Nynaeve keek op en zag de in sneeuwwitte mantels gehulde ruiter stoet over de volgende lage heuvelrug aan komen rijden. Het was misschien een half honderdtal mannen, in glinsterende maliën en met glimmende kegelvormige helmen op, die evenveel zwaarbeladen wagens begeleidden. Kinderen van het Licht. Ze was zich plotseling erg bewust van de leren veter met de twee ringen die onder haar jurk tussen haar borsten hingen. Lans zware, gouden zegelring, de ring van de koningen van het ten onder gegane Malkier, zou de Witmantels niets zeggen, maar als ze de Grote Serpent-ring zagen... Dwaas! Niet erg waarschijnlijk, tenzij je besluit om je uit te kleden! Haastig liet ze haar ogen over haar metgezellen gaan. Elayne zag er altijd knap uit, en nu ze Thom had losgelaten en haar groene sjaal vastbond die haar hoed op zijn plaats hield, pasten haar manieren beter bij een troonzaal dan bij een koopmanswagen, maar haar blauwe jurk verschilde alleen in kleur van die van Nynaeve. Ze droeg geen sieraden; ze had Amathera’s geschenken ‘opzichtig’ genoemd. Ze kon ermee door; dat was al vijftig keer zo geweest sinds Tanchi o, maar dan maar net. Alleen, dit was de eerste ontmoeting met Witmantels. Thom, in dikke, bruine wol, kon een van de vele duizenden knoestige, witharige lieden zijn die de wagens bereden. En Juilin was Juilin. Hij wist hoe hij zich moest gedragen, hoewel hij eruitzag alsof hij wenste dat hij niet op een paard zat maar met beide benen op de grond stond, met zijn staf of hartsvanger in zijn riem. Thom trok de paarden naar een kant van de weg en hield in toen een paar Witmantels zich vooraan uit de stoet losmaakten. Nynaeve zette een gastvrije glimlach op. Ze hoopte dat ze niet besloten hadden dat ze nog een wagen nodig hadden.
‘Het Licht verlichte u, kapitein,’ zei ze tot de man met het smalle gezicht, die overduidelijk de leider was; de enige die geen lans met stalen punt droeg. Ze had geen idee welke rang de twee gouden tressen op zijn borst aanduidden, vlak onder de vlammende zon die ze alle maal droegen, maar ze kende de mannen en die zouden elke vleierij slikken. ‘Wij zijn erg blij u te zien. Een paar span terug probeerden bandieten ons te beroven, maar als door een wonder verscheen er een stofstorm. We ontsnapten nau...’
‘Bent u een koopmansvrouw? We hebben al een hele tijd maar weinig kooplieden uit Tarabon gezien.’ De stem van de man was even streng als zijn gezicht, alle vreugde leek eruit te zijn gebrand al voor dat hij uit de wieg gekropen was. In zijn donkere, diepliggende ogen lag achterdocht. Nynaeve twijfelde er niet aan of die blik was er ook altijd al geweest. ‘Op weg naar waar, met wat?’
‘Ik vervoer kleurstoffen, kapitein.’ Ze werkte hard om haar glimlach onder die standvastige, starende ogen vast te houden. Het was een opluchting toen hij zijn blik even naar de anderen verlegde. Thom deed zijn best om op een verveelde voerman te lijken, die betaald werd om waar dan ook heen te rijden, en Juilin leek met die dwaze hoed, die hij vroeger snel zou hebben afgezet, op iemand die nergens belangstelling voor had, een ingehuurde knecht die niets had te ver bergen. Toen de blik van de Witmantel op Elayne viel, voelde Nynaeve zich verstijven en ze sprak haastig verder: ‘Taraboonse kleur stoffen. De beste in heel de wereld, in Andor kan ik er een goede prijs voor krijgen.’
Op een gebaar van de kapitein – of wat hij ook was – dreef een van de Witmantels zijn paard naar de achterkant van de wagen. Met zijn dolk sneed hij een touw door en rukte een hoek van het zeil los, genoeg om drie of vier vaten bloot te leggen. ‘Ze zijn met “Tanchico” gemerkt. Hier staat “karmijn” op. Wilt u dat ik er een paar open breek?’
Nynaeve hoopte dat de leider haar bezorgde gezichtsuitdrukking op de juiste manier zou uitleggen. Ze voelde zonder te kijken al dat Elayne de soldaat voor zijn gedrag op de vingers wilde tikken, maar iedere echte koopvrouw zou bezorgd zijn dat de kleurstoffen blootge steld werden aan licht en wind. ‘Als u me wilt aanwijzen welke u open wilt maken, kapitein, zal ik graag bereid zijn om het zelf te doen.’ De man reageerde niet, noch op vleierij, noch op haar aan bod om mee te werken. ‘De vaten zijn verzegeld om stof en water te weren, ziet u. Als dat zegel wordt verbroken, kan ik het hier op de ze plek nooit opnieuw met lak afdekken.’
