De rottende stank werd sterker en er hing een brandende zwavelgeur in de lucht. Opeens slopen dingen van de trap weg als schaduwen van de maan. Ze schoven langs de wanden van het vertrek. Langzaam smolten ze samen tot drie zwarte honden, zwarter dan de nacht en zo groot als bergpaarden. Hun ogen glansden als zilver en ze slopen behoedzaam om hem heen. Met de Kracht in zich kon hij hun hartslag horen, als zware trommelslagen. Hij kon hen niet horen ademen, misschien deden ze dat wel niet.
Hij geleidde en opeens lag er een zwaard in zijn handen, de licht gebogen kling met een reiger leek uit vuur te zijn gesmeed. Hij had Myrddraal verwacht, of nog iets ergers dan de Ooglozen, maar ook voor honden, zelfs voor dit Schaduwgebroed, zou het zwaard af doende zijn. Wie deze honden had gestuurd, kende hem niet. Lan zei dat hij nu bijna het niveau van zwaardmeester had bereikt en de zwaardhand was altijd zo zuinig met lof dat Rhand meende dat hij dat niveau waarschijnlijk al bereikt had.
Grommend alsof botten tot stof werden vermalen, wierpen de honden zich van drie kanten op hem, sneller dan galopperende paarden. Hij bewoog pas toen ze hem bijna raakten. Op dat moment werd hij een met het zwaard en hij gleed als in een dans van de ene in de andere houding. In een oogwenk ging Wervelwind rond de berg via Wind blaast over de wallen over in Openen van de waaier.
Grote zwarte koppen vlogen van de zwarte lijven weg, hun druipende tanden van gehard staal nog steeds ontbloot toen ze op de vloer vielen.
Hij stapte van het mozaïek af toen de zwarte gestalten stuiptrekkend neerstortten in bloedende zwarte vormen.
Stil lachend liet hij het zwaard verdwijnen, maar behield zijn greep op saidin, op de ziedende Kracht, op de zoetheid en de smet. Ver achting gleed langs de buitenkant van de leegte. Honden. Schaduw gebroed, zeker, maar toch slechts... Zijn lach verdween. De dode honden en hun koppen smolten langzaam, zakten weg in plassen vloeibare schaduw die zachtjes trilden alsof ze leefden. Hun bloedvlekken op de vloer beefden. Opeens vloeiden de kleinere plassen tot kleverige stromen samen en vormden grotere, die zich van het mozaïek opstootten om hoger en hoger te stijgen tot de drie enorme zwarte honden er weer stonden, kwijlend en grommend. Hun sterke grote lijven kregen weer vaste vorm.
Hij wist niet waarom hij een vage verbazing voelde buiten de leegheid. Jazeker, honden, maar Schaduwgebroed. Wie ze ook had gestuurd, was toch niet zo slordig geweest als hij had gedacht. Maar toch kenden ze hem nog niet.
Hij greep niet opnieuw naar het zwaard, maar geleidde zoals hij zich van lang geleden herinnerde. Jankend sprongen de honden op en een dikke bundel wit licht schoot uit zijn handen als gesmolten staal, als gesmolten vuur. Hij zwaaide de bundel dwars door de monsters en opeens bestonden ze slechts uit fonkelende stofjes die uit elkaar dwarrelden, kleiner en kleiner werden tot er niets meer was te zien. Hij liet met een grimmige lach los wat hij gemaakt had. Een licht paarse lichtstaaf leek in zijn gezichtsveld nog na te gloeien. Aan de andere kant van het grote vertrek viel een stuk van een smalle zuil op de tegels in stukken. Waar die staaf licht – of wat het ook geweest was, eigenlijk geen licht – rond was gezwaaid, waren stukken uit de pilaren gesneden. De muur achter hem vertoonde een gapend gat dat half zo breed was.
‘Heeft een ervan jou gebeten of is hun bloed op je gespat?’ Hij tolde rond bij het geluid van Moiraines stem. Hij was zo opgegaan in wat hij deed dat hij haar niet naar boven had horen komen. Ze hield met beide handen haar rok op en keek hem strak aan, haar gezicht was in schaduw gehuld. Zij zou alles op dezelfde manier heb ben gevoeld als hij, maar ze was hier zo snel gekomen dat ze moest hebben gerend. ‘Hebben de Speervrouwen je doorgelaten? Ben je op eens Far Dareis Mai geworden, Moiraine?’
‘Ze zien me als Wijze en dat geeft me enkele voorrechten,’ zei ze gehaast en haar ongeduld klonk rauw door in haar anders zo melodieuze stem. ‘Ik heb de wachten gezegd dat ik je dringend moest spreken. Nou, geef antwoord. Hebben de Duisterhonden je gebeten of zit hun bloed op je? Heeft hun speeksel je geraakt?’
‘Nee,’ antwoordde hij langzaam. Duisterhonden dus. Het weinige dat hij ervan wist, kende hij van zijn tocht naar Tyr en uit oude ver halen, het soort verhalen waarmee kinderen in het zuiden bang werden gemaakt. Sommige volwassenen geloofden er ook in. ‘Waarom ben je zo bang dat ik gebeten ben? Jij hebt toch je Heling? Betekent dit dat de Duistere vrij is?’ Gehuld in zijn leegte was zelfs vrees ver weg.
