‘Wat is dat?’ vroeg Moiraine met open mond. ‘Als ik iets een keer heb gedaan, herinner ik me hoe. Meestal.’ Dat was geen antwoord, maar het was tijd Moiraines eed te beproeven. Ze kon niet liegen, maar een Aes Sedai kon overal sluipweggetjes vinden. ‘Je moet Mart vannacht met rust laten, Moiraine. En pro beer niet die vossenkop van hem af te pakken.’
‘Die moet naar de Toren, Rhand, om bestudeerd te worden. Het moet een ter’angreaal zijn, maar nog nooit heeft iemand...’
‘Wat het ook is,’ zei hij ferm, ‘het is van hem. Laat het bij hem.’ Heel even leek ze innerlijk in tweestrijd te verkeren, haar rug ver strakte en ze hief het hoofd om hem streng aan te kijken. Ze was het niet gewend van iemand bevelen aan te nemen, behalve van Siuan Sanche, maar Rhand durfde er wat om te verwedden dat ze dat nooit zonder tegenstribbelen had gedaan. Ten slotte knikte ze en maakte zelfs een beweging in de richting van een revérence. ‘Wat je zegt, Rhand. Het is van hem. Wees alsjeblieft voorzichtig. Als je uit jezelf zoiets als lotsvuur leert, kan het je eigen dood betekenen en voor de dood bestaat geen Heling.’ Ditmaal klonk er geen spot in haar woorden door. ‘Tot morgen.’ Lan volgde haar naar buiten en wierp een onpeilbare blik op Rhand; hij zou haar ommekeer niet aangenaam vinden.
Rhand stapte de poort door, die meteen verdween. Hij stond op een schijf, een evenbeeld van het oeroude teken van de Aes Sedai met een doorsnee van zes voet. Zelfs de zwarte helft leek licht vergeleken met het zwart dat hem omringde. Hij wist zeker dat hij eeuwig zou doorvallen als hij eraf viel. Asmodean beweerde dat er een snellere manier was om een poort te gebruiken, reizen genaamd, maar hij had het Rhand niet kunnen leren. Ten dele omdat hij de kracht niet had om een poort te vormen nu hij door Lanfir was afgeschermd. In ieder geval diende men bij reizen het beginpunt heel goed te kennen. Rhand vond het eigenlijk veel zinniger als je je bestemming goed kende, maar Asmodean leek te denken dat hij ook had kunnen vragen waarom lucht geen water was. Asmodean nam wel heel veel als vanzelfsprekend aan. In elk geval was schichten ook snel genoeg.
Zodra hij zijn laarzen op de schijf had geplaatst, schoot die weg, om ongeveer een voet verder te stoppen. Toen verscheen voor hem een andere poort. Dat was snel genoeg, zeker voor zo’n korte afstand. Rhand stapte de gang voor Asmodeans kamer in. De maan door de vensters aan beide zijden van de gang vormde het enige licht; de lamp van Asmodean was nog steeds uit. Er bewoog niets maar hij ving nog flauw de stank op van brandende zwavel. Hij liep naar het kralengordijn en gluurde naar binnen. De kamer was vol schaduwen, maar een ervan was Asmodean, die onder zijn dekens lag te woelen. Gewikkeld in de leegte kon Rhand zijn hart horen slaan en het zweet van zijn nare dromen ruiken. Hij bukte zich om de lichtblauwe vloertegels te bekijken en de afdrukken die erin waren gebrand.
Hij had als jongen leren spoorzoeken en hij vond het niet moeilijk ze te lezen. Er waren hier drie of vier Duisterhonden geweest. Ze waren blijkbaar een voor een naar de deuropening gelopen, en elk monster was bijna precies in de pootafdrukken van de vorige gestapt. Had het geweven vangnet rond het vertrek hen tegengehouden? Of waren ze alleen maar gestuurd om te kijken en verslag uit te brengen? Het was verontrustend dat hij dit Schaduwgebroed zoveel slimheid moest toedichten. Maar ja, de Myrddraal gebruikten ook raven en ratten als spionnen en andere dieren die met de dood hadden te maken. Schaduwogen werden ze door de Aiel genoemd. Terwijl hij fijne stroompjes Aarde geleidde, maakte hij de vloertegels glad en gooide de kuiltjes vol, totdat hij weer buiten in de nachtelijke straat stond en honderd pas van het gebouw verwijderd was. Mor genochtend zou iedereen zien dat het spoor daar eindigde, maar niemand zou vermoeden dat de Duisterhonden in de buurt van Asmodean waren geweest. Duisterhonden zouden wel geen belang stelling hebben voor Jasin Natael, de speelman. Waarschijnlijk was op dit tijdstip iedere Speervrouwe in de stad wakker en onder hun Dak zou zeker niemand liggen slapen. Hij maakte een nieuwe poort in de straat, een zwarte duisternis in het zwart van de nacht en liet de schijf hem naar zijn eigen kamer terugbrengen. Hij vroeg zich af waarom hij dat aloude teken had uitgekozen; als het zijn eigen keus was geweest, was die onbewust gemaakt. Andere keren was het een traptrede geweest of een deel van de vloer. De Duisterhonden waren teruggeschrokken voor het teken voor ze zich opnieuw hadden gevormd. Onder dit teken zal ik veroveren.
