Выбрать главу

Rhand wendde snel zijn ogen af en schraapte zijn keel. ‘Ik wilde er alleen maar zeker van zijn dat alles in orde was.’

‘Met ons gaat het goed.’ Mart keek ongemakkelijk de voorhal rond.

‘Nu wel, tenminste. Je hebt het gedood, hè, dat ding? Ik wil niet weten wat het was, zolang het maar verdwenen is. Het is voor een man soms bloedlastig om jouw vriend te zijn.’

Niet alleen een vriend. Hij was eveneens ta’veren en misschien een sleutel tot de overwinning in Tarmon Gai’don. Iedereen die Rhand wilde doden, wilde Mart ook ombrengen. Maar Mart probeerde beide dingen steeds te ontkennen. ‘Ze zijn weg, Mart. Duisterhonden. Drie stuks.’

‘Ik zei toch dat ik het niet wilde weten,’ mopperde Mart. ‘Nu weer Duisterhonden. Ik kan niet zeggen dat er met jou nooit iets valt te beleven. Een man zal zich bij jou nooit vervelen, pas op de dag dat hij sterft. Als ik niet toevallig op was gestaan voor een slokje wijn toen de deur begon open te gaan...’ Zijn stem stierf huiverend weg en hij krabde aan een rode vlek op zijn rechterarm, terwijl hij de gehavende bronzen beplating bekeek. ‘Weet je, het is toch gek waar je opeens aan moet denken. Toen ik me uit alle macht inspande om die deur dicht te houden, zou ik hebben gezworen dat er een gat in gebeten werd. Ik kon zijn bloedkop al zien. En zijn tanden ook. De speer van Melindhra deed hem heel weinig.’

Moiraines aankomst was ditmaal luidruchtiger. Ze kwam hijgend en puffend binnenhollen, haar rok in de handen ophoudend. Lan volg de haar op de hielen met zijn zwaard in de aanslag en donderwolken op zijn steenharde gezicht. Vlak daarachter strekte een hele rij Far Dareis Mai zich tot op de straat uit. Sommige vrouwen droegen niet meer dan wat ondergoed, maar iedere vrouw hield haar speren gereed en had de sjoefa voor het gezicht. De zwarte sluier liet alleen de ogen vrij, klaar om te doden. Moiraine en Lan leken tenminste nog opgelucht dat ze hem levend en in gesprek met Mart aantroffen, hoewel de Aes Sedai ook keek alsof ze een hartig woordje met hem wilde wisselen. Door de sluiers viel niet te zien wat de Aiel dachten. Mart piepte luid, sprong zijn kamer in en begon haastig een broek aan te trekken. Zijn gestuntel werd nog onhandiger, doordat hij te gelijk probeerde zijn broek op te trekken en zijn arm te krabben. De hoogblonde Speervrouwe leek elk moment breed grijnzend in een schaterlach uit te kunnen barsten. ‘Wat is er met je arm?’ vroeg Rhand.

‘Ik zei toch al dat je vreemde gedachten kunt hebben,’ zei Mart, die zich al krabbend nog steeds probeerde aan te kleden. ‘Toen ik dacht dat dat beest door de deur heen beet, dacht ik ook dat hij over mijn arm slobberde, en bloed en as, het jeukt als vuur. Ziet er ook uit als of het brandt.’

Rhand wilde wat zeggen, maar Moiraine had zich al langs hem heen geduwd. Mart staarde haar aan terwijl hij verbeten poogde zijn broek helemaal aan te krijgen, maar ze knielde naast hem neer en negeer de zijn protesten, terwijl ze met beide handen zijn hoofd omvatte. Rhand was al eerder geheeld en had het bij anderen gezien, maar dit maal verliep het anders. Mart huiverde slechts en tilde het zegel aan het leren koord op, zodat hij het in de hand hield. ‘Dit bloedding is opeens kouder dan ijs,’ mompelde hij. ‘Wat doe je, Moiraine? Als je iets wilt doen, heel dan dit gejeuk, het zit nu in mijn hele arm.’ Zijn rechterarm was rood van de pols tot de schouder en leek op te zwellen.