De verhalen die hij kende, vertelden over Duisterhonden die ’s nachts op de Wilde Jacht waren, waarbij de Duistere zelf de meuteleider was. Ze lieten op het zachtste zand geen enkel spoor achter, alleen op steen, en ze gaven nooit op, tenzij je ze bestreed en doodde, of een water overstak. Vooral kruispunten van wegen waren bijzonder gevaarlijke plekken en de tijd vlak na zonsondergang of vlak voor zonsopgang. Hij had echter al zoveel oude verhalen werkelijkheid zien worden dat hij nu aannam dat alles waar kon zijn. ‘Nee Rhand, dat niet.’ Ze leek haar zelfbeheersing te hebben her vonden. Haar stem klonk weer als zilveren belletjes, kalm en koel. ‘Zij zijn weer een ander soort Schaduwgebroed, iets wat nooit gemaakt had mogen worden. Maar hun beet is even dodelijk als een dolk in je hart en ik denk niet dat ik zo’n wond tijdig zou kunnen helen. Hun bloed en zelfs hun speeksel zijn vergif. Een druppeltje op je huid doodt je heel langzaam, een gruwelijke dood. Je hebt geluk dat het er maar drie waren. Of heb je er voor mijn komst nog meer gedood? Hun troepen zijn gewoonlijk groter, bestaan zeker uit zo’n tien of twaalf honden, dat zeggen de overgeleverde teksten uit de Oorlog van de Schaduw tenminste.’
Grotere troep? Hij was voor een Verzaker niet de enige prooi in Rhuidean...
‘We moeten het hebben over de manier waarop je ze hebt gedood,’ begon Moiraine, maar hij was er al vandoor, rende zo hard moge lijk weg en negeerde haar geroep waar hij heen ging, en waarom. Alle trappen af, door duistere gangen waar slaperige vrouwen, gestoord door de stampende laarzen, hem uit maanverlichte vertrekken verrast nastaarden. Door de voordeuren, langs een rusteloze Lan, die bij de twee schildwachten stond, zijn van kleur veranderende zwaardhandmantel rond de schouders, waardoor delen van zijn gestalte in de nacht leken op te gaan.
‘Waar is Moiraine?’ riep hij toen Rhand langs hem schoot, maar Rhand sprong zonder te antwoorden met twee brede treden tegelijk omlaag.
De half geheelde wond in zijn zij kneep zich als een vuist samen, pijn die hij maar vaag in de leegte voelde, toen hij het gezochte gebouw vond. Het stond aan de buitenkant van Rhuidean, zo ver mogelijk weg van het plein en van het kamp waar Moiraine met de Wijzen verbleef, maar toch nog in de stad. De bovenste verdiepingen lagen als een hoop verspreid puin op de gebarsten grond. Alleen de onderste twee verdiepingen waren nog heel. Hij stond zijn lichaam niet toe van pijn in elkaar te krimpen en holde naar binnen. Vroeger was de ruime voorhal, omringd door een stenen omgang, al hoog geweest, nu was hij nog hoger, open voor de nachtelijke hemel. De vloer van lichtgekleurde stenen lag vol puin van de instorting. In de schaduw stonden drie Duisterhonden op hun achterpoten te klauwen en kauwen aan een met brons beslagen deur die onder hun aan val trilde. Er hing een doordringende lucht van brandende zwavel. Rhand dacht terug aan wat er eerder was gebeurd en sprong opzij toen hij geleidde; de bundel vloeibaar wit vuur gleed langs de deur en vernietigde het Schaduwgebroed. Hij had geprobeerd het ditmaal wat behoedzamer te doen, om de vernietiging beperkt te houden tot de Duisterhonden, maar de dikke muur aan de andere kant van het vertrek toonde een gat met schaduwen. Hij dacht dat de bundel er niet doorheen was gegaan – het viel in het maanlicht moeilijk te zeggen – maar hij zou zijn beheersing over dit wapen moeten verfijnen. De bronzen platen op de deur waren verscheurd en omgekruld als of de tanden en nagels van de Duisterhonden echt van staal waren; lamplicht scheen door een aantal kleine gaatjes. In de vloertegels stonden maar verrassend weinig pootafdrukken. Hij liet saidin los, vond een plek waar hij zijn handen niet aan de punten zou openhalen en klopte op de deur. Opeens voelde de pijn in zijn zij verrassend echt en tastbaar; hij haalde diep adem en probeerde hem te onderdrukken. ‘Mart! Ik ben het, Rhand! Doe open, Mart!’ Even later ging de deur op een kiertje open, waardoor het licht naar buiten stroomde. Mart keek er weifelend doorheen en trok toen de deur verder open, terwijl hij er steun bij zocht, alsof hij met een zak stenen op zijn rug tien span had gehold. Om zijn nek droeg hij een zegel met een vossenkop, waarvan het oog de vorm en tinten van het Aes Sedai-teken bezat, verder was hij naakt. Het verbaasde Rhand dat Mart, met zijn gevoelens jegens de Aes Sedai, het ding niet al lang had verkocht. Achter in de kamer sloeg een lange, goudblonde vrouw kalm een deken om zich heen. Aan de speren en schild bij haar voeten te zien, was ze een Speervrouwe.