Выбрать главу

Zolang ze in Bellon hadden gezeten, had Nynaeve in het openbaar het volmaakte dienstmeisje gespeeld. Onder elkaar was een andere zaak. Elayne had liever gehad dat ze weer gewoon zichzelf was, in plaats van haar te belagen als een kamenierster uit de Verwording. Verontschuldigingen hadden geleid tot ‘mijn vrouwe is te vriendelijk’ of werden gewoon genegeerd. Ik ga mezelf niet meer verontschuldigen, hield ze zich voor de vijftigste keer voor. Niet voor iets dat mijn schuld niet is.

‘Ik heb nagedacht, Nynaeve.’ Ze hield zich vast aan de leren lus en voelde zich als de bal in een Andoraans kinderspelletje, waarbij je moest proberen om een fel gekleurde houten bal op een plankje te laten stuiteren. Maar ze ging niet vragen of de koets langzamer kon rijden. Ze kon het volhouden, zolang Nynaeve dat ook deed. Wat was die vrouw koppig! ik wil Tar Valon bereiken en erachter zien te komen wat er aan de hand is, maar...’

‘Mijn vrouwe heeft zitten denken? Mijn vrouwe heeft nu vast hoofd pijn. Ik zal voor mijn vrouwe een heerlijk kopje thee zetten van scha pentongwortel en rode vergeet-mij-nietjes, zodra we...’

‘Hou op, Nana,’ zei Elayne kalm maar beslist; het klonk even goed als de beste stembuiging van haar moeder. Nynaeves mond zakte open. ‘Als je zo doorgaat, kun je tussen de kisten op het dak mee reizen.’ Nynaeve maakte een verstikt geluid en probeerde zo verwoed iets te zeggen dat er niets uit haar mond kwam. Heel bevredigend. ‘Soms schijn je te denken dat ik nog steeds een kind ben, maar jij bent degene die zich nu als een kind gedraagt. Ik heb je niet gevraagd mijn rug te wassen, maar ik kon je met geen mogelijkheid tegen houden. Ik heb aangeboden om de jouwe te boenen, weet je nog? En ik bood aan om in het veldbed te slapen. Maar je stapte erin en wil de er niet meer uit komen. Dus hou op met dat gepruil. Als je wilt, zal ik bij de volgende herberg de meid zijn.’ Het zou waarschijnlijk een ramp worden. Nynaeve zou in het openbaar Thom afblaffen of iemand een draai om zijn oren geven. Maar ze had alles over voor een beetje rust. ‘We kunnen nu halt houden en achter het struikge was van kleren wisselen.’

‘We hebben kleding gekozen die jou zou passen,’ mopperde Nynaeve even later. Ze duwde het luikje weer open en brulde: ‘Langzamer! Probeer je ons om zeep te brengen! Stomme kerels!’ Op de bok bleef het doodstil, terwijl de koets vertraagde naar een redelijker snelheid, maar Elayne zou durven wedden dat die twee daar aan het praten waren. Ze fatsoeneerde haar haren zo goed mogelijk, zonder spiegel. Het was nog steeds een schok als er een glinsterende zwarte lok voor haar ogen viel. De groene zijde moest ook nodig grondig geborsteld worden.

‘Waar dacht je aan, Elayne?’ vroeg Nynaeve. Haar wangen waren vuurrood. Ze wist tenminste dat Elayne gelijk had, maar een beetje terugkrabbelen was waarschijnlijk het meeste dat ze bij wijze van verontschuldiging kon opbrengen.

‘We vliegen wel terug naar Tar Valon, maar hebben we werkelijk enig idee van wat ons in de Toren te wachten staat? Als de Amyrlin werkelijk die opdracht heeft gegeven... Ik geloof het niet echt, en ik begrijp er niets van, maar ik ben niet van plan de Toren binnen te lopen voordat ik het wel begrijp. Alleen een dwaas steekt haar hand in een holle boom zonder eerst uit te zoeken wat erin zit.’

‘Een wijze vrouw, die Lini,’ zei Nynaeve. ‘We komen meer te weten als ik nog zo’n omgekeerd bosje bloemen zie, maar ik geloof dat we tot die tijd maar beter kunnen doen alsof de Zwarte Ajah de baas is in de Toren.’

