Выбрать главу

‘Dat kan wel tot morgen wachten,’ onderbrak Rhand haar. Lans gezicht werd zo mogelijk nog harder. Een zwaardhand beschermde zijn Aes Sedai veel meer dan zichzelf, zowel haar aanzien als haar leven. Rhand negeerde Lan. De pijn in zijn zijde wilde nog steeds dat hij in elkaar kromp, maar het lukte hem rechtop te blijven staan. Hij wil de tegenover haar geen enkele zwakheid tonen. ‘Als je denkt dat ik je zal helpen Mart die vossenkop te ontfutselen, dan mag je nog eens gaan denken.’ Op de een of andere manier had dat zegel ervoor gezorgd dat ze niet kon geleiden. Of had minstens het geleiden waar mee ze Mart hielp, tegengehouden zolang hij het zegel aanraakte. ‘Hij heeft er een zware prijs voor betaald, Moiraine, het zegel is van hem.’ Terwijl hij terugdacht aan haar klap met de Kracht, voegde hij er droogjes aan toe: ‘Misschien vraag ik hem wel te leen.’ Hij keer de zich om. Hij moest nog bij één persoon langs, hoewel de nood zaak op de een of andere manier was verdwenen; de Duisterhonden zouden hun plan nu wel hebben uitgevoerd.

‘Alsjeblieft Rhand,’ zei Moiraine en de duidelijke smeekbede weer hield hem ervan weg te lopen. Zoiets had hij nog nooit eerder van haar gehoord.

De toon leek Lan beledigend te achten, ik dacht dat je een man was geworden,’ zei de zwaardhand ruw. ‘Gedraagt een man zich zo? Je lijkt een verwaand jongetje.’ Lan leerde hem met het zwaard omgaan – en vond hem aardig, dacht Rhand – maar als Moiraine het juiste woord uitte, zou de zwaardhand zijn best doen hem te doden, ik zal niet altijd bij je zijn,’ zei Moiraine fel. Haar handen hielden haar rok zo stevig vast dat ze trilden, ik zou bij de volgende aanval kunnen sterven. Ik kan van mijn paard vallen en mijn nek breken of de pijl van een Duistervriend in het hart krijgen en de dood kan niet geheeld worden. Ik heb mijn hele leven eraan gewijd jou te zoeken, je te vinden en te helpen. Je kent nog steeds je eigen kracht niet en je weet waarschijnlijk nog maar de helft van wat ik allemaal weet. Ik... bied mijn verontschuldiging... mijn diepste verontschuldigingen aan voor alles waarmee ik je heb beledigd.’ Hij had nooit gedacht dat hij zoiets van haar te horen zou krijgen, en de woorden kwamen alsof ze uit haar mond getrokken moesten worden, maar ze werden wel gezegd, en een Aes Sedai kon niet liegen. ‘Laat mij je helpen zo lang ik je nog kan helpen. Alsjeblieft.’

‘Ik vind het moeilijk jou te vertrouwen, Moiraine.’ Hij lette niet op Lan, die zich in het maanlicht bewoog, maar richtte al zijn aandacht op haar. ‘Je hebt me behandeld als een speelpop, hebt me laten dansen op de manier die jij wenste vanaf de dag dat we elkaar hebben ontmoet. Het kwam maar weinig voor dat ik vrij van je was en dan was je óf ver weg óf ik liet je links liggen. En zelfs dan maakte je het me moeilijk.’

Haar lach was even zilverlicht als de maneschijn, maar er klonk iets verbitterds in door. ‘Het leek meer of ik met een beer vocht dan dat ik de touwtjes van een pop in handen had. Wil je dat ik zweer jou niet te beïnvloeden? Dat doe ik nu.’ Haar stem werd zo hard als kris tal. ‘Ik zweer dat ik je als een Speervrouwe zal gehoorzamen, als een gai’shain, als je dat van me vraagt... maar je moet...’ Ze haalde diep adem en begon opnieuw, nu wat zachter, ik verzoek je nederig om me toe te staan je te helpen.’

Lan staarde haar aan en Rhand dacht dat zijn ogen van verbazing uit hun kassen zouden vallen, ik zal je hulp aanvaarden,’ zei hij langzaam. ‘En ik wil me ook verontschuldigen, voor mijn onbeschofte gedrag.’ Hij had het gevoel alsof hij nog steeds beïnvloed werd wanneer hij onbeschoft was, had hij een goede reden -, maar zij kon niet liegen.

