Elayne, die nog steeds aan Juilins arm hing, wisselde verbaasde blikken met Nynaeve. Natuurlijk zou elke Duistervriend het ontkennen, maar aan hun stemmen te horen leken ze de waarheid te spreken. De boosheid over deze beschuldiging onderdrukte bijna hun vrees. De manier waarop Nynaeve aarzelde, gaf aan dat zij dezelfde mening was toegedaan.
‘Als je de Gele dient,’ zei ze langzaam, ‘waarom heb je ons dan bedwelmd?’
‘Vanwege haar,’ zei de naaister, en ze knikte naar Elayne. ‘Ik kreeg een maand geleden een beschrijving van haar, waarin zelfs stond hoe ze haar kin soms houdt als ze je aankijkt. Narenwin zei dat ze misschien de naam Elayne zou gebruiken, en ook zou beweren uit een groot Huis te stammen.’ Met elk woord leek haar boosheid over dat ze een Duistervriend genoemd was te groeien. ‘Misschien bent u een Gele zuster, maar zij is geen Aes Sedai, alleen maar een weggelopen Aanvaarde. Narenwin zei dat ik haar aanwezigheid moest melden, en die van iedereen die bij haar was. En haar ophouden, als ik dat kon. Of zelfs gevangennemen. Met iedereen die bij haar was. Waar om ze van mij verwachtten dat ik een Aanvaarde zou kunnen pakken, weet ik niet – zelfs Narenwin kent volgens mij mijn dolkwortelthee niet! – maar dat waren mijn opdrachten! Op het gevaar af dat ik eventueel ontmaskerd zou worden. Hier, waar dat mijn dood betekent! Wacht maar af tot de Amyrlin je in handen heeft, meisje. Jullie allemaal!’
‘De Amyrlin!’ riep Elayne uit. ‘Wat heeft zij ermee te maken?’
‘Het was op haar bevel. Op bevel van de Amyrlin Zetel, stond er. Er stond dat de Amyrlin zelf heeft gezegd dat elk middel, op doodmaken na, gebruikt mocht worden. Je zult willen dat je dood was, als de Amyrlin je te pakken krijgt.’ Haar scherpe knik was een en al woedende bevrediging.
‘Bedenk dat we nog in niemands handen zijn,’ zei Nynaeve droog. ‘Jullie zijn in die van ons.’ Maar in haar ogen zag Elayne dat ze net zo geschokt was als zijzelf. ‘Werd er een reden gegeven?’ De herinnering aan het feit dat zij de gevangene was, had de vrouw na haar korte vurige uitbarsting gekalmeerd. Ze zakte lusteloos tegen Lusi aan. De twee Amadiciaansen hielden elkaar overeind. ‘Nee. Soms geeft Narenwin een reden, maar deze keer niet.’
‘Was je van plan om ons hier bedwelmd te houden tot iemand ons kwam ophalen?’
‘Ik zou jullie met een kar weg laten brengen, gekleed in een paar oude kleren.’ In de stem van de vrouw was geen enkel spoor van ver zet meer te horen. ‘Ik heb een duif naar Narenwin gestuurd met de boodschap dat jullie hier zijn en wat ik zou gaan doen. Ik heb een flinke gunst van Therin Lugai tegoed, en ik was van plan om hem voldoende dolkwortel mee te geven voor de reis naar Tar Valon, voor het geval Narenwin geen zusters zou sturen die hem tegemoet zouden komen. Hij gelooft dat jullie ziek zijn en dat die thee het enige is dat jullie in leven houdt tot een Aes Sedai jullie kan helen. Een vrouw moet hier in Amadicia voorzichtig zijn met middeltjes. Genees te veel of te goed, en iemand fluistert “Aes Sedai”, en voor je het weet, brandt je huis af. Of erger. Therin weet dat hij zijn mond moet houden over...’
Nynaeve gebaarde Thom haar dichterbij te brengen zodat ze op de naaister kon neerkijken. ‘En de boodschap? De echte boodschap? Je hing dat teken niet op in de hoop dat je ons naar binnen zou lokken.’
‘Ik heb je de echte boodschap gegeven,’ zei de vrouw vermoeid. ‘Ik dacht niet dat het kwaad kon. Ik begrijp het niet, en ik... alsjeblieft...’ Plotseling zat ze te janken en klemde ze zich even hard aan Lusi vast als de jongere vrouw aan haar. Beiden jammerden: ‘Alsjeblieft! Laat hem het zout niet op mij gebruiken! Alsjeblieft! Niet het zout! O, alsjeblieft!’
