Natuurlijk zou dat ene bezoekje haar niet van haar nachtrust heb ben beroofd, maar ze was na het verlaten van Amys’ droom zo op gewonden geweest dat ze ermee door wilde gaan. Ze kon er niet mee ophouden, niet op dat moment, en wat Amys ervan zou zeggen deed er niet toe. Overal om haar heen waren dromen geweest, hoewel ze van de meeste niet wist bij wie ze hoorden. Maar van sommige weclass="underline" Melaine had gedroomd over hoe ze een pasgeborene aan de borst had en Bair over een vroegere echtgenoot toen ze beiden nog jong en blond waren. Juist in die dromen was ze heel voorzichtig geweest. Een indringster zou een Wijze meteen opvallen, en ze rilde bij de gedachte aan wat ze zouden hebben gedaan voor ze weg had gemogen. Rhands dromen waren natuurlijk een uitdaging geweest, die ze on herroepelijk moest aanpakken. Nu ze van droom naar droom kon schieten, waarom zou ze dan niet iets proberen wat de Wijzen niet lukte? Maar haar poging zijn dromen te belopen, bleef bij een po ging. Het had geleken of ze met haar hoofd tegen een onzichtbare stenen muur was gebotst. Ze wist dat zijn dromen zich aan de andere kant bevonden en ze was er zeker van dat ze wel een weg door die muur kon vinden, maar er was nergens een gaatje te zien, nergens een uitsteeksel om aan te peuteren. Een muur van niets. Ze zou zich met dit probleem bezig blijven houden tot ze het had opgelost. Als ze eenmaal haar zinnen op iets had gezet, kon ze even volhoudend zijn als een das.
Overal om haar heen waren gai’shain druk bezig. Ze laadden alle kampspullen van de Wijzen op muildieren. Het duurde niet lang of alleen een Aiel of een even ervaren spoorzoeker zou kunnen zeggen of er op dat gebied van verharde klei ooit tenten hadden gestaan. Dezelfde drukte heerste overal op de omringende berghellingen en de opwinding was ook in de stad zichtbaar. Niet iedereen zou gaan, maar duizenden anderen wel. Aiel bevolkten de straten en de karavaan van baas Kadere wachtte in een lange rij op het grote plein, beladen met de door Moiraine uitgekozen goederen. De drie witgeschilderde waterwagens stonden aan het eind van de stoet als grote vaten op wielen achter spannen van twintig muildieren. Kaderes eigen wagen, aan de kop van de stoet, was een klein huisje op wielen, met een wit trapje achter en een metalen rookpijpje op het platte dak. De dikke koopman met de haviksneus, vandaag geheel in ivoor kleurige zijde, nam bij het langsrijden met een zwaai zijn niet bij de zijde passende, verfomfaaide hoed af; zijn donkere, scheefstaande ogen deden niet mee met de brede glimlach die hij haar toewierp. Ze negeerde hem ijskoud. Zijn dromen waren absoluut duister en onplezierig geweest, terwijl ze bovendien ook schunnig waren. Ze zouden zijn kop in een vat blauwpentbee moeten onderdompelen, bedacht ze grimmig.
Toen ze naar het Dak van de Speervrouwen reed, drong ze tussen voortreppende gai’shain en geduldig wachtende muilezels door. Tot haar verrassing droeg een van de gai’shain die de ezels bepakten, zwarte kledij, geen witte. Aan haar lengte te zien was het een vrouw, die wankelde onder het gewicht van een met touwen vastgebonden bundel op haar rug. Toen ze Mist langs de vrouw stuurde, bukte ze zich om onder de kap van de vrouw te kijken. Egwene zag Isendres uitgemergelde gelaat, het zweet rolde over haar wangen. Ze was blij dat de Speervrouwen de vrouw hadden toegestaan gekleed in plaats van naakt naar buiten te gaan – of naar buiten hadden gestuurd maar het leek haar nodeloos wreed haar in het zwart te kleden. Als ze nu al zo liep te zweten, zou ze bijna sterven als de hitte van de dag zou toeslaan.
