd en vroeger het kwaad aanduidde, de andere voet op de witte traan, die nu de Vlam van Tar Valon heette. Sommigen zeiden dat het een beeld was van het Licht. Een juiste plek om deze aanval af te slaan, tussen het Licht en de duisternis.