Выбрать главу

De lange Domani-vrouw lonkte al naar Logain toen ze de herberg in waren gekomen, en ze had met haar wiegende gang en dat smeu lende licht in haar ogen nog meer mannen aangetrokken, alsof ze als vliegen op honing aankwamen. Er was bijna een opstootje ontstaan. Logain en de koopmanswachters hadden de hand al op hun zwaard, en er waren messen getrokken. De stevige herbergier en twee zwaar gespierde kerels waren met knuppels aan komen rennen. Leane had de vlammen even snel geblust als zij ze had ontstoken, met een glimlach hier, een paar woorden daar, een tikje op een wang. Zelfs de herbergier was blijven dralen, grinnikend als een dwaas, voordat het werk hem wegriep. En Leane dacht dat ze moest oefenen. Het leek niet eerlijk. Als ik dat kan doen met één bijzondere man, zou ik meer dan te vreden zijn. Misschien wil ze me wel wat leren... Licht, waar zit ik aan te denken? Ze was altijd zichzelf gebleven, en iedereen moest haar maar nemen zoals ze was, en anders maar niet. En nu dacht ze eraan om te veranderen, omwille van een man. Het was al erg genoeg dat ze zich moest hullen in een jurk in plaats van de jas en de broek die ze altijd gedragen had. Hij zal naar je kijken als je een gewaad met een lage hals aan hebt. Je hebt meer dan Leane kan laten zien, en zij... Hou daarmee op!

‘We moeten naar het zuiden,’ klonk Siuans stem ter hoogte van haar schouder, en Min schrok op. Ze had haar niet zien binnenkomen. ‘Nu.’ Uit de glinstering in Siuans ogen maakte ze op dat ze iets had vernomen. Of ze het nieuws ook wilde delen, was een andere zaak. De vrouw leek meestal te denken dat ze nog steeds de Amyrlin was. ‘We zullen voor het invallen van het donker wel geen andere herberg vinden,’ zei Min. ‘We kunnen vannacht net zo goed hier kamers nemen.’ Het zou heerlijk zijn weer eens in een bed te slapen in plaats van onder heggen en in hooibergen, zelfs al moest ze het bed delen met Siuan en Leane. Logain was wel bereid om voor hen allemaal kamers te huren, maar Siuan was zuinig met haar geld, zelfs als Logain het rondstrooide.

Siuan keek om zich heen, maar wie er in de gelagkamer niet naar Leane staarde, luisterde naar de zangeres. ‘Onmogelijk. Ik... Ik geloof dat een paar Witmantels vragen over mij gaan stellen.’ Min floot zachtjes. ‘Dat zal Dalijn niet prettig vinden.’

‘Vertel het hem dan niet.’ Siuan wees met haar hoofd naar het groep je rond Leane. ‘Zeg Amena maar dat we moeten gaan. Hij komt wel achter haar aan. Laten we hopen dat de rest dat niet doet.’ Min grijnsde. Siuan mocht dan wel verkondigen dat het haar niet kon schelen dat Logain – Dalijn – de leiding genomen had – ze negeerde hem gewoon als ze hem iets wilde laten doen – maar ze was nog steeds vast van plan hem weer onder de duim te krijgen. ‘Wat is een Negen Paardenwip trouwens,’ vroeg ze toen ze overeind kwam. Ze was naar buiten gegaan om een idee te krijgen, maar op het uithangbord boven de deur stond alleen de naam. ‘Ik heb er acht gezien, en tien, maar nooit negen.’

‘In deze stad,’ zei Siuan preuts, ‘is het beter om dat niet te vragen.’ Onverwachte rode vlekjes op haar wangen deden Min vermoeden dat ze het heel goed wist. ‘Haal ze op. We moeten nog ver en heb ben geen tijd te verspillen. En doe het zo dat niemand je hoort.’ Min snoof zacht. Zolang Leane dat glimlachje op haar gezicht had, zou geen enkele man naar haar kijken. Ze had graag willen weten hoe Siuan de aandacht van de Witmantels had getrokken. Het was het laatste dat ze nodig hadden, en het was niets voor Siuan om fouten te maken. Ze wilde er ook graag achter komen hoe ze ervoor kon zorgen dat Rhand naar haar keek op de manier waarop die mannen naar Leane keken. Als ze de hele nacht zouden doorrijden – en ze vermoedde van wel – dan zou Leane misschien bereid zijn haar enkele raadgevingen toe te fluisteren.

12

Een oude pijp

Een windvlaag joeg stof op in de straat, greep Garet Brins fluwelen muts en zwiepte die zo van zijn hoofd onder een van de voort bol derende wagens. Een met ijzer beklede wielvelg perste de muts in de harde klei en liet een geplet vod achter. Hij keek er even naar en liep toen door.

