‘Ik hoop van niet,’ zei Elayne eenvoudig.
‘Geef je me nog een kans om me te wassen?’ vroeg Nynaeve geprikkeld. Het was allemaal goed en wel om het meisje op haar gemak te stellen, maar ze kon best buiten dat vele gepraat over Moghedien. De Verzaker moest ergens ver weg zijn; ze zou hen niet vreedzaam verder laten rijden als ze wist waar ze waren. Het Lichte geve dat dat waar is!
Elayne leegde en vulde de emmer zelf. Gewoonlijk was ze een aardige meid, als ze besefte dat ze niet in het koninklijk paleis van Caemlin was en zich niet als een dwaas gedroeg. Daar zou Nynaeve voor zorgen, als Thom terug was.
Nynaeve genoot toen ze haar handen en gezicht langzaam waste met het verkoelende water. Daarna maakte ze het kamp gereed en liet Juilin dorre takken voor een vuur zoeken. Tegen de tijd dat Thom terugkwam met twee grote manden die opzij van de flanken van het paard bungelden, lagen haar en Elaynes dekens onder de wagen en die van de mannen onder de hangende takken van een twintig voet hoge wilg, was er een flinke stapel brandhout, stond de theeketel naast de as van een vuur in een van bladeren ontdaan plekje af te koelen en waren de dikke aardewerken kommen schoon. Juilin mom pelde in zichzelf toen hij met het water van het stroompje de tonnen vulde. Afgaand op de flarden die Nynaeve opving, mocht ze blij zijn dat het meeste een onhoorbaar gebrom bleef. Elayne probeerde amper te verbergen dat ze erachter wilde komen wat hij zei. Zij en Nynaeve hadden achter de wagen schone jurken aangetrokken, waar bij ze toevallig van kleur wisselden.
Nadat Thom de voorbenen van de ruin had gekluisterd, liet hij de zware manden op de grond zakken en begon ze uit te pakken. ‘Mar decin is niet zo welvarend als het op afstand lijkt.’ Hij zette een zak met kleine appels op de grond, en nog eentje met wat donkergroene, bladachtige groenten. ‘Zonder de handel met Tarabon kwijnt de stad weg.’ De rest van de zakken leek allemaal gevuld met gedroogde bonen en knolrapen, gekruid vlees en gezouten hammen. En er verscheen een grijze aardewerken pot, afgesloten met lak, waarin volgens Nynaeve zeker brandewijn zat; beide mannen hadden geklaagd dat ze ’s avonds tijdens het roken van hun pijpen iets misten. ‘Je kunt nog geen zes stappen doen zonder een paar Witmantels tegen te komen. Het garnizoen bestaat uit zo’n man of vijftig. Ze zijn gelegerd in barakken aan de andere kant van de heuvel over de brug. Het kamp was aanzienlijk groter, maar blijkbaar haalt Pedron Nial van overal Witmantels naar Amador terug.’ Hij wreef over zijn lange snorpunten en zat even te peinzen. ‘Ik begrijp niet wat hij van plan is.’ Thom hield daar niet van; gewoonlijk had hij aan een paar uur voldoende om de onderstromen tussen de edelen en de koopmans huizen uit te vissen, de verbintenissen, de plannetjes en listen die te zamen het zogenaamde Spel der Huizen werden genoemd. ‘De geruchten zeggen allemaal dat Nial probeert een oorlog tussen Illian en Altara te beëindigen, of misschien tussen Illian en Morland. Maar er is eigenlijk geen reden om soldaten op te trommelen. Ik vertel je echter één ding: wat die Witmantel ook zei, het voedsel dat naar Tarabon gestuurd wordt, is door de koning gekocht met belasting geld, en de mensen zijn daar niet gelukkig mee. Hun geld, om Taraboners te eten te geven.’
‘Wat koning Ailron en de kapiteinheer-gebieder doen, gaat ons niet aan,’ zei Nynaeve, en ze bekeek wat hij had meegebracht. Drie gezouten hammen. ‘We zullen zo snel en onopvallend mogelijk door Amadicia trekken. Misschien hebben Elayne en ik meer geluk bij het zoeken naar groenten. Zin in een wandelingetje, Elayne?’ Elayne kwam onmiddellijk overeind, streek haar grijze rok glad en greep haar hoed van de wagen. ‘Dat zal lekker zijn, na die wagen bok. Het zou anders zijn als Thom en Juilin me wat vaker op Pruiler lieten rijden.’ Ditmaal lonkte ze eens niet naar de speelman en dat was zeker iets.
