Выбрать главу

Avi schoffelde in zijn tuintje en besteedde, zoals gewoonlijk, geen aandacht aan wat Ronde deed. Na haar vertrek waste hij als altijd zijn handen en ging naar binnen. Ze had een groter vel papier onder de strookjes gelegd om het schrijven gemakkelijker te maken. Toen hij dat vel tegen het namiddaglicht hield, kon hij zien wat ze geschreven had. Weldra was er een derde duif onderweg, ook weer in een andere richting.

11

De Negen Paardenwip

Een brede strooien hoed verborg Siuans gezicht toen ze in de late na middagzon Logain liet voorgaan onder de Shilenepoort van Lugard. De hoge buitenmuren van de stad waren ietwat vervallen; ze zag dat de muur op twee plaatsen door de afgebrokkelde stenen niet hoger was dan een hoge schutting. Min en Leane reden dicht achter haar. Ze waren allebei moe van het tempo dat de man sinds Korense Bronnen had ingezet. Hij wilde de leiding hebben, en er was niet veel voor nodig om hem te doen geloven dat hij die ook had. Het maakte haar niet uit dat hij zei wanneer ze ’s ochtends moesten vertrekken, waar en wanneer ze zouden stoppen voor de nacht, en dat hij het geld bij zich hield. Het kon haar zelfs niets schelen dat hij verwachtte dat zij zijn maaltijden kookten en opdienden. Alles bij elkaar had ze medelijden met hem. Hij had er geen idee van wat ze met hem van plan waren. Een grote vis aan de baak om een nog grotere te vangen, dacht ze grimmig.

In naam was Lugard de hoofdstad van Morland en de zetel van koning Roedran. Maar de heren in Morland spraken hun leenmans trouw uit en weigerden vervolgens schatting te betalen of te doen wat Roedran wilde, en dat gold ook voor de andere mensen. Morland was alleen in naam een natie, met een volk dat slechts bijeen gehouden werd door een vaag idee van verbondenheid met hun koning of koningin – de troon veranderde met soms maar korte tussenpozen van eigenaar – en door de vrees dat Andor of Illian het land misschien zou opslokken als ze op een of andere manier niet bij elkaar bleven.

De stad werd doorkruist door stenen muren, waarvan de meeste in nog slechtere staat verkeerden dan de stadswallen, want Lugard was in de loop van de eeuwen naar willekeur uitgebreid en meerdere malen verdeeld tussen elkaar bestrijdende edelen. Het was een smerige stad, waar veel brede straten ongeplaveid waren en alles stoffig was. Mannen met hoge bolhoeden en vrouwen met schorten en rokken die hun enkels vrijlieten, schoten tussen de voortrollende karavaans van kooplieden door, terwijl kinderen speelden in de diepe karren sporen. De handel hield Lugard overeind, handel met Illian en Ebo Dar, met Geldan in het westen en Andor in het noorden. Overal in de stad, op grote, open plekken, stonden wagens wiel aan wiel, waar van er veel zwaarbeladen waren, met zeilen afgedekt. Sommige stonden leeg op vracht te wachten. Langs de hoofdstraten wisselden rij en herbergen, paardenerven en stallen zich af met huizen of winkels die waren opgetrokken uit grijze steen onder blauwe, rode, paarse of groene dakpannen. De lucht was vol stof en lawaai: gerinkel van smederijen, dof gerommel van karren, gevloek van voerlieden en luid ruchtig gelach vanuit de herbergen. De zon gleed verzengend heet naar de einder, het leek alsof het er nooit meer zou regenen. Toen Logain eindelijk een stalerf op reed en afsteeg achter een her berg met groen dak die De Negen Paardenwip heette, liet Siuan zich dankbaar van Bela glijden. Ze gaf de ruige merrie een onzeker klop je op de neus, voorzichtig vanwege de grote tanden. Zitten op de rug van een dier was volgens haar geen manier van reizen. Een boot voer daarheen waar je het roer naar keerde; een paard kon besluiten om zelf iets te bedenken. Boten beten ook niet. Bela had dat weliswaar nog niet gedaan, maar ze kon het wel. In ieder geval was ze verlost van die verschrikkelijke stijfheid van de eerste dagen, toen ze zeker wist dat Leane en Min achter haar rug om grinnikten wanneer ze zich strompelend te ruste legde. Na een dag in het zadel voelde ze zich nog steeds uitgeput, maar ze slaagde er nu in dat te verbergen. Zodra Logain begon te onderhandelen met de stalbaas, een magere oude kerel met sproeten in een leren vest zonder hemd, gleed Siuan naar Leane toe. ‘Als je je streken wilt oefenen,’ zei ze zacht, ‘probeer ze dan het volgende uur uit op Dalijn.’ Leane keek haar vol twijfel aan – in een paar dorpen na Korense Bronnen had ze wat geprobeerd met blikken en glimlachjes, maar Logain had ze met niet meer dan een vlakke blik beantwoord – en knikte toen zuchtend. Ze haalde diep adem en schreed verder met die opmerkelijke, soepele gang, waarbij ze haar grijze merrie meetrok en al naar Logain begon te glimlachen. Siuan kon niet ontdekken hoe ze dat klaarspeelde; het leek wel of een stel botten bij haar niet langer van been waren. Ze ging bij Min staan en zei op dezelfde zachte toon: ‘Zodra Dalijn klaar is met de stalbaas, vertel je hem dat je binnen bij mij gaat zit ten. Haast je dan en blijf uit de buurt van hem en Amena tot ik te rug ben.’ Aan het geluid te horen dat uit de herberg opklonk, was de menigte binnen groot genoeg om er een heel leger in te verbergen. Beslist groot genoeg om de afwezigheid van één vrouw te dekken.