Maar ze mocht zich niet bemoeien met de zaken van de Far Dareis Mai. Aviendha had haar dat vriendelijk en ferm duidelijk gemaakt. Adelin en Enaila hadden er bijna onbeschoft op gereageerd, en een broodmagere witharige vrouw die Sulin heette, had letterlijk gedreigd haar aan haar oren naar de Wijzen terug te sleuren. Ondanks haar pogingen Aviendha over te halen haar niet als Aes Sedai aan te spreken, ergerde het haar dat de Speervrouwen, na eerst op de smalle grens van onzekerheid tegenover haar te hebben verkeerd, nu hadden besloten haar te behandelen als een van de vele leerlingen van de Wijzen. Erger nog, ze lieten haar zelfs niet eens onder hun Dak toe, tenzij Egwene beweerde dat ze een boodschap had. De snelheid waarmee ze Mist aanspoorde in de drukte verder te stappen had niets te maken met haar aanvaarding van gerechtigheid van Far Dareis Mai, of dat ze zich niet op haar gemak voelde onder de blikken van enkele Speervrouwen, die ongetwijfeld klaarstonden om haar een lesje te leren als ze meenden dat Egwene van plan was zich ergens mee te bemoeien. Het had zelfs weinig te maken met haar hekel aan Isendre. Ze wilde niet denken aan de glimp die ze had geworpen in de dromen van deze vrouw, vlak voordat Cowinde haar was komen wekken. Ze had nachtmerries gezien van martelingen, van dingen die de vrouw werden aangedaan. Egwene was vol af grijzen weggesneld, terwijl iets duisters en slechts haar lachend zag weghollen. Geen wonder dat Isendre uitgeput leek. Egwene was zo snel uit haar slaap wakker geschrokken dat Cowinde was teruggedeinsd toen ze een hand op haar schouder wilde leggen. Rhand stond in de straat van het Dak van de Speervrouwen. Hij droeg een sjoefa tegen de opkomende zon en zijn blauwzijden jas, met zoveel goudborduursel alsof hij zich in een paleis bevond, hing open. Zijn riem had een nieuwe gesp, een bewerkelijk ding in de vorm van een draak. Hij had een erg hoge dunk van zichzelf, zoveel was wel duidelijk. Hij stond naast Jeade’en, zijn schimmelhengst, met de stamhoofden te praten en met enkele Aielhandelaren die in Rhuidean zouden blijven.
Jasin Natael, die vlak naast hem stond met de harp op zijn rug en die de teugels vasthield van een gezadeld muildier dat van baas Kadere was gekocht, was zo mogelijk nog uitbundiger gekleed: zilver borduurwerk dat het zwart bijna verborg en een overvloed van wit kant op de kraag en mouwopslagen. Zelfs de bij de knie omgeslagen laarsboorden vertoonden veel zilver. De speelmanmantel met de kleurige lapjes bedierf het geheel, maar speelmannen waren vreemde lieden.
De mannelijke handelaren droegen de cadin’sor en hoewel de messen aan hun riemen kleiner waren dan die van de krijgers, wist Egwene dat allen in nood de speren konden gebruiken; ze hadden iets, zo niet alles, van die dodelijke soepelheid van hun broeders die de speer droegen. De vrouwelijke handelaren waren gemakkelijker her kenbaar in hun loshangende witte, algoeden hemd en dikke wollen rok, hoofddoek en sjaal. Afgezien van Speervrouwen en gai’shain en Aviendha – droegen alle Aielvrouwen verschillende armbanden en halskettingen van goud en ivoor, zilver en edelstenen; sommige waren van Aielherkomst, sommige gekocht en sommige krijgsbuit. Maar de vrouwen onder de Aielhandelaren droegen wel tweemaal zoveel sieraden, zo niet meer.
Ze ving enkele woorden op die Rhand tegen de handelaren sprak. ‘... geef de steenvoegers van de Ogier minstens de vrije hand bij de stukken die ze bouwen. En doe hetzelfde bij zoveel mogelijk gebouwen die jullie zelf kunnen herstellen. Het heeft geen zin het verleden te herhalen.’
Dus hij stuurde hen naar een Ogierstedding voor de wederopbouw van Rhuidean. Dat was goed. Een groot deel van Tar Valon was het werk van de Ogier en waar die hun eigen middelen en ideeën mochten toepassen, verrezen adembenemende bouwwerken. Mart zat al op zijn ruin Pips; hij had zijn breedgerande hoed omlaag getrokken en de punt van zijn vreemde speer rustte op de stijgbeu gel. Als gewoonlijk leek het of hij in zijn groene jas met de hoge kraag had geslapen. Ze had zijn dromen vermeden. Een Speervrouwe, een heel lange vrouw met goudblond haar, schonk Mart een guitige grijns, waar hij verlegen van leek te worden. En dat hoorde ook; ze was veel te oud voor hem. Egwene snoof. Ik weet ook zonder bezoekje wel waarover hij droomt, dank je feestelijk.