Выбрать главу

Opnieuw liep de zandloper leeg terwijl Lusi er niet was. Langzaam, zo langzaam, kwam ze weer op het punt dat ze haar hand op kon tillen. En zelfs haar hoofd! Ook al viel het meteen weer terug. Ze kon Nynaeve in zichzelf horen mompelen en kon zowaar de meeste woorden onderscheiden.

De deur vloog weer open. Elayne tilde haar hoofd op, keek wanhopig naar... haar mond viel open. Daar stond Thom Merrilin, als een held in een van zijn eigen verhalen. Een hand lag stevig om de nek van een bijna flauwvallende Lusi en de ander hield een mes gereed om te werpen. Elayne lachte verrukt, hoewel het meer klonk als kwaken.

Ruw schoof hij het meisje in een hoek. ‘Daar blijf je of ik scherp dit mes op je vel.’ In twee stappen stond hij naast Elayne. Hij streek haar haren weg en op zijn getaande gezicht tekende zich bezorgdheid af. ‘Wat heb je hun gegeven, meisje? Zeg het me, of...’

‘Zij niet,’ mompelde Nynaeve. ‘Een ander. Ging weg. Help me overeind. Moet lopen.’

Thom ging met tegenzin van haar zijde weg, dacht Elayne. Hij liet dreigend zijn mes aan Lusi zien – ze kromp ineen alsof ze nooit meer een beweging wilde maken – en liet het toen in een oogwenk in zijn mouw verdwijnen. Hij trok Nynaeve overeind en begon met haar de paar passen die de kamer toestond, heen en weer te lopen. Ze zakte slap tegen hem aan en schuifelde verder.

‘Ik ben blij dat het niet dit bange katje is dat jullie te pakken heeft genomen,’ zei hij. ‘Als zij het was geweest...’ Hij schudde zijn hoofd. Hij zou ongetwijfeld ook geen hoge pet van hen op hebben als Nynaeve hem de waarheid vertelde. Elayne was het in ieder geval niet van plan. ‘Ik snapte haar toen ze de trap op rende. Ze was zo bang dat ze me niet eens hoorde aankomen. Het spijt me dat Juilin die ander niet heeft gezien, zodat ze weg kon komen. Haalt ze er anderen bij?’

Elayne rolde op haar zij. ‘Ik denk het niet, Thom,’ mompelde ze. ‘Ze kan niet... te veel mensen... het van haar laten weten.’ Nog even en ze kon misschien rechtop zitten. Ze keek naar Lusi; het meisje kromp weer ineen en probeerde door de muur heen te dringen. ‘De Wit mantels... zouden haar even... snel oppakken als ons.’

‘Juilin?’ zei Nynaeve. Haar hoofd wiebelde toen ze kwaad naar de speelman opkeek. Maar met spreken had ze geen moeite meer. ‘Ik heb jullie tweeën gezegd bij de wagen te blijven.’ Thom blies de uiteinden van zijn snor geprikkeld omhoog. ‘Je vroeg ons de voorraden op te bergen, en daar heb je geen twee man voor nodig. Juilin ging jullie achterna, en toen er niemand terugkwam, ging ik achter hem aan.’ Hij snoof opnieuw. ‘Voor zover hij wist, hadden hier wel tien man kunnen zitten, maar hij was bereid om in z’n eentje naar binnen te gaan. Hij zet Pruiler nu vast op de binnen plaats. Het was goed dat ik eraan dacht om te paard te gaan. Ik geloof dat we het paard wel nodig hebben om jullie twee hier weg te krijgen.’

Elayne merkte dat ze moeizaam kon gaan zitten. Hand over hand trok ze zich aan de sprei op, maar tijdens een poging om te staan tuimelde ze weer om. Saidar bleef onbereikbaar; haar hoofd voelde nog steeds aan als een kussen vol ganzenveren. Nynaeve kon wat beter rechtop staan, kon haar voeten optillen, maar ze bleef zich aan Thom vastklampen.

Even later verscheen Juilin, die vrouw Macura met zijn mes voor zich uit dreef. ‘Ze kwam door een achterpoortje binnen. Dacht dat ik een dief was. Het leek me het beste om haar maar naar binnen te brengen.’

Toen de naaister hen zag, werd haar gezicht zo bleek dat haar ogen donkerder leken en uit haar hoofd dreigden te rollen. Ze likte haar lippen, streek voortdurend over haar rok en wierp snelle blikken op Juilins mes, alsof ze zich afvroeg of ze niet veel beter weg kon hollen. Maar ze staarde vooral naar Elayne en Nynaeve; Elayne vroeg zich af wat ze het eerst zou doen: in tranen uitbarsten of flauwvallen. ‘Laat haar daar staan,’ zei Nynaeve, en ze knikte naar de hoek waar Lusi nog steeds huiverend met haar armen om de knieën zat geslagen. ‘Help Elayne. Ik heb nog nooit van dolkwortel gehoord, maar de gevolgen lijken minder te worden als je loopt. Je kunt de meeste dingen eruit lopen.’

