Выбрать главу

Hij hoopte dat het zijn eigen kille en bittere gedachte was. ‘Je hebt je dromen tegen mij afgeschermd.’

‘Tegen iedereen.’ Dat was waar, hoewel ze net als de Wijzen boven aan de lijst stond van mensen die hij weg wilde houden. ‘Dromen zijn van mij. Vooral jij en je dromen zijn van mij.’ Aan haar gezicht was niets af te lezen, maar haar stem klonk harder, ik kan door je scherm heen breken en dat zou je niet leuk vinden.’ Om te laten zien dat hij zich daar geen zorgen over maakte, ging hij in kleermakerszit op het randje van zijn strozak zitten, met zijn handen op de knieën. Hij dacht dat zijn gezicht even kalm was als het hare. In hem groeide de Kracht. Hij hield stromen Lucht klaar om haar te boeien en stromen Geest om een schild te weven rond de Ware Bron. Maar hij wist niet meer hoe hij dat moest doen; het lag ergens diep in zijn hersens begraven. Zonder die kennis was het andere nutteloos. Ze kon ze apart aanpakken en elk weefsel van hem doorsnijden, ook al kon ze dat niet zien. Asmodean probeerde hem die kunst bij te brengen, maar zonder het weefsel van een vrouw om mee te oefenen, ging het moeilijk.

Lanfir nam hem onbezorgd op, een kleine frons vertekende haar schoonheid, ik heb de dromen van die Aielvrouwen bekeken. Die zogenaamde Wijzen. Ze weten niet zo goed hoe ze zichzelf kunnen afschermen. Ik kan ze zoveel vrees aanjagen dat ze nooit meer zullen dromen en jouw dromen zeker nooit meer durven binnendringen.’

‘Ik dacht dat je me niet openlijk wilde helpen?’ Hij durfde haar niet te zeggen de Wijzen met rust te laten; ze was heel goed in staat hen toch iets aan te doen. Ze had hem vanaf het begin duidelijk gemaakt, zij het niet in woorden, dat zij voor hem het belangrijkste diende te zijn. ‘Loop je dan niet het gevaar dat een andere Verzaker het ontdekt? Jij bent niet de enige die weet hoe je de dromen van anderen binnenkomt.’

‘De Uitverkorenen,’ zei ze nadenkend. Heel even beet ze op haar volle onderlip, ik heb ook de dromen van dat meisje Egwene bekeken. Ik dacht ooit dat jij wat voor haar voelde. Weet je over wie zij droomt? Over de zoon en de stiefzoon van Morgase. Het vaakst over de zoon, over Gawein.’ Met een spottende glimlach deed ze alsof ze geschokt was. ‘Je zou nooit willen geloven dat een simpel boeren meisje zulke dromen heeft.’

Ze probeerde zijn jaloezie te testen, besefte hij. Ze dacht echt dat hij zijn dromen had afgeschermd om zijn gedachten aan andere vrouwen te verbergen! ‘De Speervrouwen bewaken me nauwgezet,’ zei hij droogjes. ‘Als je wilt weten hoe goed, moet je Isendres droom maar eens gaan zien.’

Rode vlekjes verschenen op haar wangen. Natuurlijk. Hij werd niet geacht te merken wat ze probeerde te doen. Verwarring rolde voor de leegte langs. Of dacht ze misschien... Isendre? Lanfir wist dat ze een Duistervriend was. Lanfir had zelf Kadere en Isendre naar de Woestenij gebracht. En ze had het grootste deel van de juwelen waar van Isendre beschuldigd werd ze te hebben gestolen, bij haar ver stopt; ook bij iets onbelangrijks was Lanfirs boosaardigheid wreed. Volgens Lanfir zou het feit dat Isendre een Duistervriend was, geen belemmering voor hem zijn om op haar verliefd te worden, ik had de Aiel hun gang moeten laten gaan, toen ze haar naar de Drakenmuur wilden sturen,’ vervolgde hij achteloos, ‘maar wie weet wat ze dan had gezegd om zichzelf te redden? Ik moet haar en Kadere in zekere mate beschermen vanwege Asmodean.’ De rode vlekjes verdwenen, maar toen ze weer iets wilde zeggen, werd er op de deur geklopt. Rhand sprong overeind. Niemand zou Lanfir herkennen, maar als men een vrouw in zijn kamer zag, een vrouw die door geen enkele Speervrouwe beneden was gezien, zouden er vragen worden gesteld waar hij geen antwoord op had. Maar Lanfir had reeds een poort geopend die leidde naar iets met witte zijden voorhangen en veel zilver. ‘Denk eraan, mijn lief, dat ik je enige hoop op overleven ben.’ Haar koele stem paste niet bij hoe ze hem noemde. ‘Naast mij hoef je niets te vrezen. Naast mij kun je heersen over... alles wat bestaat of wat zal zijn.’ Ze tilde haar sneeuwwitte rok op en stapte door de poort, die weer dichtklapte. Weer werd er geklopt, voor hij het opbracht saidin los te laten en de deur te openen.

