Выбрать главу

‘Reuzenzwijnpaarden, vrouwe,’ was het vlugge antwoord, ‘uit het legendarische Shara, waar ik zelf een ontdekkingstocht heb geleid door een wildernis vol vreemde beschavingen en nog vreemder zaken. Men hield ze daar verborgen. Het zou me een eer zijn om u erover te ver tellen. Reusachtige wezens die twee keer zo groot zijn als Ogier.’ Hij maakte de bijpassende weidse gebaren. ‘Wezens zonder hoofd. Vo gels die groot genoeg zijn om een volwassen stier te dragen. Slangen die een hele man kunnen inslikken. Steden van massief goud. Stijg uit, vrouwe, en laat mij erover verhalen.’

Elayne twijfelde er niet aan dat Luca zichzelf geweldig zou vermaken met zijn eigen verhalen, maar ze twijfelde er wel aan dat deze dieren uit Shara kwamen. Zelfs het Zeevolk zag bijvoorbeeld niet meer van Shara dan de ommuurde havens, waar ze zich niet buiten mochten wagen; wie buiten deze muren kwam, werd nooit meer gezien. De Aiel wisten weinig meer. Bovendien hadden zij en Nynaeve deze beesten gezien in Falme, tijdens de inval van Seanchanen, die ze gebruikten als werkdieren en voor de oorlog, ik denk van niet, meester Luca,’ zei ze tegen hem. ‘Laat mij u dan een voorstelling aanbieden,’ zei hij vlug. ‘U kunt zelf zien dat dit geen gewoon reizend beestenspul is, maar iets geheel nieuws. Een voorstelling alleen voor u. Tuimelaars, goochelaars, af gerichte dieren, de sterkste man ter wereld. Zelfs een vuurfeest. We hebben een Vuurwerker bij ons. We zijn op weg naar Geldan, en morgen zullen we als op de wind vertrokken zijn. Maar voor een bescheiden bedrag...’

‘Mijn vrouwe zei nee,’ onderbrak Nynaeve hem. ‘Ze kan haar geld beter besteden dan aan het kijken naar dieren.’ Nynaeve was feite lijk degene die de koordjes van hun beurzen stevig vastgeknoopt hield en met tegenzin alleen het hoogst noodzakelijke uitgaf. Ze meende dat alles even duur behoorde te zijn als in Tweewater. ‘Waarom wilt u naar Geldan, baas Luca?’ vroeg Elayne. Nynaeve streek de mensen altijd tegen de haren in, waarna zij het haar weer mocht gladstrijken. ‘Ik heb gehoord dat daar flink wat moeilijkheden zijn, dat het leger er niet in is geslaagd om die man onder de duim te krijgen. Die man die ze de Profeet noemen, met zijn gepreek over de Herrezen Draak. U wilt toch niet in opstootjes verzeild raken?’

‘Schromelijk overdreven, vrouwe, schromelijk overdreven. Waar een menigte is, willen mensen vermaakt worden. En waar mensen ver maakt willen worden, is mijn voorstelling altijd welkom.’ Luca aar zelde even en kwam toen dichter naar de koets toe. Hij keek op naar Elayne en een verlegen trek gleed over zijn gezicht. ‘Vrouwe, de waarheid is dat u me een grote dienst zou bewijzen als u me zou toestaan een voorstelling voor u te geven. Ziet u, een van de zwijnpaarden heeft enige moeilijkheden veroorzaakt in de stad verderop. Een on gelukje,’ voegde hij er haastig aan toe, ‘dat verzeker ik u. Het zijn goedaardige dieren. Helemaal niet gevaarlijk. Maar de mensen van Sienda zijn weinig genegen om mij een voorstelling te laten geven, of om naar een voorstelling toe te komen... Nou ja, het kostte mij al mijn geld om de schade en de boetes te betalen.’ Hij rilde. ‘Vooral de boetes. Als u me zou toestaan u te onderhouden – voor een schijntje, werkelijk – zou ik u als begunstiger van mijn voorstelling kunnen noemen, waar we maar over de wereld trekken, en de faam van uw edelmoedigheid verkondigen, vrouwe...’

‘Morelin,’ zei Elayne. ‘Vrouwe Morelin van het Huis Samared.’ Met haar nieuwe haar kon ze doorgaan voor een Cairhienin. Ze had geen tijd om zijn voorstelling te zien, anders zou ze er zeker van hebben genoten, en dat zei ze ook, en ze voegde eraan toe: ‘Maar ik wil u wel wat hulp geven als u geen geld hebt. Geef hem iets, Nana, om hem op weg naar Geldan te helpen.’ Het laatste dat ze wilde was dat hij haar ‘faam zou verkondigen’, maar haar plicht om de armen en hen die in nood zaten te helpen, zou ze zelfs in een vreemd land niet verzaken als ze de middelen had.

