‘De slotsom was,’ ging Brin door, ‘dat mijn vel werd verschroeid en de garde bevolen werd zich van de grens terug te trekken. Dus, als je mij uitkiest om jullie te beschermen in Ebo Dar, bedenk dan maar dat die kroegmeiden volgens mij de Amyrlin te drogen zouden hangen, naast ons dan.’ Ze brulden van pret.
‘Ooit erachter gekomen waar het om ging, mijn heer?’ wilde Joni weten.
Brin schudde zijn hoofd. ‘Het zal wel met Aes Sedai-zaken te maken hebben. Ze vertellen kerels als jou en mij niet wat ze van plan zijn.’
Daar werd ook over gegrinnikt.
Ze klommen op hun paarden met een bereidwilligheid die hun leef tijd logenstrafte. Sommigen zijn niet ouder dan ik, bedacht hij droog. Te oud om achter een paar mooie ogen aan te jagen. Ogen die jong genoeg waren om die van zijn dochter, zo niet die van zijn kleindochter te zijn. Ik wil alleen maar weten waarom ze die eed gebroken heeft, zei hij streng tegen zichzelf. Alleen dat.
Hij hief zijn hand op en gebaarde naar voren, en ze bogen naar het westen af met een stofwolk achter zich aan. Ze zouden hard moeten rijden om hen in te halen. Maar dat was hij wel van plan. In Ebo Dar of in de Doemkrocht, hij zou die vrouwen vinden.
13
Een kamertje in Sienda
Elayne hield zich in de schommelende koets vast aan een leren lus en probeerde Nynaeves zure gezicht tegenover haar te negeren. On danks het stof dat soms door het raam naar binnen waaide, waren de gordijntjes opengetrokken. Het briesje blies iets van de middag hitte weg. Golvende, beboste heuvels gleden voorbij, en van tijd tot tijd werden de bossen onderbroken door stukken akkerland. Op een paar span van de weg stond boven op een heuvel een landhuis in Amadiciaanse stijl. Het had een enorme stenen onderbouw van wel vijftig voet hoog, waarop een ingewikkeld houten bouwwerk stond, vol versierde balkons en rode pannendaken. Ooit was het helemaal van steen geweest, maar het was lang geleden dat een heer in Amadicia een vesting nodig had, en ’s konings wetten vereisten nu een houten bovenbouw’. Geen rebelse heer zou in staat zijn het tegen de koning lang vol te houden. Natuurlijk waren de Kinderen van het Licht van deze wet vrijgesteld; voor een aantal Amadiciaanse wetten waren ze onschendbaar. Toen ze jong was, had ze iets moeten leren over de wetten en gewoonten van andere landen. Ook op de verre heuvels lagen ontgonnen akkers, als bruine vlekken op een bijna volkomen groen kleed, waarop de arbeiders net mieren leken. Alles was droog; een bliksemschicht kon een brand veroorzaken die vele roedes om zich heen zou grijpen. Maar bliksem bete kende regen, en die paar wolkjes waren daarvoor te hoog en te ijl. Afwezig vroeg ze zich af of ze het kon laten regenen. Ze had veel bij geleerd over weersbeheersing. Maar het was erg moeilijk als je van uit het niets moest beginnen.
‘Verveelt mijn vrouwe zich?’ vroeg Nynaeve ijzig. ‘De manier waar op mijn vrouwe naar het landschap staart – langs haar neus – doet mij geloven dat mijn vrouwe sneller wenst te reizen.’ Ze reikte over haar hoofd, duwde een houten luikje open en riep: ‘Meer snelheid, Thom! En spreek me niet tegen! En jij, Juilin Dievenvanger, hou ook je mond! Ik zei: sneller!’
Het luikje klapte dicht, maar Elayne kon Thom horen mopperen. Meer verwensingen, waarschijnlijk; Nynaeve had de mannen al de hele dag af zitten snauwen. Even later knalde zijn zweep en de koets ging sneller rijden; hij schommelde zo heftig dat de vrouwen op hun goudkleurige zijden kussens door elkaar werden geschud. Toen Thom het voertuig had gekocht, waren die kussens grondig schoongemaakt, maar de vulling was nu keihard. Maar hoe ze ook heen en weer geslingerd werden, Nynaeves opeengeklemde kaken zeiden dat ze Thom niet zou vragen om af te remmen, niet nadat ze hem net bevolen had om harder te gaan.
