Выбрать главу

Ze trok alleen de teugel naast hem aan om naar Aviendha rond te kijken. ‘Hij zegt haar stil te zijn en dat doet ze,’ zei hij toen ze Mist inhield.

Hij gaf een knikje naar Moiraine en Lan. Zij droeg lichtblauwe zij de en hield de teugels van haar witte merrie vast. Hij, in zijn zwaard handmantel, hield zijn grote zwarte krijgsros in bedwang. Lan keek Moiraine strak en nietszeggend aan, terwijl zij leek te barsten van ongeduld toen ze woest naar Rhand keek. ‘Ze wilde hem vertellen waarom hij er verkeerd aan doet – en het klonk mij in de oren of ze het voor de honderdste keer zei – en hij antwoordde: “Ik heb besloten, Moiraine. Ga opzij en houd je mond tot ik tijd voor je heb.” Alsof hij er gewoon op rekende dat ze dat zou doen. En ze deed het. Stijgt er geen stoom op uit haar oren?’

Zijn gegrinnik was zo opgetogen, hij vermaakte zich zo over zijn eigen grapje, dat ze bijna saidar omhelsde en hem voor ieders oog een lesje wilde leren. In plaats daarvan snoof ze weer, luid genoeg om hem te laten weten dat dat vanwege hem, zijn mopje en zijn vermaak was. Hij keek haar van opzij stuurs aan en grinnikte opnieuw, wat haar humeur er niet beter op maakte.

Heel even keek ze Moiraine stomverbaasd aan. Had de Aes Sedai gedaan wat Rhand zei? Zonder hem tegen te spreken? Dat was net zo onwaarschijnlijk als een Wijze die gehoorzaamt of zonsopgang om middernacht. Ze had natuurlijk van de aanval gehoord; geruchten over reusachtige honden die voetsporen op stenen achterlieten, hadden die ochtend overal de ronde gedaan. Ze begreep niet wat het met Moiraine te maken had, maar afgezien van het vertrek van de Shai do was dat het enige nieuws en dat was niet belangrijk genoeg om zich daarna zo te gedragen. Ze kon niet bedenken wat wel de oor zaak zou kunnen zijn. Ongetwijfeld zou Moiraine zeggen dat ze zich er niet mee moest bemoeien, maar op de een of andere manier zou ze erachter komen. Ze had er een hekel aan als ze iets niet begreep. Ze zag Aviendha op de onderste trede van het Dak van de Speervrouwen en stuurde Mist om Rhands groepje heen. De Aielse stond hem even strak aan te staren als de Aes Sedai, maar zonder dat er iets op haar gezicht viel af te lezen. Ze draaide voortdurend de ivoren armband om haar pols rond, blijkbaar zonder het te beseffen. Op de een of andere manier maakte die armband deel uit van het probleem dat de Aielse met hem had. Egwene begreep het niet; Aviendha weigerde erover te praten en ze kon het niet zomaar ie mand anders vragen en daarmee een vriendin in verlegenheid brengen. Haar eigen ivoren armband met de uitgesneden vlammen was een geschenk van Aviendha, een bezegeling van hun bijna-zuster schap. Egwene had haar een zilveren halsketting geschonken, met volgens baas Kadere een Kandoripatroon dat sneeuwvlokjes heette. Ze had Moiraine om geld moeten vragen, maar het had haar een passend geschenk geleken voor een vrouw die nooit sneeuw zou zien. Maar nu ze de Woestenij ging verlaten, zou dat waarschijnlijk ver anderen, want de kans dat ze voor de winter terug zouden zijn, was klein. Wat Aviendha’s armband ook betekende, Egwene was er zeker van dat ze het uiteindelijk te weten zou komen. ‘Alles in orde?’ vroeg ze. Toen ze zich opzij boog in het zadel met de hoge zadelbogen, trok haar rok op zodat haar benen zichtbaar waren, maar ze was zo bezorgd over haar vriendin dat ze het amper merkte.

Ze moest de vraag herhalen voor Aviendha opschrok en haar aan keek. ‘In orde? Natuurlijk.’

‘Ik wil best met de Wijzen praten, Aviendha. Ik ben er zeker van dat ik hen kan overtuigen dat ze jou niet kunnen dwingen om...’ Ze kon de woorden niet uitspreken, niet hier in het openbaar, waar iedereen ze kon horen.

‘Maak je je daar nog steeds zorgen over?’ Aviendha verschikte haar grijze sjaal en schudde haar hoofd. ‘Jullie gewoonten vind ik nog steeds erg vreemd.’ Haar ogen gleden weer naar Rhand als ijzervijlsel aangetrokken door loodsteen. ‘Je hoeft niet bang voor hem te zijn.’