Min begon weer koppig te kijken en wilde haar mond opendoen om naar de reden te vragen. Siuan was haar voor. ‘Doe het gewoon, Se renla. Of ik laat je behalve zijn bord aanreiken ook nog zijn laarzen schoonmaken.’ De koppige blik bleef, maar Min knikte met tegen zin.

Siuan drukte haar Beia’s teugels in de hand en haastte zich het erf af, de straat in, waarbij ze hoopte dat ze de goede richting insloeg. Ze wilde niet de hele stad doorzoeken, niet in deze stoffige hitte. De straten waren vol met zware wagens achter vier- of zesspannen, soms zelfs tienspannen. Voerlieden lieten lange zwepen knallen en vloekten even vaak naar de paarden als naar de mensen die tussen de wagens door sprongen. In de menigte liepen grof geklede mannen met lange voerliedenj assen, die de langskomende vrouwen soms lachende uitnodigingen toewierpen. De vrouwen, in kleurige schorten, sommige gestreept, en met fel gekleurde omslagdoeken om hun hoofd, liepen schijnbaar doof door zonder op of om te kijken. Vrouwen zonder schort, met loshangend haar en een rok tot vlak onder de knie gaven vaak nog ruwere antwoorden.

Siuan schrok op toen ze besefte dat enkele opmerkingen van de mannen tot haar waren gericht. Ze voelde zich niet beledigd – in haar gedachten sloegen die woorden niet op haar -, maar ze was wel ver baasd. Ze was nog steeds niet gewend aan de veranderingen in zich zelf. Dat mannen haar aantrekkelijk vonden... Haar oog ving haar weerspiegeling op in het smerige raam van een kleermakerswinkel; niet meer dan een vaag beeld van een jong meisje met een lichte huid onder een strooien hoed. Ze was jong. Ze zag er niet alleen jong uit, voor zover ze kon zeggen, maar ze was ook jong. Niet veel ouder dan Min. In feite was ze nog een meisje, gezien haar werkelijke leef tijd. Een voordeel van het gesust zijn, zei ze tegen zichzelf. Ze had vrouwen ontmoet die tegen elke prijs vijftien of twintig jaar jonger wilden worden; sommigen zouden de prijs die het haar had gekost, heel redelijk vinden. Ze merkte dat ze vaak zulke voordelen opsomde, misschien om zichzelf ervan te overtuigen dat er echt voordelen waren. Ze kon, om maar iets te noemen, liegen als dat nodig was, om dat ze bevrijd was van de Drie Geloften. En haar eigen vader zou haar niet eens herkennen. Ze zag er niet helemaal uit als de jonge vrouw van vroeger; de veranderingen van de volwassenheid waren er nog steeds, maar verzacht met jeugdigheid. Objectief bekeken, was ze volgens haar iets aantrekkelijker dan ze als meisje geweest was. Vroeger zei men soms dat ze er aardig uitzag; gewoonlijk zeiden ze dat ze ‘een leuk meisje’ was.

Ze kon dat gezicht niet in verband brengen met zichzelf, met Siuan Sanche. Alleen van binnen was ze dezelfde gebleven; haar geest bevatte nog steeds al haar kennis. Daar, in haar hoofd, was ze niets veranderd.