‘Vrouw Macura zal nu wel een andere duif naar Narenwin gestuurd hebben. Met een beschrijving van deze koets en van de jurken die we hebben meegenomen, en waarschijnlijk ook van Thom en Juilin.’

‘Daar is niets aan te doen. Dat zou niet gebeurd zijn als we in Tarabon niet hadden getreuzeld. We hadden een schip moeten nemen.’ Elaynes mond viel open toen ze de beschuldigende toon hoorde, en Nynaeve had het fatsoen om opnieuw te blozen. ‘Nou ja, gedane zaken nemen geen keer. Moiraine kent Siuan Sanche. Misschien kan Egwene haar vragen of...’

Plotseling kwam de koets met een schok tot stilstand en werd Elayne boven op Nynaeve gegooid. Ze kon paarden horen briesen en trappelen, en probeerde zich op te richten. Nynaeve duwde haar weg. Ze omvatte saidar en stak haar hoofd uit het raam – en liet het op gelucht weer los. Hier was iets dat ze meermalen in Caemlin had gezien. Een reizend beestenspul had in de middag de schaduw opgezocht en op een veld naast de weg een kamp opgeslagen. Een grote leeuw met zwarte manen lag half te slapen in een kooi die de hele achterkant van een wagen in beslag nam, terwijl twee leeuwinnen heen en weer liepen in de nauwe ruimte van een andere. Een derde kooi stond open; een vrouw leerde twee zwarte beren met witte muil korven om op grote, rode ballen in evenwicht te blijven. In een andere kooi zat iets dat op een groot, harig zwijn leek, maar zijn snuit was te puntig en hij had tenen met klauwen; hij kwam uit de Aiel woestenij, wist ze, en werd een kapar genoemd. In andere kooien zaten ook dieren, en fel gekleurde vogels, maar anders dan bij elk beestenspul dat ze gezien had, reisde deze groep ook met menselijke kunstenaars. Twee mannen jongleerden met met linten omspannen hoepels, vier tuimelaars vormden op eikaars schouder één hoge menselijke zuil, en een vrouw gaf eten aan een tiental honden die op hun achterpoten liepen en salto’s maakten. Ergens achteraan waren een paar andere lieden bezig twee lange palen op te richten; ze had geen idee waar die voor dienden.

Maar dit alles was niet de reden waarom de paarden zo bokten en met hun ogen rolden, wat Thom ook met de teugels probeerde. Ze kon zelf de leeuwen ruiken, maar de paarden staarden met wilde ogen naar drie enorme, grijze beesten met een gerimpelde huid. Twee ervan waren net zo groot als de koets en hadden grote oren en reus achtige slagtanden naast een heel lange neus die tot op de grond hing. De derde, wat kleiner dan de paarden, maar waarschijnlijk net zo zwaar, had geen slagtanden. Een jong, nam ze aan. Een vrouw met strogeel haar krabde hem met een zware, gebogen prikstok achter een oor. Elayne had zulke beesten al eerder gezien en niet verwacht hen ooit weer tegen te komen.

Uit het kamp kwam een lange man met donker haar aangelopen. Uit gerekend met deze hitte droeg hij een roodzijden mantel, waarmee hij een zwierige buiging maakte. Hij zag er knap uit, met mooie benen, en daar was hij zich heel goed van bewust. ‘Vergeef me, vrouwe, als onze grote zwijnpaarden uw dieren lieten schrikken.’ Hij richtte zich op en gebaarde twee van zijn mannen te helpen de paarden te kalmeren. Hij wachtte even, staarde haar aan en mompelde toen: ‘Stil, mijn hart.’ Elayne was er zeker van dat hij het opzettelijk net luid genoeg zei zodat ze het kon horen, ik ben Valan Luca, vrouwe, buitengewoon kunstenmaker. Uw aanwezigheid bedwelmt mij.’ Hij maakte nog een buiging, ingewikkelder zelfs dan de eerste. Elayne wisselde een blik met Nynaeve en zag dezelfde vermaakte glimlach die ze zelf ook toonde. Deze Valan Luca was bijzonder met zichzelf ingenomen. Zijn mannen schenen goed te zijn in het kalmeren van paarden; ze briesten en stampten nog, maar hun ogen stonden niet meer zo wild. Thom en Juilin staarden net als hun paarden verbaasd naar de vreemde dieren. ‘Zwijnpaarden, meester Luca?’ vroeg Elayne. ‘Waar komen ze vandaan?’