Thom en Juilin wisselden een blik uit en de Tyreense dievenvanger haalde een munt uit zijn zak, maar Nynaeve gaf hem de kans niet die op te gooien. ‘Met z’n tweeën zijn we veilig. We kunnen nauwelijks problemen verwachten met zoveel Witmantels in de buurt om de orde te bewaren.’ Ze plantte haar hoed op haar hoofd, bond de sjaal onder haar kin vast en keek hen streng aan. ‘Bovendien moeten al die dingen die Thom gekocht heeft, worden opgeborgen.’ Beide mannen knikten, langzaam en met tegenzin, maar ze knikten. Soms namen ze hun rol van veronderstelde beschermers veel te ernstig op.
Nynaeve en Elayne liepen naar de verlaten weg en wandelden langs de rand, op het schrale gras, om geen stof op te jagen. Nynaeve wil de eerst alles op een rijtje zetten voordat ze wat zei. Voor ze echter haar mond kon opendoen, begon Elayne: ‘Je wilt me dus alleen spreken, Nynaeve. Gaat het over Moghedien?’
Nynaeve knipperde met de ogen en keek haar van opzij aan. Ze moest goed onthouden dat Elayne geen dwaas was. Ze had zich alleen als zodanig voorgedaan. Nynaeve besloot niet aan haar luimen toe te geven; het zou al moeilijk genoeg zijn het niet op een schreeuwpar tij te laten uitlopen. ‘Dat niet, Elayne.’ Het meisje dacht dat ze Moghedien aan hun jachtpartij moesten toevoegen; ze leek het verschil tussen een Verzaker en, zeg maar, Liandrin of Chesmal niet te beseffen. ‘Ik vind dat we moeten praten over hoe jij je tegenover Thom gedraagt.’
‘Ik weet niet waar je het over hebt,’ zei Elayne, en staarde voor zich uit, naar de stad, maar de plotselinge rode blosjes verrieden de leugen.
‘Niet alleen is hij oud genoeg om je grootvader te zijn, maar...’
‘Hij is mijn vader niet,’ beet Elayne haar toe. ‘Mijn vader was Taringael Damodred, prins van Cairhien en Eerste Prins van het Zwaard van Andor.’ Ze richtte onnodig haar hoofd op en ging iets minder luid door: ‘Het spijt me, Nynaeve. Ik wilde niet schreeuwen.’
Kalm, dacht Nynaeve. ‘Ik dacht dat je verliefd was op Rhand,’ zei ze, en liet haar stem mild klinken. Dat was niet gemakkelijk. ‘De boodschappen die je me aan Egwene liet geven, zeiden dat zeker. Ik vermoed dat je haar hetzelfde vertelt.’
De kleur op Elaynes gezicht werd dieper, ik houd van hem, maar... Hij is zo ver weg, Nynaeve. In de Woestenij, omgeven door duizend Speervrouwen die opspringen om zijn zin te doen. Ik kan hem niet zien, niet met hem spreken, hem niet aanraken.’ Ze fluisterde nu. ‘Je denkt toch zeker niet dat hij naar een Speervrouwe kijkt,’ zei Nynaeve ongelovig. ‘Het is een man, maar zo wispelturig is hij niet, en bovendien: zo’n Speervrouwe rijgt hem aan haar speer als hij naar haar zou loeren, zelfs al is hij de Dageraad, of wat dan ook. En Egwene zegt dat Aviendha een oogje voor jou in het zeil houdt.’
‘Dat weet ik, maar... ik had ervoor moeten zorgen dat hij weet dat ik van hem houd.’ Elaynes stem klonk ferm. En bezorgd, ik had hem dat moeten zeggen.’
Vóór Lan had Nynaeve nauwelijks naar een man gekeken, niet echt tenminste, maar als Wijsheid had ze veel gezien en geleerd. Ze wist nu dat een liefdesverklaring de beste manier was om een man zo hard mogelijk weg te laten rennen, tenzij hij het als eerste zei. ‘Ik geloof dat Min een visioen had,’ ging Elayne door. ‘Over mij en over Rhand. Ze maakte altijd grappen over dat ze hem moest delen, maar ik geloof niet dat dit een grapje was, en ze bracht het niet op om te zeggen wat het echt was.’