Juilin wees met zijn mes naar de hoek; vrouw Macura schuifelde er naar toe en ging naast Lusi zitten. Ze maakte nog steeds angstig haar lippen nat. ‘Ik... zou... wat ik deed... zelf niet hebben gedaan. Ik had alleen maar de opdracht. U moet dat begrijpen. Ik had alleen maar een opdracht.’

Juilin hielp Elayne voorzichtig overeind en ondersteunde haar om de paar passen te kunnen lopen waar nog ruimte voor was, waar bij ze steeds het pad van de andere twee moesten kruisen. Ze had liever Thom gehad. Juilins arm om haar middel was veel te gemeenzaam.

‘Opdracht van wie?’ blafte Nynaeve. ‘Wie in de Toren krijgt jouw verslag?’

De naaister zag er ziek uit, maar sloot vastberaden haar mond. ‘Als je niet praat,’ zei Nynaeve nijdig, ‘geef ik je aan Juilin. Hij is een Tyreense dievenvanger. Hij weet hoe hij een bekentenis los kan krijgen. Even snel als elke Ondervrager van de Witmantels. Nietwaar, Juilin?’

‘Wat touw om haar vast te binden,’ zei hij en grinnikte zo gemeen dat Elayne bijna van hem weg wilde lopen, ‘een paar vodden om haar te knevelen tot ze bereid is om te praten, wat bakolie en zout...’ Zijn gegrinnik deed Elaynes bloed stollen. ‘Ze praat wel.’ Vrouw Macura zat onbeweeglijk tegen de muur en staarde hem aan met ogen die onmogelijk groter konden worden. Lusi keek naar hem alsof hij zojuist veranderd was in een Trollok van acht voet hoog, met hoorns en al.

‘Goed,’ zei Nynaeve na een moment. ‘Je kunt alles wat je nodig hebt in de keuken vinden, Juilin.’ Elayne keek verrast van haar naar Juilin en terug. Ze waren toch niet van plan om... Nynaeve toch zeker niet?

‘Narenwin Barda,’ bracht de naaister plotseling uit. En daarna bui telde het ene woord over het andere heen. ‘Ik stuur mijn verslagen naar Narenwin Barda via een herberg in Tar Valon, de Opwaartse Stroom. Avi Shendar houdt duiven voor me, aan de rand van de stad. Hij weet niet naar wie ik berichten stuur of van wie ik ze krijg. Zijn vrouw heeft de vallende ziekte, en...’ Haar stem stierf weg en terwijl ze naar Juilin keek, rilde ze.

Elayne kende Narenwin, of had haar tenminste in de Toren gezien. Een kleine, magere vrouw die je meteen vergat omdat ze zo stil was. En ook aardig; een keer per week liet ze kinderen hun zieke huis dieren naar een plek bij de Toren brengen, zodat ze die kon helen. Nauwelijks het soort vrouw dat bij de Zwarte Ajah zou horen. Aan de andere kant was Marillin Gemalfin ook lid van de Zwarte Ajah; zij hield van katten en deed al het mogelijke om voor zwerfkatten te zorgen.

‘Narenwin Barda,’ zei Nynaeve grimmig, ik wil meer namen, van binnen of van buiten de Toren.’

‘Ik... ik heb geen andere,’ zei vrouw Macura zwakjes.

‘Dat zullen we nog wel zien. Hoelang ben je al een Duistervriend? Hoelang heb je de Zwarte Ajah gediend?’

Lusi slaakte een verontwaardigd gilletje. ‘We zijn geen Duistervrienden!’ Ze keek even naar vrouw Macura en schoof toen van haar weg. ‘Ik niet, tenminste! Ik wandel in het Licht! Dat doe ik!’ De ander reageerde niet minder sterk. Haar eerder uitpuilende ogen leken nu uit hun kassen te rollen. ‘De Zwarte... U bedoelt dat ze echt bestaan? Maar de Toren heeft altijd ontkend... Ik heb het aan Narenwin gevraagd op de dag dat ze me uitkoos als oog-en-oor van de Gelen, en pas de volgende ochtend was ik uitgehuild en kon ik uit mijn bed kruipen. Ik ben... geen... Duistervriend! Nooit! Ik dien de Gele Ajah! De Gele!’