Staande in zijn pikdonkere slaapvertrek gebruikte hij de Kracht om de lampen aan te steken, maar hij liet saidin niet los. Hij geleidde opnieuw, ervoor oppassend dat hij zijn eigen valstrikken niet liet openspringen, en liet een deel van de muur verdwijnen. Een nis die hij daar zelf had aangebracht, werd zichtbaar. In de kleine nis stonden twee beeldjes van een voet hoog, een man en een vrouw, ieder in golvende gewaden en met een streng, ernstig gezicht. Beide figuren hadden een kristallen bol in de opgeheven hand. Hij had hierover tegen Asmodean gelogen.
Er bestonden angrealen, zoals het kleine dikke mannetje in Rhands jaszak, en sa’angrealen, zoals Callandor. Met de laatste kon een geleider op een veilige manier veel meer Kracht gebruiken dan met angrealen. Beide soorten waren heel zeldzaam en werden zeer geprezen door Aes Sedai, hoewel zij alleen die angrealen konden herkennen die aan vrouwen en saidar werden toegeschreven. Deze twee beeldjes waren iets anders, niet zo zeldzaam, maar even zeer gewaardeerd. Ter’angrealen werden gehanteerd om de Kracht voor een bijzonder doel te gebruiken, niet om haar te verveelvoudigen. Zelfs de Aes Sedai kenden van de meeste ter’angrealen in de Witte Toren de werking niet. Sommige werden gebruikt zonder te weten of de manier waarop ze werden gebruikt ook werkelijk dat bewerkstelligde waar voor ze bedoeld waren. Rhand kende de werking van deze twee beeldjes.
Het mannelijke beeld kon hem, ook al zou hij aan de andere kant van de Arythische Oceaan staan, verbinden met zijn reusachtige even beeld, de sterkste mannelijke sa’angreaal die ooit was gemaakt. Het beeld was pas voltooid nadat de gevangenis van de Duistere opnieuw was verzegeld – hoe weet ik dat? — en verborgen voor een mannelijke krankzinnige Aes Sedai het kon vinden. Het vrouwelijke beeldje kon hetzelfde voor een geleidster doen: haar verbinden met het grotere vrouwelijke evenbeeld, dat hopelijk nog steeds voor een groot deel in Cairhien lag begraven. Met zoveel kracht... Moiraine had gezegd dat de dood niet geheeld kon worden.
Ongevraagd en ongewenst keerde de herinnering terug aan de voor laatste keer dat hij het had aangedurfd Callandor vast te houden. Beelden zweefden rond de leegte. Het lichaam van een donkerharig meisje, nauwelijks meer dan een kind. Ze lag plat op haar rug, haar wijd open ogen staarden strak naar het plafond en bloed kleurde haar lijfje donker, op de plaats waar een Trollok haar had doorstoken. De Kracht zat in hem. Callandor vlamde en hij was de Kracht. Hij geleidde, stuurde stromen door het lichaampje, zoekend, tastend, voelend. Ze schoot overeind en haar armen en benen schokten star en onnatuurlijk. ‘Rhand! Dit kun je niet doen,’ schreeuwde Moiraine. ‘Dit niet!’ Adem! Ze moet ademen. De kinderborst begon op en neer te gaan. Hart! Moet Kloppen! Bloed, dat reeds dik en donker was, spoot uit de wond in haar borst. Leef! Leef, bloedvuur! Ik wilde niet te laat komen. Haar donkere kijkers staarden hem glazig aan. Levenloos. Tranen druppelden vrijelijk langs zijn wangen.
Hij onderdrukte de herinnering met ruw geweld; zelfs in de leegte gehuld, deed het pijn. Met zoveel Kracht... Zoveel Kracht kon hem niet worden toevertrouwd. ‘Je bent de Schepper niet,’ had Moiraine hem bij het meisje gezegd. Maar met dat mannelijke beeld, met maar de helft van die kracht, had hij een keer bergen vervormd. Met veel minder, met alleen Callandor, was hij er zeker van geweest dat hij het Rad had kunnen terugdraaien, het dode kind weer tot leven had kunnen brengen. Niet alleen de Ene Kracht was verlokkelijk; de macht erover eveneens. Hij zou de beeldjes allebei moeten vernietigen. In plaats daarvan verweefde hij de stromen opnieuw en zette de vallen weer op scherp.