De spanning straalde van haar gezicht. Ze ging dichter bij hem staan en keek naar hem op. ‘Dat wapen dat je gebruikte om de Duister honden te vernietigen, wordt lotsvuur genoemd. Ik kan de laatste resten hier nog steeds voelen.’ Ook hij kon dat, als de vervliegende geur van vuiligheid die uit het vertrek werd verwijderd, of de herin nering aan iets dat net uit het zicht was. ‘Reeds voor het Breken van de Wereld was het gebruik van lotsvuur verboden. De Witte Toren verbiedt ons zelfs het te leren. In de Oorlog van Kracht gebruikten de Verzakers en aanhangers van de Duistere het slechts na lang aar zelen.’

‘Verboden?’ vroeg Rhand fronsend, ik heb het je een keer zien gebruiken.’ Hij wist het niet zeker in het bleke maanlicht, maar hij meende te zien hoe ze kleurde. Dit keer was zij eens uit haar even wicht gebracht.

‘Soms is het noodzakelijk iets verbodens te doen.’ Mogelijk voelde ze enige schaamte, maar aan haar stem was dat niet te horen. ‘Wanneer iets met lotsvuur is vernietigd, houdt het vóór het moment van vernietiging op te bestaan, als een draad die terugkrult van de vlam mende plek. Hoe meer kracht er bij het lotsvuur is gebruikt, hoe meer verleden er ophoudt te bestaan. De kracht die ik op kan brengen, vernietigt maar enkele tellen uit het Patroon. Jij bent veel sterker. Heel veel sterker.’

‘Maar als het niet bestaat vóór je het vernietigt...’ Verward haalde Rhand zijn vingers door zijn haar.

‘Krijg je enig idee van de problemen, van de gevaren? Mart zag hoe een Duisterhond door de deur heen beet, maar nu is er geen gat meer te zien. Als het monster zoveel op zijn arm had gekwijld als hij zich herinnert, zou hij al dood zijn geweest voor ik hem had kunnen helpen. Er is een zekere tijd vóór de vernietiging van het monster, en alles wat er in die tijd voorviel, is niet gebeurd!

Alleen de herinneringen bestaan, bij de mensen die het zagen of meemaakten. Alleen wat nóg eerder is gebeurd, is nu nog echt. Enkele opengebeten gaten in de deur en een druppeltje speeksel op Marts arm.’

‘Dat klinkt mij voortreffelijk in de oren,’ zei hij. ‘Daardoor is Mart nog in leven.’

‘Het is verschrikkelijk, Rhand.’ Er kwam iets nadrukkelijks in haar stem. ‘Waarom denk je dat zelfs de Verzakers er bang voor waren? Denk eens aan de gevolgen voor het Patroon als één enkele draad, één mens, enkele uren of zelfs dagen is verwijderd, een draad die al verweven is, zoals een draadje uit een stuk stof. Gedeelten van geschriften uit de Oorlog van Kracht verhalen van hele steden die met lotsvuur werden verwoest, voor beide partijen de gevaren beseften. Honderdduizenden draden werden uit het Patroon getrokken, ver dwenen ook van voorbije dagen. Wat die mensen hadden gedaan, was nooit gedaan; evenmin wat anderen daardoor hadden gedaan. De herinneringen bleven, maar niet de daden zelf. De uitdijende golven waren niet te overzien. Het Patroon zelf rafelde en scheurde. Het had de verwoesting van alles kunnen betekenen. Van de wereld, van de tijd, zelfs van de schepping.’

Rhand huiverde, maar niet van de kou die door zijn jas heen drong, ik kan niet beloven dat ik het niet meer zal gebruiken, Moiraine. Je hebt zelf gezegd dat er momenten bestaan dat men moet doen wat verboden is.’

‘Ik dacht ook niet dat je dat zou doen,’ zei ze koeltjes. Haar opwinding was verdwenen, ze had haar evenwicht weer hervonden. ‘Maar je moet voorzichtig zijn.’ Dus het was weer ‘moet’ geworden. ‘Met een sa’angreaal als Callandor kun je een hele stad met lotsvuur vol ledig verwoesten. Het Patroon zou de komende jaren volkomen ver stoord zijn. En niemand weet of het weefsel zich zo sterk op jou, een ta’veren, zal blijven richten tot het weer tot rust is gekomen. Juist doordat je zo’n sterke ta’veren bent, beschik je over enig voordeel, zelfs voor de Laatste Slag.’

‘Misschien wel,’ zei hij somber. In elk heldenepos verkondigde de held dat hij zou overwinnen of sterven. Het leek erop dat hij eigen lijk alleen maar kon hopen op overwinning én dood. ‘Ik moet nog iemand opzoeken,’ zei hij rustig, ik zie je morgenochtend wel.’ Hij trok saidar aan, leven en dood in wervelende lagen, en maakte een mansgrote opening in de lucht. Het zwart erachter was zo diep dat het schijnsel van de maan daglicht leek. Een poort, noemde Asmodean het.