Выбрать главу

Elayne leegde de rest van de waterzak voor ze zich verwaardigde te antwoorden. ‘Je kroop, Nynaeve.’ Ze liet haar stem spottend en jankend de hoogte in gaan. ‘Ik ben erg braaf en gehoorzaam, kapitein. Mag ik uw laarzen kussen, kapitein?’

‘We worden verondersteld kooplieden te zijn, geen vermomde koninginnen!’

‘Kooplieden hoeven niet kruiperig te doen! Je hebt geluk dat hij niet dacht dat we met onze onderdanigheid iets probeerden te verbergen.’

‘Ze kijken ook niet neer op vijftig Witmantels met lansen! Of denk je dat we ze hadden kunnen overmeesteren met de Kracht, als het er op aan zou zijn gekomen?’

‘Waarom zei je dat ik niet van jongens kon afblijven? Dat was niet nodig, Nynaeve!’

‘Ik was bereid alles te zeggen waardoor hij weg zou gaan en ons met rust zou laten. En jij...!’

‘Hou allebei op!’ blafte Thom opeens, ‘voordat ze terugkomen om te zien wie van jullie de ander om zeep helpt!’ Nynaeve draaide zich zowaar om op de bok om te kijken, voordat ze besefte dat de Witmantels te ver weg waren om iets te kunnen horen, zelfs al hadden ze geschreeuwd. Nou, misschien hadden ze ook geschreeuwd. Het hielp niet dat Elayne hetzelfde deed. Nynaeve greep haar vlecht stevig vast en staarde Thom woest aan, maar Elayne vleide zich tegen zijn arm en lispelde zowat: ‘Je hebt gelijk, Thom. Het spijt me dat ik mijn stem verhief.’ Juilin bekeek hen heimelijk van opzij, maar was zo verstandig om niet dichterbij te komen en erbij betrokken te raken.

Nynaeve liet haar vlecht los voor ze die met wortel en al uittrok, schoof haar hoed recht en staarde over de paarden heen. Ze wist niet wat er in het meisje was gevaren, maar het was hoog tijd het uit haar te drijven.

Slechts een hoge stenen zuil aan beide kanten van de weg gaf de grens tussen Tarabon en Amadicia aan. Buiten henzelf was er geen verkeer op de weg. De heuvels werden geleidelijk aan wat hoger, maar voor de rest bleef het landschap bijna hetzelfde: bruin gras en bomen met weinig groen, behalve van dennen en lederbladbomen. De hellingen en dalen waren met stenen muurtjes opgedeeld in akkers. De bak stenen boerderijen met rieten daken leken verlaten. Er kringelde geen rook uit de schoorstenen, er waren geen boeren die de gewassen bewerkten, geen schapen of koeien. Soms zag ze naast de weg enkele kippen in de aarde van een boerenerf pikken, maar bij het naderen van de wagen fladderden ze weg. Ze waren overduidelijk verwilderd. Een garnizoen Witmantels of niet, klaarblijkelijk was niemand zo dicht bij de grens bereid het gevaar van Taraboonse struikrovers te trotseren.

Toen ze vanaf de top van een heuvel Mardecin zagen liggen, moest de zon nog een lange klim naar haar hoogste punt maken. Mardecin was net wat groter dan een dorp, bijna een span in doorsnede. De stad lag aan weerszijden van een kleine, overbrugde stroom tussen twee heuvels, met evenveel leisteendaken als rieten daken. In de straten was het behoorlijk druk.

‘We moeten voorraad inslaan,’ zei Nynaeve, ‘maar snel. We kunnen nog een behoorlijke afstand afleggen voor de duisternis valt.’