Grommend groef Nynaeve een beurs uit haar buidel en keek erin. Ze leunde ver genoeg uit de koets om haar gave in Luca’s hand te drukken. Hij keek verbaasd toen ze zei: ‘Als u eerlijk werk zou doen, hoefde u niet te bedelen. Rijden, Thom!’

Thoms zweep knalde en Elayne werd op haar zitplaats teruggegooid. ‘Je hoefde niet zo grof te zijn,’ zei ze. ‘Of zo afgemeten. Wat heb je hem gegeven?’

‘Een zilveren penner,’ antwoordde Nynaeve kalm en stopte de beurs weer in haar buidel. ‘En dat is meer dan hij verdient.’

‘Nynaeve,’ kreunde Elayne, ‘de man denkt waarschijnlijk dat we de spot met hem drijven.’

Nynaeve snoof. ‘Met zulke schouders zou een dag werken hem geen kwaad doen.’

Elayne hield haar mond, hoewel ze het er niet mee eens was. Niet helemaal. Zeker, werk zou de man geen kwaad doen, maar ze dacht niet dat er hier veel werk was.

Hoewel ik niet geloof dat baas Luca werk zou aannemen waarbij hij die mantel niet kon dragen.

En als ze dat naar voren bracht, zou Nynaeve weer ruzie maken – als ze voorzichtig iets vertelde wat Nynaeve niet wist, was de vrouw heel goed in staat haar ervan te beschuldigen dat ze hooghartig was of haar de les probeerde te lezen – en Valan Luca was nauwelijks een nieuwe twist waard, niet nu ze de vorige net had bezworen. Tegen de tijd dat ze Sienda bereikten, begonnen de schaduwen reeds te lengen. Het was een flink dorp met stenen huizen, rieten daken en twee herbergen. De eerste. De Lansier des Konings, had een gapend gat in plaats van een voordeur, en een menigte keek toe hoe werk lieden de schade herstelden. Misschien had meester Luca’s zwijn paard een hekel gehad aan het uithangbord, dat nu naast het gat was neergezet en waarop een aanvallende krijgsman met gestoken lans was afgebeeld. Het bord scheen op een of andere manier naar beneden te zijn gerukt.

Er waren hier, verrassend genoeg, nog meer Witmantels in de drukke stoffige straten dan in Mardecin, veel meer. En ook krijgslieden, in maliën en met stalen helmen op. Op hun blauwe mantels stonden de Ster en de Distel van Amadicia. Garnizoenen moesten hier dicht bij gelegerd zijn. De krijgslieden van de koning en de Witmantels leken elkaar helemaal niet te mogen. Ze liepen elkaar ofwel gewoon voorbij, alsof de man met de verkeerde kleuren niet bestond, of wis selden uitdagende blikken als getrokken dolken. Enkele Witmantels hadden op hun mantels een rode herdersstaf achter de zonnekrans. Zij noemden zich de Hand van het Licht, de Hand die de waarheid vindt, maar ieder ander noemde hen Ondervragers. Zelfs de andere Witmantels bleven uit hun buurt.

Alles bij elkaar was het genoeg om Elaynes maag samen te laten krimpen. Maar er was nog slechts een uur daglicht over, zelfs met een laatzomerse zonsondergang. Als ze echter nog een halve nacht door reden, vonden ze misschien geen herberg; en in het donker doorrijden zou de aandacht trekken. Bovendien hadden ze een reden om vandaag vroeg te stoppen.

Ze wisselde een blik met Nynaeve, die even later knikte en zei: ‘We moeten halt houden.’

Toen de koets voor Het Licht van de Waarheid stilhield, sprong Juilin naar beneden om de deur te openen. Nynaeve wachtte met een eerbiedig trekje op haar gezicht om Elayne te helpen uitstappen. Maar ze gaf Elayne wel een vlug glimlachje; ze zou niet opnieuw gaan mokken. De leren tas aan haar schouder leek wat ongerijmd, niet te on gerijmd, hoopte Elayne. Nu Nynaeve weer een voorraad kruiden en zalfjes had opgedoken, was ze niet van plan die uit het gezicht te ver liezen.

Haar eerste blik op het uithangbord van de herberg – een gouden zonnekrans zoals de Kinderen die op hun mantels droegen – deed haar wensen dat het zwijnpaard deze uitspanning had bezocht in plaats van de andere herberg. Er zat gelukkig geen herdersstaf achter. De helft van de gasten in de gelagkamer droeg sneeuwwitte mantels; hun helmen stonden voor hen op tafel. Ze haalde diep adem en sterkte zich om niet meteen op haar hakken om te draaien en weer weg te gaan.

Afgezien van de soldaten was het een prettige herberg, met een ho gebalkenzoldering en donkere, opgewreven muurpanelen. De twee grote, gedoofde haarden waren versierd met afgesneden groene takken, en uit de keuken kwam een lekkere kooklucht. De in witte schorten gestoken dienstmeisjes schenen allemaal vrolijk te zijn, terwijl ze met bladen vol wijn, bier en voedsel tussen de tafels door schuifel den.