Enaila tuurde achterdochtig langs hem heen en mompelde: ik meen de Isendre...’

Ze keek hem beschuldigend aan. ‘De speerzusters zijn overal naar jou op zoek. Niemand heeft je zien terugkomen.’ Hoofdschuddend strekte ze zich. Ze probeerde zich altijd zo lang mogelijk te maken. ‘De stamhoofden zijn er en willen met de car’a’carn spreken,’ zei ze vormelijk. ‘Ze wachten beneden.’

Omdat mannen niet naar binnen mochten, stonden ze te wachten tussen de pilaren boven aan de trap. De hemel was nog donker, maar in het oosten omlijnde de eerste glimp van de dageraad de bergen. Misschien hadden ze weinig op met de twee Speervrouwen die tussen hen en de twee deuren stonden, maar dat viel op hun bescha duwde gezichten niet te zien.

‘De Shaido zijn in beweging gekomen,’ blafte Han zodra Rhand ver scheen. ‘En de Reyn, Miagoma, Shiande... Elke stam!’

‘Sluiten ze zich bij Couladin aan of bij mij?’ wilde Rhand weten. ‘De Shaido zijn op weg naar de Jangai-pas,’ zei Rhuarc. ‘Het is nog te vroeg om het van de anderen te zeggen. Ze zijn echter wel op pad gegaan met iedere speer die niet nodig is om de vesten of kudden te beschermen.’

Rhand knikte slechts. Was hij zo vastbesloten geweest dat niemand hem zou zeggen wat hij moest doen, en nu gebeurde dit. De plannen van de andere stammen kende hij niet, maar Couladin wilde Cairhien binnenvallen. Als de Shaido daar nog meer verwoestten, maak te dat een eind aan zijn vredesplannen. Hij kon niet in Rhuidean op de andere stammen blijven wachten. ‘Dan trekken wij ook naar Jangai,’ zei hij eindelijk. ‘We kunnen hem niet voor de pas inhalen,’ waarschuwde Erim en Han voegde er zuur aan toe: ‘Als een andere stam zich bij hen aan sluit, zitten we in de val als een blindworm in de zon.’ ik blijf hier niet wachten tot ik het weet,’ zei Rhand. ‘Ik kan Couladin niet inhalen, maar ik wil in Cairhien vlak achter hem zitten. Wek de speren. Als het jullie lukt, vertrekken we zo snel mogelijk na het eerste licht.’

Nadat ze die vreemde Aielbuiging voor hem hadden gemaakt, die alleen bij heel belangrijke momenten werd gebruikt – één voet naar voren en de hand uitgestrekt – vertrokken de stamhoofden. Alleen Han zei nog iets. ‘Tot aan Shayol Ghul zelf.’

7

Een vertrek

In de grijze vroege ochtend hees Egwene zich geeuwend op haar mist kleurige merrie en ze moest danig aan de teugels trekken toen Mist ronddartelde. Het dier was al wekenlang niet bereden. De Aiel liepen liever op hun eigen benen en vermeden zoveel mogelijk elk paard, hoewel ze wel lastpaarden en pakezels gebruikten. Zelfs als er genoeg hout voor wagens voorhanden zou zijn geweest, dan nog was de bodem van de Woestenij weinig gastvrij voor wielen, zoals meerdere marskramers tot hun spijt hadden moeten ontdekken. Ze keek niet echt verlangend naar de lange reis naar het westen uit. De zon lag nog achter de bergen, maar dat de hitte gedurende de dag elk uur zou toenemen, was duidelijk en er zou geen handige tent voor schaduw in de buurt zijn. Ze wist ook niet zeker of de Aielkledij eigenlijk wel voor het rijden geschikt was. De sjaal die over het hoofd werd geslagen, hield de zon verrassend goed tegen, maar haar wijde rok zou tot haar heupen opkruipen als ze niet oppaste. Het was niet alleen een kwestie van zedigheid maar ook van brandblaren. De zon van boven en... Een maand niet meer in het zadel zou haar toch niet zo week hebben gemaakt? Ze hoopte maar van niet, anders zou dit een héél lange reis worden.

Toen ze Mist eenmaal had gekalmeerd, zag Egwene dat Amys naar haar keek, en ze wisselde een glimlach uit met de Wijze. Het gehol van de avond ervoor was niet de reden dat ze nog half sliep; eigen lijk had ze er nog beter door geslapen. Maar ze had vannacht in derdaad de dromen van de andere vrouw gevonden en om het te vieren hadden ze in de droom thee gedronken in de Koudrotsveste bij de ondergaande zon van de vroege avond, terwijl kinderen wilde spel letjes deden tussen de beplante terrassen en een aangenaam briesje de kloof verkoelde.