‘We putten onszelf uit, Nynaeve,’ zei Thom. ‘Van de dageraad tot de avondschemer, elke dag, al bijna een maandlang. Eén dag rust maakt weinig verschil, we bereiken Tar Valon toch wel.’ Hij klonk niet ver moeid. Hij wilde waarschijnlijk in een herberg harp of fluit spelen en de mensen zover krijgen dat ze hem wat te drinken aanboden. Juilin reed eindelijk vlak naast de wagen en voegde eraan toe: ik kan wel een dagje gebruiken om weer gewoon op de grond te staan. Ik weet niet wat erger is, dit zadel of de bok van de wagen.’

‘Ik denk dat we een herberg moeten opzoeken,’ zei Elayne. Ze keek op naar Thom. ‘Ik heb mijn bekomst van slapen onder de wagen, en ik zou graag willen horen hoe je verhalen vertelt in de gelagkamer.’

‘Kooplieden met één wagen staan niet veel hoger op de ladder dan marskramers,’ zei Nynaeve scherp. ‘Ze kunnen zich in een stadje als dit geen herberg veroorloven.’

Ze wist niet of dat waar was, maar ondanks haar eigen verlangen naar een bad en schone lakens, wilde ze niet dat Elayne Thom zou ompraten. Ze had het amper gezegd of ze besefte dat ze al aan Thom en Juilin had toegegeven. Een dagje kan geen kwaad. Het is nog een lange weg naar Tar Valon. Ze wenste dat ze had aangedrongen de reis per schip te maken. Met een snel schip van het Zeevolk zouden ze in Tyr zijn aangekomen in een derde van de tijd die het hen had gekost om Tarabon te door kruisen, tenminste, met goede wind. En dat zou geen probleem zijn geweest met een kundige windvindster van de Atha’an Miere; zij en Elayne zouden het zelf kunnen. De Tyreners wisten dat zij en Elayne vrienden van Rhand waren en ze verwachtte dat zij nog steeds emmers vol zweetten uit angst de Herrezen Draak te beledigen. En dus zouden de Tyreners voor een rijtuig en voor begeleiding tot aan Tar Valon hebben gezorgd.

‘Zoek een plek waar we ons kamp kunnen opslaan,’ zei ze met te genzin. Ze had moeten vasthouden aan een schip. Ze hadden al in de Toren terug kunnen zijn.

9

Een teken

Nynaeve moest toegeven dat Thom en Juilin een goede overnach tingsplek hadden gekozen, op nog geen span afstand van Mardecin, in een kleine bomengroep op een oostelijke helling die bezaaid was met dode bladeren. Wat verspreide bittergombomen en een soort kleine wilgen met omlaag hangende takken hielden de wagen uit het zicht van de weg en het stadje. Uit een steenlaagje bij de top van de heuvel liep een waterstroompje van twee voet breed omlaag door een geul van opgedroogde modder, die twee keer zo breed was. Genoeg water voor wat ze nodig hadden. Onder de bomen was het zelfs iets koeler, met een licht, zeer welkom briesje.

Toen de twee mannen het span paarden had laten drinken en op de helling gekluisterd hadden, waar ze wat spaarzaam gras konden grazen, wierpen ze een munt op om te beslissen wie er met de magere ruin naar Mardecin zou gaan om het nodige te kopen. Dat was gaan deweg een vaste gewoonte geworden. Thom, met zijn lenige goochelvingers, verloor nooit, dus nu gooide Juilin de munt altijd op. Thom won toch, en terwijl hij Pruiler van zijn zadel ontdeed, stak Nynaeve haar hoofd onder de bok en stak met haar mes een plank omhoog. Naast de twee kleine, vergulde kistjes waarin Amathera’s juwelen zaten, lagen er in de nis een paar leren beurzen vol munten. De panarch had hen zo graag zien vertrekken dat ze zeer gul was geweest. De andere zaken leken daarbij vergeleken maar armoedig: een kleine, gladde, donkere houten doos, heel gewoon en onversierd, en een platte, vetleren buidel die de omtrekken van een rond voorwerp aangaf. De doos bevatte de twee ter’angrealen die ze op de Zwarte Ajah veroverd hadden, en die allebei met dromen te maken hadden, en de buidel... Dat was in Tanchico hun grote slag geweest. In de buidel zat een van de zegels van de kerker van de Duistere. Hoe graag ze ook wilde horen waar Siuan Sanche hen nu weer heen zou sturen om de Zwarte Ajah na te jagen, de zegel was de reden van haar haast om Tar Valon te bereiken. Ze pakte wat munten uit een dikke beurs, maar vermeed het om de platte buidel aan te raken. Hoe langer die in haar bezit was, des te eerder ze hem aan de Amyrlin wilde overhandigen om ervan af te zijn. Soms, als ze dicht bij het voorwerp was, dacht ze dat ze kon voelen hoe de Duistere probeer de uit te breken.