‘Ik ben voor geen enkele man bang,’ snauwde de vrouw en haar blauwgroene ogen schoten vuur. ‘Ik wil geen moeilijkheden tussen ons, Egwene, maar zulke dingen hoor je niet te zeggen.’ Egwene zuchtte. Vriendin of niet, Aviendha schroomde niet om haar een uitbrander te geven wanneer ze zich echt beledigd voelde. Eigenlijk wist ze wel zeker dat zij ook niet zou hebben toegegeven dat ze bang was. Aviendha’s droom was te pijnlijk geweest om lang naar te kijken. Geheel naakt, afgezien van een ivoren armband die haar omlaag leek te trekken alsof die honderd pond woog, rende Aviendha zo hard mogelijk over een vlakte van gebarsten klei. En Rhand kwam achter haar aan, een reus die wel tweemaal zo groot was, als een Ogier op een enorme Jeade’en, langzaam maar onverbiddelijk dichterbij komend.

Maar je kon een vriendin niet recht in het gezicht zeggen dat ze loog. Egwenes gelaat werd een tikkeltje rood. Zeker niet als je dan moest vertellen hoe je dat wist. Dan zou ze me echt de mantel uitvegen. Ik doe het niet meer. Dat rondstappen in andermans droom. In ieder geval niet in die van Aviendha. Het was niet goed in de dromen van een vriendin te spioneren. Niet dat het echt spioneren was, maar toch...

De groep rond Rhand begon zich te verspreiden. Hij zwaaide zich lenig in het zadel, daarin prompt gevolgd door Natael. Een koop vrouw met een breed gezicht en vlammend rood haar, die een klein vermogen droeg aan bewerkt goud, geslepen edelstenen en kunst zinnig ivoorwerk, bleef echter nog even hangen. ‘Car’a’carn, ben je van plan het Drievoudige Land voor eeuwig te verlaten? Je sprak net alsof je nooit meer terug zult komen.’

De anderen bleven bij die vraag staan en keerden terug. Een stilte daalde neer toen de rimpelingen van gefluister waarmee de vraag werd doorgegeven, waren weggeëbd.

Heel even zweeg ook Rhand en hij keek naar de gezichten die hem aanstaarden. Ten slotte zei hij: ik hoop terug te keren, maar niemand kan zeggen wat er gaat gebeuren. Het Rad weeft wat het Rad wil.’ Hij aarzelde even, nu alle ogen op hem waren gericht, ik zal jullie echter iets schenken waardoor jullie mij herinneren,’ ging hij verder terwijl hij een hand in zijn jaszak stak. Opeens kwam vlak bij het Dak van de Speervrouwen een fontein tot leven, water spoot uit de monden van vreemd gevormde dolfijnen die op hun staarten stonden. Verderop kwam uit een beeld van een jongeman met een opgeheven hoorn een waaier van water; nog verder weg stroomde uit de handen van twee stenen vrouwenbeelden een waterval. In de stomverbaasde stilte zagen de Aiel hoe alle fonteinen van Rhuidean weer water gaven.

‘Ik had dit al eerder willen doen.’ Rhands gemompel was ongetwijfeld voor hemzelf bestemd, maar Egwene kon hem heel duidelijk ver staan. Het gespetter van honderden fonteinen was het enige andere geluid. Natael trok zijn schouders op alsof hij niet anders had ver wacht.

Maar Egwene staarde naar Rhand, niet naar de fonteinen. Een geleider. Rhand. Toch is hij nog Rhand, ondanks alles. Maar iedere keer dat ze het hem zag doen, was het of ze hem weer voor het eerst zag. Als kind was haar bijgebracht dat alleen de Duistere meer gevreesd moest worden dan een geleider. Misschien heeft Aviendha gelijk dat ze bang voor hem is.

Maar toen ze op Aviendha neerkeek, glansde er op haar gezicht openlijke bewondering. De Aielse was verrukt over al dat water, zoals Egwene zich zou verheugen over het mooiste zijden gewaad of een tuin vol bloemen.

‘Het is tijd om te vertrekken,’ kondigde Rhand aan terwijl hij de gevlekte schimmel naar het westen stuurde. ‘Wie nog niet klaar is, moet ons later maar inhalen.’ Natael reed op zijn muildier vlak achter hem. Waarom hield Rhand die hielenlikker zo dicht bij hem? De stamhoofden gaven meteen bevelen door en de drukte werd wel tienmaal zo groot. Speervrouwen en Waterzoekers schoten naar voren en nog meer Far Dareis Mai omringden Rhand als een erewacht, waarbij ze per ongeluk ook Natael insloten. Aviendha stapte met Jeade’en mee, vlak naast Rhands stijgbeugel en hield zelfs in haar rok met gemak iedere pas van de hengst bij.