Er zaten toch reisvlekken op, zei hij tegen zichzelf. Zijn zijden jas was al stoffig voor hij Morland bereikt had, en afkloppen hielp niet veel meer, als hij al de moeite nam. De jas was nu meer bruin dan grijs. Hij zou wat eenvoudiger kledij moeten vinden; hij was niet op weg naar een feest.

Hij sprong tussen de wagens door, die over de met karrensporen bezaaide straat hotsten, negeerde de verwensingen van de voerlieden elke goede krijgsman kon er slapend betere verzinnen – en dook een herberg in met een rood pannendak, die De Bok heette. Het plaatje op het uithangbord gaf de naam een heel duidelijke betekenis mee. De gelagkamer was als vele andere die hij in Lugard gezien had, vol gepakt met voermannen en koopmanswachters, stalknechten, paar densmeden en sjouwers. Allerlei soorten lieden praatten en lachten zo hard als ze konden, terwijl ze zoveel mogelijk drank naar binnen werkten, met één hand om de drinkbeker op te tillen en de andere om de diensters te strelen. Feitelijk verschilde het hier niet veel van welke gelagkamer of herberg dan ook in andere steden, hoewel de meeste aanzienlijk rustiger waren. Een jonge vrouw met een flinke boezem in een hemdje dat zowat openviel, danste en zong op een tafel aan de ene kant van de kamer, op de muziek – of iets wat daar op moest lijken – van twee fluiten en een twaalfsnarige hanou. Hij had weinig oor voor de muziek, maar hij hield even waarderend stil voor haar lied; ze zou het goed hebben gedaan in elk krijgskamp. Maar ja, ze zou net zo gewild zijn geweest als ze geen noot had kunnen zingen. Met zo’n hemdje zou ze binnen de kortste keren een echt genoot hebben gevonden.

Joni en Barim waren er al. Joni’s omvang was groot genoeg om er voor te zorgen dat ze een tafel voor hen alleen kregen, ondanks zijn dunne haar en het verband dat hij nog steeds droeg. Ze luisterden naar het zingende meisje. Of staarden in ieder geval naar haar. Hij tikte beiden op de schouder en knikte naar de zijdeur die uitkwam op het stalerf, waar een stuurse knecht met samengeknepen ogen hun voor drie zilveren penners de paarden overhandigde. Een jaar of wat geleden zou Brin voor dezelfde prijs een goed paard hebben kunnen kopen. De moeilijkheden in het westen en in Cairhien braken de handel af en dreven de prijzen op.

Geen van hen sprak, tot ze de stadspoort uit waren; ze reden op een zelden bereden pad dat naar het noorden slingerde, naar de rivier de Storn. Het was weinig meer dan een breed stofspoor. Toen zei Barim: ‘Ze waren hier gisteren, mijn heer.’

Daar was Brin zelf ook achter gekomen. Drie aardige jonge meisjes, overduidelijk vreemdelingen, konden niet samen door een stad als Lugard trekken zonder opgemerkt te worden. In ieder geval door mannen.

‘De vrouwen en een kerel met schouders,’ ging Bafim door. ‘Lijkt er op dat die Dalijn erbij was van toen ze Nems schuur afbrandden. Hoe dan ook, wie hij ook is, ze bleven effe in De Negen Paarden wip, maar ze dronken alleen wat en waren weg. Die Domani, waar de jongens me over vertelden, zorgde bijna voor ’n relletje met die glimlach en die heupen van d’r, maar toen kalmeerde de hele zaak op dezelfde manier. Drakenvuur, wat zou ik graag zo’n Domani willen zien.’

‘Heb je gehoord welke kant ze opgingen, Barim?’ vroeg Brin geduldig. Daar had hij niet achter kunnen komen.

‘Ach, nee, heer. Maar ik hoor dat er ’n hoop Witmantels langstrekken, allemaal naar het westen. Denkt u dat de ouwe Pedron Nial wat van plan is? Misschien in Altara?’

‘Dat zijn onze zaken niet meer, Barim.’ Brin wist dat hij deze keer wat ongeduldiger klonk dan anders, maar Barim was ervaren genoeg om bij de les te blijven.

‘Ik weet waar ze naartoe gingen, mijn heer,’ zei Joni. ‘Naar het westen, de Jehannaweg, en met veel haast, hoorde ik.’ Hij klonk bezorgd. ‘Heer, ik ben twee koopmanswachters tegengekomen, jongens die bij de garde hebben gezeten. Heb wat met ze gedronken. Ze zaten in een kroeg toen dat meisje Mara binnenkwam en vroeg of ze werk als zangeres kon krijgen. Ze kreeg het niet – wou d’r benen niet laten zien zoals de meeste andere meiden doen, en wie kan d’r dat kwalijk nemen? – en ze ging weer weg. Van wat Barim me vertelde, ver trokken ze meteen daarna naar het westen. Bevalt me niks, heer. Is niet het soort meisje dat in zo’n plaats zou werken. Ik denk dat ze probeert weg te komen van die Dalijn.’