Ze liet Thom gaan met een zak vol zilver en een strenge vermaning om wat fruit en groenten te vinden. Als ieder van de twee mannen zijn eigen gang ging, werd er waarschijnlijk niets anders gekocht dan vlees en bonen. Terwijl hij het paard naar de weg leidde, deed Thoms manke loop haar mond vertrekken tot een grimas; een oude wond, waar nu niets meer aan te doen was, had Moiraine gezegd. Dat stak haar minstens net zo als het hinken zelf. Niets aan te doen. Ze had Tweewater verlaten om de jonge mensen van haar dorp te beschermen, die ’s nachts door een Aes Sedai waren meegelokt. Ze was naar de Toren gegaan, hopend dat ze hun nog wat bescherming kon geven, en ook verlangend om Moiraine ten val te brengen voor wat zij had aangericht. Sindsdien was de wereld veranderd. Of miscchien zag zij de wereld op een andere manier. Nee, ik ben niet ver anderd. Ik ben dezelfde; het is al het andere dat anders is. Nu kon ze alleen zichzelf nog beschermen. Rhand was wat hij was, er was geen terugkeer mogelijk, en Egwene zocht gretig haar eigen weg en liet zich door niets of niemand in de weg staan, al leidde de weg het ravijn in, en Mart had geleerd om nergens anders aan te denken dan aan vrouwen, slempen en gokken. Tot haar afgrijzen merk te ze dat ze soms begrip voor Moiraine kon opbrengen. Perijn was tenminste naar huis gegaan. Dat had ze althans van Egwene gehoord, die dat weer van Rhand had; misschien was Perijn veilig. De jacht op de Zwarte Ajah was goed en juist en bevredigend – en ook angstwekkend, hoewel ze dat laatste probeerde te verbergen. Ze was een volwassen vrouw, geen meisje dat achter haar moeders schorten wilde schuilen. Maar dat was niet de belangrijkste reden waar om ze bereid was om met haar hoofd tegen de muur te blijven slaan en steeds opnieuw te proberen om de Kracht te leren gebruiken, ter wijl ze meestal niet meer kon geleiden dan Thom. Die reden was het Talent dat Heling werd genoemd. Als de Wijsheid van Emondsveld had het haar voldoening gegeven om de vrouwenkring te overtuigen van haar ideeën, vooral omdat de meesten oud genoeg waren om haar moeder te kunnen zijn. Slechts een paar jaar ouder dan Egwene was ze de jongste Wijsheid die er ooit in Emondsveld was geweest. Het gaf nog meer voldoening erop toe te zien dat de dorpsraad deed wat die moest doen, hoe koppig mannen ook waren. Maar het bevredigendste was het vinden van de juiste kruiden om een ziekte te genezen. En om met de Ene Kracht te helen... Ze had het gedaan, al tastend, en ze genas dat wat haar andere vaardigheden nooit zouden kunnen. De vreugde daarover was zo groot dat ze wel kon huilen. Op een dag zou ze vast en zeker Thom helen en zien hoe hij zou dansen. Op een dag zou ze zelfs de wond in Rhands zijde helen. Er was niets dat niet geheeld kon worden, als de vrouw die de Kracht gebruikte maar vastbesloten was.