‘Asjeblieft, Nynaeve,’ zei Elayne. ‘Ik...’ Nynaeve onderbrak haar met een.
‘Zit mijn vrouwe niet gemakkelijk? Ik weet dat hoge vrouwen gewend zijn aan hun gemak, het soort gemak waar een arme meid niets van weet, maar mijn vrouwe wil toch zeker voor het donker de volgende stad halen? Dan kan haar dienstmeid haar maaltijd opdienen en haar bed openslaan.’ Haar tanden klapten op elkaar toen de om hoogkomende zitting haar omlaagkomende zitvlak ontmoette, en ze keek Elayne kwaad aan, alsof het allemaal haar schuld was. Elayne zuchtte diep. In Mardecin had Nynaeve het nog ingezien. Een vrouwe reisde nimmer zonder dienstmeisje, en twee vrouwen zouden er waarschijnlijk twee hebben. Tenzij ze Thom of Juilin in een jurk zouden hijsen, betekende het of zij of Nynaeve voor dienstmeisje door moest gaan. Nynaeve had ook ingezien dat Elayne meer wist van de gedragingen van hoge vrouwen; ze had het heel omzichtig uitgelegd en gewoonlijk wist Nynaeve best wat redelijk was. Maar dat was nog in Macura’s winkeltje, nadat ze beide vrouwen daar hadden vol gegoten met hun eigen afschuwelijke brouwseltje. Na hun vertrek uit Mardecin hadden ze tot diep in de nacht hard doorgereden, totdat ze een dorpje met een herberg hadden bereikt waar ze de herbergier uit zijn bed hadden gehaald om twee benauwde kamers met smalle bedden te huren. Gisteren waren ze al voor dag en dauw weer op pad gegaan en met een ruime boog om Amador heen getrokken. Ze zagen er allevier op het eerste gezicht goed genoeg uit voor hun rol, maar geen van hen had veel zin door een grote stad vol met Witmantels te rijden. In Amador stond de Burcht van het Licht. Elayne had horen zeggen dat de koning over Amador regeerde, maar dat Pedron Nial erover heerste.
De moeilijkheden waren de vorige avond begonnen, in een plaatsje dat Bellon heette. Het lag zo’n twintig span buiten de hoofdstad, aan een modderstroompje dat met een grootse naam de Gajan-rivier werd genoemd. De Bellon Kruising was een herberg die groter was dan het plaatsje zelf, en vrouw Alfara, de herbergierster, had vrouwe Morelin een eigen eetkamer aangeboden, wat Elayne niet goed kon wei geren. Vrouw Alfara was ervan overtuigd dat alleen Nana, Morelins kamenierster, wist hoe de vrouwe op de juiste wijze bediend moest worden. Hoge vrouwen verlangden een stipte vervulling van hun wensen, zo zei de herbergierster, en haar meisjes waren daar gewoon niet aan gewend. Nana zou precies weten hoe vrouwe Morelin haar bed graag wilde hebben en zou na een verhitte reisdag een heerlijk bad kunnen klaarmaken. De lijst van dingen die Nana precies goed zou kunnen doen voor haar meesteres, was eindeloos geweest. Elayne vroeg zich af of Amadiciaanse edelen dit werkelijk ver wachtten of dat vrouw Alfara gewoon het werk op een dienstmeis je van een vreemdelinge wilde afschuiven. Ze had geprobeerd om Nynaeve te ontzien, maar die was al net zo vol geweest van ‘zoals u wenst’ en ‘mijn vrouwe is zeer veeleisend’ als de herbergierster. Het zou dwaas of op zijn minst vreemd geleken hebben als ze daar iets tegenin had gebracht. Ze probeerden geen ongewenste aandacht te trekken.