De rest van de stoet bereikte hen en reed in een wolk van stof langs hen heen; de voerlieden waren heel gewone, grof geklede mannen, maar de krijgslieden reden kaarsrecht; hun lange, stalen lansen stonden allemaal in dezelfde hoek. Zelfs met hun bezwete en bestofte gezichten zagen ze eruit als harde mannen. Alleen de voerlieden keken even naar Nynaeve en de anderen.
De leider sloeg met een gepantserde handschoen wat stof voor zijn gezicht weg en gebaarde de man van de wagen weg te gaan. Zijn ogen lieten Nynaeve geen moment los. ‘U komt uit Tanchico?’ Nynaeve knikte, een toonbeeld van medewerking en openheid. ‘Ja, kapitein. Tanchico.’
‘Wat voor nieuws hebt u van de stad? Er gaan zoveel geruchten.’
‘Geruchten, kapitein? Toen we vertrokken, was er nog maar weinig orde. De stad zit vol vluchtelingen en de omgeving vol opstandelingen en boeven. Er is nog maar nauwelijks handel.’ Dat was de waarheid, helder en eenvoudig. ‘Dat is de reden waarom Taraboonse kleurstoffen zulke goede prijzen zullen opbrengen. Ik geloof dat ze lange tijd niet meer beschikbaar zullen zijn.’
‘Vluchtelingen, handel of kleurstoffen kunnen me niet schelen, koop vrouw,’ zei de krijgsheer op vlakke toon. ‘Zat Andric nog steeds op de troon?’
‘Ja, kapitein.’ Het was duidelijk dat Tarabon volgens de geruchten was ingenomen en dat iemand de koning had vervangen, en miscchien had iemand dat ook wel. Maar wie? Een van de opstandige heren die elkaar al even hardnekkig bevochten als Andric, of de vol gelingen van de Herrezen Draak, zo toegewijd zonder hem ooit gezien te hebben? ‘Andric was bij ons vertrek nog steeds koning en Amathera nog steeds de panarch.’
Zijn ogen zeiden haar dat ze kon liegen. ‘Men zegt dat de heksen van Tar Valon erbij betrokken waren. Hebt u Aes Sedai gezien of er over gehoord?’
‘Nee, kapitein,’ zei ze haastig. De ring van het Grote Serpent leek op haar huid te branden. Vijftig Witmantels, zo dichtbij. Deze keer zou een stofstorm niet helpen, en bovendien was ze – hoewel ze het pro beerde te ontkennen – meer bang dan boos. ‘Gewone kooplieden houden zich niet met dat soort op.’ Hij knikte, en ze waagde het een vraag te stellen. Zolang het maar over iets anders zou gaan. ‘Als het u behaagt, kapitein, zijn we Amadicia al binnengereden?’
‘De grens ligt vijf span verder naar het oosten,’ verkondigde hij. ‘Tot op heden. Het eerste dorp dat u tegenkomt, is Mardecin. Gehoorzaam de wet en het zal u goed gaan. Er is daar een garnizoen Kin deren.’ Het klonk alsof het garnizoen er al zijn tijd in zou steken om hen de wet te laten nakomen.
‘Bent u hier gekomen om de grens te verleggen?’ vroeg Elayne plot seling koel. Nynaeve kon haar wel wurgen.
De diepe, achterdochtige ogen gleden naar Elayne en Nynaeve zei haastig: ‘Vergeef haar, kapitein. De dochter van mijn oudste zuster. Ze gelooft dat ze als een vrouwe geboren had moeten worden, en bovendien kan ze niet van de jongens afblijven. Daarom heeft haar moeder haar naar mij gestuurd.’ Elaynes verontwaardigde zucht was volmaakt, en waarschijnlijk ook echt gemeend. Nynaeve bedacht dat ze dat van die jongens niet had hoeven toe te voegen, maar het scheen erbij te passen.
De Witmantel staarde hen nog even aan en zei toen: ‘De kapitein heer-gebieder stuurt voedsel naar Tarabon. Anders zouden we dat Taraboonse gespuis over de grens krijgen en die stelen alles wat ze in hun mond kunnen stoppen.’ Tot slot zei hij: ‘Ga in het Licht,’ wendde zijn paard en galoppeerde terug naar de kop van de stoet.
Het was noch een aanbeveling noch een zegen. Zodra de soldaat weg was, zette Thom de wagen in beweging. Ie dereen was stil, op wat gekuch na, totdat ze veilig de laatste soldaat en het stof van de wagens achter zich hadden gelaten. Nynaeve dronk wat om haar keel te bevochtigen en duwde de waterzak in Elaynes handen. ‘Wat had dat te betekenen?’ vroeg ze. ‘We zijn niet in jouw moeders troonzaal! Trouwens, je moeder zou dit ook niet pikken.’