Moiraine staarde hem ontzettend verbaasd aan; iets wat Rhand nooit eerder bij haar had gezien, en misschien nooit meer zou zien. ‘Dat zal ik doen,’ zei ze langzaam. ‘Als het zegel koud is, doe het dan af.’ Mart keek haar fronsend aan, trok het ten slotte over zijn hoofd en legde het naast zich neer. Opnieuw omvatte ze zijn hoofd en hij gaf een schreeuw alsof zijn hoofd in ijswater werd gedompeld. Zijn benen verstijfden en zijn rug boog zich naar achteren, zijn ogen staarden in het niets, groter konden ze niet worden. Toen Moiraine haar handen terugtrok, zakte hij in elkaar en hapte naar adem. De rode kleur en de zwelling waren verdwenen. Het kostte hem drie pogingen voordat hij in staat was iets te zeggen. ‘Bloedvuur! Bloed en as. Moet het iedere bloedkeer op deze bloedmanier gebeuren? Het was enkel een bloedjeuk!’

‘Let op je woorden,’ zei Moiraine terwijl ze opstond, ‘of ik laat Nynaeve op je passen.’ Maar ze was er met haar hoofd niet bij; ze had in haar slaap kunnen praten. Ze probeerde niet naar de vossenkop te kijken toen Mart die weer omhing. ‘Je hebt rust nodig,’ zei ze ver strooid. ‘Blijf morgen in bed als je je slecht voelt.’ De vrouw in de deken – Melindhra? – knielde achter Mart neer en legde haar handen op zijn schouders, terwijl ze Moiraine aankeek, ik zal ervoor zorgen dat hij doet wat je zegt, Aes Sedai.’ Met een onverwachte grijns woelde ze door zijn haren. ‘Hij is nu mijn kleine makker in het kattenkwaad.’ Aan de verschrikte ogen van Mart te zien zat hij kracht te verzamelen om het op een hollen te zetten. Rhand hoorde opeens het zachte, geamuseerde gegrinnik achter zich. De Speervrouwen – de sjoefa’s nu omlaag – waren bij de deur samengedromd en loerden de kamer in.

‘Leer hem zingen, speerzuster,’ zei Adelin en de andere vrouwen gierden het uit.

Rhand ging pal voor hen staan. ‘Gun de man rust. Moeten jullie niet iets aantrekken?’ Ze schoven met tegenzin weg en probeerden nog steeds de kamer in te kijken tot Moiraine naar buiten kwam.

‘Willen jullie ons alleen laten, alsjeblieft?’ zei de Aes Sedai, toen de beschadigde deur met een klap achter haar dichtviel. ‘Ik moet met Rhand Altor praten, alleen.’ Knikkend begaven de Aielvrouwen zich naar de buitendeur. Sommigen maakten nog steeds grappen over de vraag of Melindhra – blijkbaar een Shaido, en Rhand vroeg zich af of zijn vriend dat wist – Mart zou leren zingen. Wat dat ook mocht betekenen.

Rhand legde zijn hand op Adelins blote arm en hield haar tegen; de anderen zagen dit en bleven ook staan, zodat hij ze allemaal maar toesprak. ‘Als jullie niet gaan wanneer ik dat zeg, wat doen jullie dan in de strijd?’ Als hij het kon vermijden, was hij niet van plan dat te doen; hij wist dat het woeste vechters waren, maar hij was opgevoed in de overtuiging dat een man zijn leven eerst behoorde te geven voor een vrouw dat moest doen. Zijn nuchtere verstand vertelde dat de ze vrouwen dat dwaas vonden, maar zo was hij het gewend. Hij wist echter wel beter dan zoiets te zeggen. ‘Vatten jullie dat ook op als een grap of beslissen jullie uit jezelf wanneer je moet gaan?’ Er ontstond enige opschudding en ze keken hem aan alsof hij zijn onwetendheid over de allergewoonste dingen liet blijken. ‘Bij de dans met de speren,’ zei Adelin tegen hem, ‘gaan we waar jij ons stuurt, maar dit is geen dans. Bovendien heb je ons niet gezegd dat we moesten gaan.’

‘Zelfs de car’a’carn is geen natlandkoning,’ voegde een grijze vrouw eraan toe. Ze was pezig en hard, ondanks haar leeftijd, en droeg slechts een kort broekje en haar sjoefa. Hij werd doodmoe van die woorden.

De Speervrouwen begonnen weer grapjes uit te wisselen, terwijl ze hem met Moiraine en Lan achterlieten. De zwaardhand had einde lijk zijn zwaard weggestoken en leek evenzeer op z’n gemak als anders. Wat inhield dat hij even stil en kalm was als zijn gezicht, dat in het maanlicht geheel uit rotsplaten en scherpe randen leek te bestaan, maar dat hij een houding had alsof hij meteen in beweging kon komen. Vergeleken met hem leken de Aiel mak. Een gevlochten leren koord hield Lans haren bijeen, grijzend bij de slapen. Zijn blik kon zich meten met die van een blauwogige havik, ik moet je spreken over...’ begon Moiraine.