‘Bind ze vast,’ zei Nynaeve vol afkeer, ‘en laten we dan naar beneden gaan om te praten.’ Thom hielp haar op de rand van het dichtst bijzijnde bed en sneed toen snel repen van de andere sprei. In korte tijd waren beide vrouwen rug aan rug gebonden en gekneveld, met dé handen van de ene aan de voeten van de ander. Ze snotterden nog steeds toen Thom Nynaeve de kamer uit hielp. Elayne wenste dat ze al even goed kon lopen als Nynaeve, maar ze had nog steeds Juilins steun nodig om niet van de trap te vallen. Ze voelde een steekje van afgunst toen ze zag dat Thom zijn arm om Nynaeve sloeg. Je bent een dwaas, klein meisje, zei Lini’s stem scherp. Ik ben een volwassen vrouw, zei ze met een beslistheid die ze nooit gebruikt zou hebben tegen haar oude verzorgster, ook vandaag niet. Ik houd van Rhand, maar bij is ver weg, en Thom is geraffineerd en verstandig en... Het klonk te veel als een smoes, zelfs voor haarzelf. ‘Juilin,’ vroeg ze aarzelend, ‘wat was je van plan met dat zout en die olie? Geen details,’ voegde ze er haastig aan toe. ‘Alleen maar het idee.’
Hij keek haar even aan. ‘Ik zou het niet weten. Maar dat wisten zij ook niet. Dat is het kunstje: hun eigen gedachten maakten er iets veel ergers van dan ik ooit zou kunnen. Ik heb eens een harde kerel zien breken, nadat ik om een mandje met dadels en een paar muizen had gevraagd. Maar je moet voorzichtig zijn. Er zijn er die van alles gaan bekennen, waar of niet, om te ontsnappen aan wat ze zich inbeel den. Maar ik geloof niet dat deze twee dat deden.’ Dat geloofde zij ook niet. Maar ze kon een huivering niet onder drukken. Wat kon iemand doen met vijgen en muizen? Ze hoopte dat ze het zich nooit meer zou afvragen, voor ze er nachtmerries van kreeg.
Tegen de tijd dat ze in de keuken waren, strompelde Nynaeve op eigen krachten rond en snuffelde in de kast die vol kleurrijke potten stond. De blauwe pot stond nog op tafel, naast de volle, groene thee pot, maar ze probeerde er niet naar te kijken. Ze kon nog steeds niet geleiden. Ze kon saidar putten, maar het glipte weg zodra ze het pro beerde. Ze wist nu echter zeker dat de Kracht zou terugkeren. De andere mogelijkheid was te verschrikkelijk om aan te denken, en dat had ze zichzelf tot dit moment ook niet toegestaan. ‘Thom,’ zei Nynaeve terwijl ze de deksels van verschillende voor raadpotten oplichtte en erin tuurde, ‘Juilin.’ Ze zweeg even, haalde diep adem en zei toen, waarbij ze de twee mannen nog steeds niet aankeek: ‘Dank jullie wel. Ik begin in te zien waarom Aes Sedai zwaardhanden hebben. Heel erg bedankt.’
Niet alle Aes Sedai hadden ze. De Roden beschouwden alle mannen als besmet vanwege de dingen die geleiders konden doen, en een paar anderen gaven er niet om, omdat ze de Toren nimmer verlieten of een gestorven zwaardhand gewoon niet vervingen. De Groene was de enige Ajah die bindingen met meerdere zwaardhanden toestond. Elayne wilde een Groene worden. Niet daarom, natuurlijk, maar omdat de Groenen zich de Ajah van de Krijg noemden. Waar Bruinen naar verloren gegane kennis zochten en Blauwen zich voor een zaak inzetten, hielden de Groenen zich gereed voor de Laatste Slag, wan neer ze net als in de vroegere Trollok-oorlogen op zouden trekken tegen de nieuwe Gruwheren.
De twee mannen staarden elkaar openlijk verbaasd aan. Ze hadden zich voorbereid op Nynaeves gebruikelijke scherpe tong. Elayne was minstens zo verbijsterd. Nynaeve vond geholpen worden net zo erg als ongelijk hebben; in beide gevallen was ze zo prikkelbaar als een doornbos, hoewel ze natuurlijk altijd voorgaf een toonbeeld van redelijkheid en verstand te zijn.
‘Een Wijsheid.’ Nynaeve nam een snufje uit een van de potten en rook eraan, raakte het aan met het puntje van haar tong. ‘Of hoe ze die hier ook noemen.’
‘Ze hebben er hier geen naam voor,’ zei Thom. ‘Weinig vrouwen in Amadicia oefenen jouw oude beroep uit. Te gevaarlijk. Voor de meesten is het iets dat ze ernaast doen.’
Nynaeve trok een leren tas uit de kast en begon van de inhoud van een paar potten pakjes te maken. ‘En waar gaan ze dan naartoe als ze ziek zijn? Een haagheler?’
‘Ja,’ zei Elayne. Het deed haar altijd genoegen Thom te laten zien dat zij ook wel wat van de wereld wist. ‘In Amadicia zijn het de mannen die de kruiden bestuderen.’